A.H.J. Dautzenberg is een schrijver die meer wil zijn dan schrijver. Hij wil ook activist zijn. Om te laten zien dat hij in de geschiedenis van de literatuur niet alleen staat maakte hij een bloemlezing uit het werk van schrijvers met ‘bezieling en betrokkenheid.’
Waarom is het niet de bedoeling dat de politieke en maatschappelijke opvattingen van een schrijver dwars door de huid van zijn roman steken? Omdat die opvattingen in hun eenduidigheid de list van de literatuur ontberen. Ze stoten de lezer eerder af dan dat ze hem ertoe verