Gehuld in jacquet stapt Wopke Hoekstra door de draaideur van het ministerie van Financiën. Hand in hand met zijn vrouw Liselot begeeft hij zich naar de Tweede Kamer om het traditionele koffertje aan te bieden. Aan het Korte Voorhout staan al honderden schoolkinderen in de ochtendzon te wachten op de Gouden Koets. Zodra de bewindsman en zijn echtgenote de hoek om komen, als een jong presidentieel paar, gaan er opgewonden kreten door het publiek: de minister! Hoekstra maakt high fives met kinderen langs de hekken, met een brede glimlach poseert hij voor tientallen selfies.

Het tafereel wordt vastgelegd door een cameraploeg van EenVandaag, die Hoekstra vanmorgen vroeg al filmde bij het ontbijt, thuis in Bussum. Als de beelden die avond worden uitgezonden, is de conclusie door Haagse duiders snel getrokken: daar loopt de toekomstige leider van het CDA, of op zijn minst: een man die het helemaal niet erg vindt om als kroonprins te worden gezien.


Jasper Veenstra vroeg aan Thijs Broer hoe je dat eigenlijk aanpakt, drie maanden met iemand meelopen. Waar ben je wel bij, en waarbij niet? En waarom worden ze bij de VVD zo zenuwachtig van Hoekstra?

‘Sportieve gezinsman’

Het opgewonden gerucht dat Wopke Hoekstra op zou gaan voor het partijleiderschap van het CDA deed al de ronde bij de presentatie van het nieuwe kabinet in oktober 2017, toen de partij hem naar voren schoof als minister van Financiën. Prompt werd Hoekstra door hoopvolle partijgenoten ‘de nieuwe Ruud Lubbers’ genoemd, naar de man die het in de jaren zeventig en tachtig schopte van jonge, briljante zakenman tot langst zittende premier ooit: Hoekstra is slim, fotogeniek, afkomstig uit de zakenwereld (hij deed de prestigieuze business school INSEAD in Fontainebleau, werkte voor Shell en bracht het al op zijn 36ste tot partner bij organisatieadviesbureau McKinsey), en eigenzinnig bovendien: als lid van de Eerste Kamer voor het CDA sinds 2011 bracht Hoekstra als enige van zijn fractie verschillende keren een afwijkende stem uit, een zeldzaamheid in de senaat.

De geruchtenstroom over zijn ambities zwol verder aan toen Hoekstra in maart van dit jaar bekend maakte dat hij namens de Nederlandse staat in het diepste geheim voor bijna 750 miljoen euro aan aandelen had gekocht van KLM-Air France. In de media werd hij als redder van de Nederlandse luchtvaart op het schild gehesen.

Zo schreef De Telegraaf, onder een fraaie foto van een kickboksende Hoekstra in de sportschool: ‘Een potentiële minister-president’ en: ‘Ondertussen bouwt hij rustig verder aan zijn imago als innemende en sportieve gezinsman.’ Rond het Binnenhof moesten ook spindoctors van concurrerende partijen mokkend toegeven: betere publiciteit is voor een ambitieus politicus nauwelijks denkbaar.

Wopke Hoekstra

Toen Hoekstra twee maanden later een spraakmakende lezing gaf aan de Humboldt-universiteit in Berlijn over de toekomst van Europa, waarna bekend werd dat hij begin september ook de HJ Schoo-lezing in Den Haag zou houden over de stand van het land, en óók nog eens uitlekte dat hij al maanden bezig was met een reusachtig investeringsfonds van ten minste vijftig miljard om de Nederlandse economie toekomstbestendig te maken, zagen Binnenhof-watchers hun speculaties al helemaal bevestigd: zie je wel, Wopke profileert zich doelbewust als politiek leider met een brede visie, in de aanloop naar de komende verkiezingen.

Intussen verwierf Hoekstra al in zijn eerste maanden als minister een reputatie op het Europese toneel door zich in het overleg van Europese ministers van Financiën koppig te verzetten tegen verdere uitbreiding van de Europese budgetten, en speelt hij sinds deze zomer een sleutelrol in de pogingen van kabinet en coalitie om de maatschappelijke opstand van boeren, bouwers, leraren en verpleegkundigen te bedwingen en tegelijkertijd de begroting te bewaken: de benodigde miljarden kunnen alleen via de minister van Financiën worden verdeeld.

Alle reden voor Vrij Nederland om Wopke Hoekstra drie maanden lang op de voet te volgen rond het Binnenhof, naar Berlijn en Washington, en uitvoerig te spreken met de minister zelf, zijn topambtenaren, zijn vertrouwelingen in het CDA en zijn critici. Wat beweegt hem? Hoe gaat hij te werk als minister? En hoe groot zijn de kansen van ‘de nieuwe Lubbers’ om premier van Nederland te worden?

Uitgekiende electorale strategie

Op een avond vroeg in september klinkt opgewonden geroezemoes in Theater Diligentia in Den Haag, waar Wopke Hoekstra de HJ Schoo-lezing zal uitspreken. De zaal stroomt vol, de lezing is al weken uitverkocht. De halve partij wil erbij zijn als de coming man van het CDA zijn visie op Nederland ontvouwt. Nadat Hoekstra zijn lezing – getiteld ‘Het land van morgen. Naar een nieuw maatschappelijk evenwicht’ – heeft uitgesproken, klinkt groot applaus. Maar in de kranten wordt het langverwachte verhaal de volgende dag hier en daar onthaald op stevige kritiek, vooral vanwege enkele passages over de soms moeizame integratie van minderheden en de ‘Nederlandse identiteit’ die onder druk zou staan. Daar gaan we weer, oordeelt Volkskrant-columniste Sheila Sitalsing, die had gehoopt dat Hoekstra bij het CDA eens lekker de ramen tegen elkaar zou openzetten, na de benauwde conservatieve verhalen van Sybrand Buma.

In de wandelgangen rond het Binnenhof wordt er nog dagen over gespeculeerd dat de bekritiseerde passages moeten zijn ingestoken door de oud-spindoctors Jack de Vries, Jeroen de Graaf en Hans Hillen: het drietal dat Jan Peter Balkenende ooit op een stevige rechtse koers probeerde te houden toen het CDA het land nog bestuurde vanuit het Torentje. Volgens de geruchten zouden zij tot Hoekstra’s vaste adviseurs behoren. Het kan geen toeval zijn dat uitgerekend deze drie, na jaren in de luwte, weer bij de Schoo-lezing zijn opgedoken, nu het CDA met Wopke Hoekstra voor het eerst weer een kandidaat voor het Torentje in huis lijkt te hebben.

Sommige Haagse journalisten ontwaren in de toonzetting van de HJ Schoo-lezing een uitgekiende electorale strategie van het CDA. Vicepremier en minister van Volksgezondheid Hugo de Jonge, die net als Hoekstra als mogelijke toekomstige partijleider wordt gezien, hield nog geen week eerder óók een veelbesproken lezing, voor het Christelijk-Sociaal Congres in Doorn. Met het sociaal bewogen verhaal van Hugo en het meer conservatieve van Wopke zouden de CDA-strategen het electorale water willen peilen, om in de aanloop naar de verkiezingen alle opties open te houden.

‘Ik ben een groot voorstander van moderate views, firmly held.’

‘Dan wordt het strategisch vernuft van het CDA zwaar overschat,’ grinnikt Wopke Hoekstra niet lang na de lezing in zijn werkkamer op het ministerie van Financiën. ‘Hugo en ik hebben uitstekend contact, we hebben elkaar onze speeches laten lezen. Ingewikkelder is het niet. Sterker nog: volgens de partijvoorzitter zou er voortaan wel wat méér coördinatie mogen zijn.’

Ook de suggestie dat de passages over migratie en identiteit zouden zijn aangedragen door Jack de Vries en geestverwanten veegt hij resoluut van tafel. ‘Verschillende van mijn adviseurs zeiden juist dat ik met een boog om die onderwerpen heen moest lopen. Maar ik heb er zelf voor gekozen er toch iets over te zeggen. Naar mijn idee is het ook een buitengewoon gebalanceerd verhaal. Iedereen die hier woont, moet gelijke kansen krijgen en voor vol worden aangezien. Aan de andere kant vind ik wel: als je de mogelijkheid krijgt te leven in dit land, is het volstrekt redelijk dat er van je verwacht wordt de taal te leren, aan het werk te gaan en de Nederlandse gebruiken en de democratische rechtsstaat te respecteren. Ik weiger te accepteren dat die verwachting controversieel zou zijn. Ik ben een groot voorstander van moderate views, firmly held.’

Wopke Hoekstra

Hoekstra zegt dat hij inderdaad wel eens spreekt met Jack de Vries, Jeroen de Graaf en Hans Hillen, gezien hun ervaring in het centrum van de macht. ‘Maar ik praat ook met mensen als Elco Brinkman en Niek Jan van Kesteren, met wie ik heel intensief heb samengewerkt in de Eerste Kamer, met Jan Kees de Jager en Joop Wijn, die ook bewindsman op Financiën zijn geweest, met partijhistoricus PG Kroeger, met jonge leden van het CDA en met mensen buiten de partij, zoals Paul Rosenmöller van GroenLinks en Roger van Boxtel van D66, die ik nog ken uit de senaat. Voor het perspectief buiten de politiek ga ik af en toe ook sparren met een paar oude vrienden uit mijn tijd bij McKinsey. Ik vraag advies aan een heel brede groep. Als politicus wil ik juist altijd op zoek naar het tegengeluid.’

Bij de Prinsjesdagborrel van het CDA barst het partijkantoor aan het Buitenom in Den Haag bijna uit zijn voegen: in geen jaren hebben zich zoveel gasten aangemeld. Wopke Hoekstra zou ook even langskomen, maar zijn stampvolle agenda op deze hoogtijdag is uitgelopen.

Partijvoorzitter Rutger Ploum, advocaat in Rotterdam, steekt een enthousiast verhaal af over de ‘nieuwe energie’ die hij voelt in de partij en de luxepositie waarin het CDA verkeert met maar liefst twee kroonprinsen: Wopke en Hugo. En kroonprinsessen, natuurlijk, haast hij zich te zeggen, want ook de Volendamse staatssecretaris Mona Keijzer heeft zich onlangs via een interview in de krant gemeld als mogelijke kandidaat. Maar bij de borrel gaan de meeste gesprekken over Wopke, zijn Schoo-lezing en de kansen op het premierschap.

‘Woud aan goede bedoelingen’

Wopke Hoekstra is ideologisch niet zo makkelijk te plaatsen in het CDA, waar de cultuur van de twee hoofdstromingen – de katholieke KVP en de protestantse ARP – nog steeds niet is verdwenen. Zelfs Wopkes sympathisanten bij de borrel op het partijbureau vinden het niet eenvoudig hem in te delen.

Bij Hugo de Jonge, kroonprins nummer twee, is het duidelijker: hij groeide op als hervormde domineeszoon in het Zeeuwse Bruinisse, is gepokt en gemazeld in de partij als fractiemedewerker in Den Haag en wethouder in Rotterdam, en kent de afdelingen als zijn broekzak. De achtergrond van de zelfbenoemde kroonprinses Mona Keijzer laat weinig te raden over: ze is afkomstig uit het volkse, katholieke Volendam.

Maar Wopke Hoekstra groeide op in het deftige Zeist, is van huis uit remonstrants en deed binnen de partij alleen politieke ervaring op in het bestuur van de kleine afdeling Amsterdam, als schrijver van het verkiezingsprogramma in 2017 – een taak die hij moest neerleggen omdat een van zijn kinderen ernstig ziek werd – en in de Eerste Kamer, sinds 2011 één dag per week.

Daar gold hij in sociaal-economisch opzicht als tamelijk rechts-liberaal: al in zijn maidenspeech als senator, over de dubbele heffingskorting, keerde hij zich tegen het ‘woud aan goede bedoelingen’ waardoor de sociale zekerheid in Nederland almaar was uitgedijd. Maar hij bleek er ook uitgesproken progressieve opvattingen op na te houden. Zo stemde hij als enige van zijn fractie voor de afschaffing van gewetensbezwaarde trouwambtenaren en voor een wetsvoorstel over lesbisch ouderschap.

‘Wopke is atypisch voor het CDA,’ zegt senator Niek Jan van Kesteren, oud-directeur van de invloedrijke werkgeversorganisatie VNO-NCW, tijdens de borrel. ‘Hij is afkomstig uit het zakenleven en is niet heel christelijk, in veel opzichten is hij eerder liberaal.’ Sommige columnisten struikelden misschien over de passages in de Schoo-lezing over immigratie en de Nederlandse identiteit, ‘maar vergis je niet: Hoekstra heeft een open blik op de wereld.’

Geen wonder dat hij vanuit de top van de VVD met argusogen wordt gevolgd.

René Paas, commissaris van de Koning in Groningen, betoogt dat de duidelijke protestantste signatuur van sommige eerdere CDA-leiders nogal eens op weerstand stuitte in het katholieke zuiden, terwijl katholieke partijleiders weer minder draagvlak hadden in het protestantse noorden. ‘Wopkes grote kracht is dat hij in dat opzicht tamelijk ongrijpbaar is, net als Ruud Lubbers indertijd.’

Hielke Onnink, voorzitter van het CDJA, de christendemocratische jongerenorganisatie, wijst erop dat de oude bloedgroepen er voor de jongere generatie überhaupt niet meer toe doen. Als Onnink de stemming peilt onder leden van het CDJA, zegt hij, komt Wopke als duidelijke favoriet uit de bus. ‘Voor de jonge kiezers is uitstraling veel belangrijker.’

Overal over meepraten

In het begin van zijn ministerschap kon Hoekstra bij persconferenties en voor de camera’s in de Haagse wandelgangen een afstandelijke, soms zelfs stuurse indruk wekken, waardoor het voor de gemiddelde tv-kijker lastig was een geboren communicator in hem te ontwaren. Maar achter de schermen, bij gesprekken met zijn ambtenaren, op bijeenkomsten van het CDA en op werkbezoeken in binnen- en buitenland waar Vrij Nederland hem de afgelopen maanden in actie zag, bleek hij zich met grote souplesse te bewegen.

Of zijn gesprekspartners nu captains of industry zijn of schoolkinderen, buitenlandse ministers of portiers, Hoekstra vertoont een speels gemak dat sterk doet denken aan Mark Rutte, de soepele premier. Vrijwel elk gesprek – hoe lastig ook – beëindigt Hoekstra met een ontwapenende glimlach: goede persoonlijke verhoudingen moeten altijd worden gekoesterd.

Lees ookWaarom Wopke Hoekstra de enige serieuze premierskandidaat is12 juli 2019

Wopke, zeggen mensen die hem goed kennen, heeft het vanzelfsprekende zelfvertrouwen van de goede opvoeding – daarbij geholpen door zijn heldere verstand, zijn rijzige gestalte en zijn goede looks. Zo bracht hij het in zijn studententijd tot praeses van het Leids studentencorps, werd hij bij McKinsey binnen enkele jaren al gevraagd om partner te worden en schopte hij het als senator binnen de kortste keren tot vicevoorzitter van de CDA-fractie. Zo kwam het ook dat hij binnen het CDA al vóór zijn aantreden als minister van Financiën werd gezien als mogelijke toekomstige partijleider.

Geen wonder dat hij vanuit de top van de VVD met argusogen wordt gevolgd: Wopke Hoekstra zou de eerste serieuze kanshebber kunnen zijn om de tot nu toe ongenaakbare Mark Rutte van de troon te stoten. Daarvoor beschikt Hoekstra over het ideale platform: als minister van Financiën kan hij binnen het kabinet overal over meepraten, en kan hij zich ook nog eens laten gelden op het internationale toneel.

Wopke Hoekstra

Op twee schaakborden

Op een vroege dinsdagmorgen begin oktober komt Wopke Hoekstra met grote passen de VIP-room van Jet Aviation op Schiphol-Oost binnenlopen, waarvandaan hij straks in het nieuwe regeringsvliegtuig zal vertrekken naar Berlijn. Een klein gevolg van ambtenaren staat al paraat. ‘Ha jongens, goedemorgen! Hebben jullie de kranten al gezien?’ Staand bij de leestafel slaat de bewindsman meteen De Telegraaf open, op zoek naar de wekelijkse politieke column van Wouter de Winther, vaste kost voor Haagse politici: De Telegraaf kan reputaties maken en breken.

De minister scant de kop – ‘Onderling chagrijn en wantrouwen duiken op in de coalitie’ – en een passage waarin zijn naam wordt genoemd, over het miljardenfonds waaraan Hoekstra al maanden werkt en waarover VVD-collega Eric Wiebes een dag voor de Troonrede in het AD beweerde dat hij het had bedacht. De minister is snel klaar met lezen: dat wist-ie al. Dan is het tijd om nog een praktisch hobbeltje weg te nemen: Hoekstra is vanmorgen in de haast zijn paspoort vergeten, thuis in Bussum. ‘Stom, stom!’

Even later stijgt het regeringsvliegtuig op. De Boeing 737, waarvan het interieur door Fokker speciaal is gebouwd voor de koninklijke familie en de leden van het kabinet, met verzonken televisieschermen en iPhone-snoertjes bij elke stoel, is in de zomer opgeleverd. ‘Ruikt nog helemaal nieuw,’ grinnikt Hoekstra. Op het programma in Berlijn staat een informeel gesprek met de Duitse en Franse ministers van Financiën Olaf Scholz en Bruno Le Maire, de Portugese voorzitter van de Eurogroep Mário Centeno en de Spaanse en Italiaanse ministers van Financiën, die zich ook hebben laten uitnodigen toen ze lucht kregen van het informele samenzijn.

Belangrijkste gespreksonderwerp: het Europese ‘schokfonds’ waar de Franse president Macron sinds 2017 op aandringt en waartegen vooral Hoekstra zich al twee jaar verzet. Voor de volgende vergadering van de Eurogroep, over tien dagen in Luxemburg, moet er een acceptabel compromis in zicht zijn.

Als het vliegtuig kruissnelheid heeft bereikt en de koffie is geserveerd, bespreekt de bewindsman met zijn ambtenaren de te volgen tactiek bij de gesprekken in Berlijn. De inzet: het schokfonds mag er alleen komen als voldaan wordt aan strenge voorwaarden. Het moet gefinancierd worden binnen het bestaande EU-budget en het moet gepaard gaan met hervormingen en investeringen ‘in verstandige dingen’. Met andere woorden: de minister wil voorkomen dat via het schokfonds ongecontroleerde geldstromen naar de zuidelijke landen gaan, op kosten van welvarende lidstaten als Nederland. In rap tempo worden verschillende scenario’s doorgenomen.

Zo werkt Hoekstra het liefst, zullen zijn ambtenaren later zeggen: concrete doelen stellen, scenario’s uitwerken, pro’s en contra’s afstrepen. Zo heeft hij het geleerd als consultant bij McKinsey. Ook jonge beleidsambtenaren praten mee in het vliegtuig naar Berlijn. Al in zijn eerste week op het ministerie liet Hoekstra weten – tot schrik van zijn hiërarchisch ingestelde topambtenaren – dat hij bij de behandeling van elk dossier ook de ‘dossierdrager’ zelf aan tafel wil hebben, al is het de jongst gediende.

Het gesprek flitst heen en weer in ambtelijk jargon, de becijfering in tienden van procenten. Hoekstra zegt dingen als: ‘Wat kunnen we Le Maire bieden?’, ‘Hoe halen we Scholz aan boord?’, ‘Hebben we dit goed doorgerekend?’ Een kwartiertje voor de landing concludeert hij: ‘Op twee schaakborden zit ik goed. Dankjewel jongens, gezellig even bijgepraat te hebben.’

Koppige houding

Al bij zijn eerste vergaderingen van de Eurogroep in Brussel in de herfst van 2017 zette Hoekstra zich schrap voor wat hij als het ‘Nederlands belang’ beschouwt: voor strenge begrotingsdiscipline, tegen ondoordachte uitbreiding van de Europese bevoegdheden.

Zijn koppige houding wekte eerst grote wrevel in het Brusselse circuit, ook onder Europese ambtenaren en diplomaten: wie halsstarrig nee blijft zeggen, klonk het in de wandelgangen, veroordeelt zichzelf tot de marge. Maar volgens topambtenaren op Financiën heeft Hoekstra weliswaar nog niet de jarenlange politieke ervaring van zijn voorganger Jeroen Dijsselbloem, maar is hij vaardig in het politieke spel en weet hij de Nederlandse agenda stapje voor stapje verder te brengen.

De Nederlandse invloed, zeggen ze, is ook toegenomen door de ‘Hanzeliga’, de gelegenheidscoalitie van Nederland en enkele Scandinavische en Baltische landen, waartoe Hoekstra het initiatief nam als tegenwicht tegen Frankrijk en Duitsland, landen waarmee hij tegelijkertijd om strategische redenen intensiever contact opbouwt. Niet voor niets werd Hoekstra als een van de eersten uitgenodigd voor het informele overleg in Berlijn.

Tien dagen na het bezoek aan de Duitse hoofdstad, iets na middernacht, grijpt Eurogroepvoorzitter Mário Centeno in de vergaderzaal van het European Convention Center in Luxemburg naar zijn mobiele telefoon en typt hij een opgetogen twitterbericht: ‘Habemus deal!’ De Eurogroep is na urenlang beraad tot een akkoord over het schokfonds gekomen. Hoekstra heeft deze keer nauwelijks met zijn vuist op tafel hoeven slaan, de ministers van Zweden en Finland namen het voortouw.

Tijdens het informele gesprek in Berlijn had de sociaaldemocraat Olaf Scholz zich nog op de vlakte gehouden, maar in Luxemburg was hij het die de doorbraak mogelijk maakte. Insiders sluiten niet uit dat een paar goed getimede telefoontjes vanuit Den Haag naar de christendemocratische bondskanselier Angela Merkel en haar vertrouweling Peter Altmaier de zaak in beweging hebben gebracht. De uitkomst beantwoordt vrijwel geheel aan de eisen die Hoekstra vooraf had gesteld.

Goedgeluimd wandelt de bewindsman door de nachtelijke straten met zijn ambtenaren naar het Novotel. Helaas is de hotelbar gesloten: een feestelijk biertje zit er niet in. Maar dat mag de pret niet drukken. De volgende morgen, na een uurtje sporten in de gym, verklaart Hoekstra tegenover de pers dat hij ‘heel erg tevreden’ is: ‘Er is een belangrijke stap gezet.’

Een positieve grondtoon

Intussen wordt Hoekstra al de hele kabinetsperiode achtervolgd door de kritiek dat Nederland zelden zo’n groot begrotingsoverschot heeft gehad, maar dat de zorg, het onderwijs en de politie door bezuinigingen uit eerdere kabinetten nog steeds gebukt gaan onder miljoenentekorten. In het eerste jaar verdedigde Hoekstra zich door te verwijzen naar de miljarden aan extra investeringen van het kabinet en naar het pensioenakkoord en het klimaatakkoord waarover nog onderhandeld werd: kostbare operaties die een wissel zouden trekken op de toekomst.

Maar sinds die akkoorden in juni werden gesloten, zwol de kritiek vanuit de oppositie aan. En al helemaal omdat Hoekstra eerder in het jaar voor honderden miljoenen aandelen kocht in KLM-Air France, waarna in september uitlekte dat de minister van Financiën bezig was met het optuigen van een investeringsfonds van ten minste 50 miljard euro. Waarom kan dat allemaal wel, luidde de kritiek, terwijl de verpleegkundigen, de leraren en de politieagenten in de kou blijven staan?

In de eerste week van oktober verschijnt Wopke Hoekstra in de Tweede Kamer om bij de Algemene Financiële Beschouwingen de Rijksbegroting te verdedigen. De oppositie loopt te hoop: waarom blijft de minister zich als een boekhouder gedragen, terwijl de maatschappelijke noden zo hoog zijn? Maar Hoekstra geeft geen krimp. Hij zegt dingen als: ‘Ik herken hier de inspiratie van de vragenstellers’, ‘Ik zou enige clementie voor de inhoudelijke juistheid van mijn betoog willen vragen’ en: ‘Ik proef bij velen een positieve grondtoon’.

De laatste uitdrukking, die Hoekstra opvallend vaak in verschillende variaties gebruikt, is een parafrase van een bekend citaat van Ruud Lubbers, zoals na te lezen is in De rogge staat er dun bij, het standaardwerk van CDA-historicus PG Kroeger.

Toen Lubbers in 1982 door de CDA-top werd gevraagd het partijleiderschap op zich te nemen, verklaarde de toekomstige premier dat hij de voordracht ‘met een positieve grondhouding’ in beraad had genomen.

‘Als je als minister echt iets wil bereiken, moet je de Kamer ook af en toe iets gunnen, zegt Henk Nijboer van de PvdA.’

Het heeft er ook alle schijn van dat het Hoekstra niet is ontgaan hoe Mark Rutte, de behendige debater, de Kamer al jaren weet in te pakken door zich grondig voor te bereiden, te strooien met complimenten maar intussen geen duimbreed te wijken. Als Henk Nijboer, financieel woordvoerder van de PvdA, aan het begin van de Financiële Beschouwingen hard in de aanval gaat over de gebrekkige investeringen in het onderwijs, weet Hoekstra al in grote lijnen wat Bart Snels, financieel woordvoerder van GroenLinks, later in het debat tot verrassing van velen zal verklaren: dat GroenLinks niet meer wil meedoen aan ‘politieke spelletjes’ en alle begrotingen van het kabinet op voorhand zal steunen. Oftewel: de PvdA staat alleen.

Hoekstra prijst Nijboers ‘kennis en kunde’, maar zet ook uiteen dat het onderwijs er al 1,6 miljard structureel bij krijgt, en dat het kabinet meer doet voor het primair onderwijs dan de PvdA van plan was te doen. ‘Vroeger noemden we dat het eerlijke verhaal.’ Hoekstra doorstaat het debat schijnbaar moeiteloos. Na afloop klinkt het in zijn nabije omgeving: ‘Dit was a walk in the park.’ De verhouding met een deel van de oppositie wordt er alleen niet beter op.
‘Hoekstra wil elk gevecht winnen,’ zegt Henk Nijboer van de PvdA, niet lang na het debat. ‘Maar als je als minister echt iets wil bereiken, moet je de Kamer ook af en toe iets gunnen. Op deze manier houdt hij wel heel weinig goodwill over bij de oppositie. Dat zou zich nog tegen het kabinet kunnen keren, want ze gaan ons nog nodig hebben.’

‘Als het goed gaat met de economie heeft iedereen wel een verlanglijstje. Dan moet je als minister van Financiën vaak nee zeggen.’

Ook binnen de coalitie klinkt kritiek op Hoekstra’s koppige houding. Al sinds het begin van het kabinet wordt hij in de top van de VVD ‘de blokkeerfries’ genoemd, vanwege de hoekige wijze waarop hij zou weigeren collega-ministers tegemoet te komen als ze hem om financiële steun komen vragen. Volgens bronnen in de top van de grootste regeringspartij vertoont hij die neiging nog steeds, ‘alsof hij de praeses is die wel even vertelt hoe het zit’. Toen VVD-fractieleider Klaas Dijkhoff tijdens het coalitieoverleg over de begroting in augustus pleitte voor extra lastenverlichting, zou Hoekstra hebben verklaard: ‘Dat ga ik niet meemaken’ – onwaarschijnlijk harde taal, zelfs voor een minister van Financiën.

Een groter probleem vindt Hoekstra dat er de laatste maanden steeds vaker wordt gelekt uit de coalitie.

Volgens Hoekstra zelf is het een onzinverhaal. ‘Er zijn ongetwijfeld dingen geweest die ik handiger had kunnen zeggen, maar ik zou het niet in mijn hoofd halen in zo’n situatie met mijn portefeuille te gaan zwaaien. Ik ben voorstander van meer lastenverlichting, maar het moet wel gepaard gaan met hervormingen. Dát was mijn punt.’ In dat opzicht, zegt hij, is het lastiger om minister van Financiën te zijn in goede tijden dan in slechte tijden. ‘Als het goed gaat met de economie heeft iedereen wel een verlanglijstje. Dan moet je als minister van Financiën vaak nee zeggen, en krijg je al snel de verhalen: het mocht niet van Wopke. Dat daarover wordt gemord, is niet te vermijden.’

Zero sum game

Een groter probleem vindt Hoekstra dat er de laatste maanden steeds vaker wordt gelekt uit de coalitie. Hij is niet de enige die zich daaraan stoort: in een Kamerdebat over de burgerdoden in Irak verklaarde Rutte dit najaar dat hij onderwerpen waarover gelekt is, afvoert van de agenda van de ministerraad om de collega’s bij de les te houden.

‘De politiek is een fantastisch bedrijf,’ zegt Hoekstra. ‘Ik geloof ook dat verreweg de meeste politici enorm gecommitteerd zijn aan het algemeen belang. Maar tegelijkertijd is de cultuur in de politiek harder dan in het bedrijfsleven. In mijn tijd bij McKinsey sprak ik een keer een bestuursvoorzitter die helemaal ontdaan was door een paar kritische stukjes in de krant. In de politiek is dat aan de orde van de dag. Er wordt veel meer op de man gespeeld. Er wordt veel gelekt, ook doelbewust om mensen te beschadigen. Het is te vaak een zero sum game.’

Een kwestie waarover in elk geval níét is gelekt, is Hoekstra’s aankoop van honderden miljoenen aan aandelen KLM-Air France in februari dit jaar, om namens de staat meer invloed te krijgen op de koers van het bedrijf: een huzarenstukje dat de CDA-politicus veel krediet opleverde bij het grote publiek, en nog veel meer bij KLM zelf. Dat blijkt ook op 7 oktober, als hij mag optreden als spreker op het honderdjarig jubileumfeest van de luchtvaartmaatschappij.

Hoekstra is erin geslaagd de verhoudingen met alle hoofdpersonen goed te houden.

Terwijl vele honderden KLM-medewerkers, Air France-directeuren en bobo’s uit het bedrijfsleven in een enorme hangar naar een film over de historie van de KLM kijken, staat Hoekstra in het halfduister naast het podium een ontspannen praatje te maken met KLM-topman Pieter Elbers en even later ook met Ben Smith, de hoogste baas van KLM-Air France.

Daags tevoren heeft Smith in een interview in De Telegraaf gezegd dat hij nog steeds streeft naar verdere integratie van KLM en Air France – precies de steen des aanstoots toen het KLM-personeel aan het begin van dit jaar actie voerde om Pieter Elbers te steunen in zijn verzet tegen de plannen van de holding. Maar tijdens het gesprek aan de zijkant van het podium valt geen onvertogen woord: Hoekstra is erin geslaagd de verhoudingen met alle hoofdpersonen goed te houden.

Ook met Bruno Le Maire, de Franse minister van Financiën die in februari onaangenaam werd verrast door de mededeling van Hoekstra dat hij voor bijna 750 miljoen aan aandelen KLM-Air France had gekocht. De actie werd maandenlang in het diepste geheim voorbereid door Hoekstra en een klein team van ambtenaren. Niets werd aan het toeval overgelaten. Tijdens het kerstreces nam de bewindsman zelfs Franse les bij ‘de nonnen’ in Vught op het taleninstituut Regina Coeli om bij de persconferentie na de aandelenaankoop in goed Frans voor de dag te komen, in de wetenschap dat de Fransen daar gevoelig voor zijn.

Toen de laatste tranche aandelen op 26 februari was aangekocht, stormden opgewonden ambtenaren de kamer van de minister binnen: het is zover! Hoekstra belde Mark Rutte, minister van Infrastructuur Cora van Nieuwenhuizen en Bruno Le Maire, gaf een persconferentie en reisde af naar Parijs om Le Maire en vervolgens de Franse pers tekst en uitleg te geven – tot verrassing van de aanwezigen in zeer acceptabel Frans. ‘Aanvankelijk was er wel irritatie bij de Fransen,’ klinkt het in de omgeving van de minister. ‘Maar we merkten al snel dat ze ons initiatief wel konden begrijpen, ook in de Franse pers, omdat ze het zelf óók zo hadden kunnen doen. Ze vonden het een Franse streek – en dat was het ook.’

Als Hoekstra bij het eeuwfeest van KLM het podium betreedt om het honderdste Delfts Blauwe miniatuurhuisje te onthullen, heeft hij al in de derde zin een mooie wens in het Frans paraat: ‘Mes chers amis français,’ zegt hij, ‘que cet avenir commun soit sans nuages!’ – dat we een onbewolkte gezamenlijke toekomst tegemoet mogen gaan. In de hangar klinkt groot applaus.

Bewust van de risico’s

Nog geen twee weken later vliegt Hoekstra naar Washington D.C. voor de jaarvergadering van het Internationaal Monetair Fonds – niet met de KLM maar met United Airlines: bij die maatschappij bleek een ticket in de business class aanzienlijk goedkoper. Op het ministerie heeft de zuinigheid het deze keer gewonnen van de nationale gevoeligheden.

In de media werd de onenigheid tussen Hoekstra en VVD-minister Eric Wiebes van Economische Zaken breed uitgemeten.

Op het programma in Washington: verschillende diners met de G20 en topbankiers, een reeks bilaterale gesprekken met ministers van Financiën en de president van de Wereldbank, én – op Hoekstra’s verzoek te elfder ure ingelast – een rondetafelgesprek met Amerikaanse experts over de vraag hoe hij zijn in september aangekondigde investeringsfonds het best kan inrichten. Het was de bedoeling het fonds bekend te maken in de Miljoenennota. Maar al weken eerder lekte het plan uit naar de pers.

In de media werd de onenigheid tussen Hoekstra en VVD-minister Eric Wiebes van Economische Zaken, die in een interview in het AD claimde dat híj de geestelijk vader van het fonds zou zijn, breed uitgemeten. Even trekt er een schaduw over Hoekstra’s gezicht als hij in het vliegtuig naar Washington aan het voorval wordt herinnerd. ‘Who fucking cares wie het idee claimt? Wiebes en ik zijn er samen heel hard mee aan de slag gegaan, we hopen in februari of maart de uitwerking te kunnen presenteren. De échte discussie is nu: hoe geef je het fonds zo vorm dat Nederland er echt iets aan heeft?’

Op de tweede dag van zijn bezoek aan Washington begeeft Hoekstra zich met een klein gevolg van ambtenaren naar het gebouw van de Information Technology and Innovation Foundation, een vooraanstaande denktank. Daar ontspint zich een levendig gesprek met drie innovatie-experts, waarin de minister vooral vragen stelt. Hoe kan het geld van het fonds zo worden geïnvesteerd dat het de samenleving ten goede komt?

Tientallen congresgangers willen selfies met hem maken: ‘Éven op de foto met onze nieuwe minister-president!’

Er gaan tal van adviezen over tafel: investeer in fundamenteel onderzoek, werk aan commerciële toepassingen, trek talent van wereldklasse aan, organiseer competities om het geld te verdelen, maak harde keuzes maar gok niet op één technologie, vraag de vijftig beste Nederlandse wetenschappers wat ze nodig hebben. Als de tijd op is, neemt Hoekstra hartelijk afscheid. ‘Thanks guys, het was heel inspirerend!’

In de auto op de terugweg naar het hoofdkwartier van de Wereldbank zegt Hoekstra: ‘Ook op het ministerie waren er aanvankelijk twijfels over het investeringsfonds, net als bij de aandelenaankoop van KLM-Air France. Ik ben me zeer bewust van de risico’s. Maar ik wil mijn tijd niet vermorsen. Dat idee werd nog sterker in 1996, toen mijn moeder overleed. Toen realiseerde ik me dat het ook zomaar afgelopen kan zijn. Aan het begin van dit kabinet heb ik in mijn kennismakingsgesprek met ambtenaren op Financiën gezegd: ik wil liever de juiste dingen doen en met pek en veren de laan uitgaan dan ervoor zorgen dat ik rustig mijn tijd uitzit zonder iets voor elkaar te krijgen. Daar hecht ik veel meer waarde aan dan aan al het gepraat over het lijsttrekkerschap.’

Maar van zulke relativeringen trekken de CDA-leden zich weinig aan. Op het partijcongres, begin november in de Fabrique in Utrecht, wordt Wopke Hoekstra voortdurend op de schouders geslagen. Tientallen congresgangers willen selfies met hem maken: ‘Éven op de foto met onze nieuwe minister-president!’

Ook Annie Schreijer-Pierik, de Europarlementariër en boerin die zich de afgelopen dagen boos heeft gemaakt over een kritische passage over de landbouw in het ‘visiedocument’ van een partijcommissie is een grote fan sinds Hoekstra haar in de gang begripvol heeft toegesproken. Terwijl de bewindsman zijn weg vervolgt, roept ze opgetogen: ‘Ik ben hélemaal voor Wopke!’

Fotografie: Renée de Groot
Styling: Maaike Staal
Haar en make up: Pascale Hoogstraate @ EE Agency for MUA Cosmetics, Alterna Haircare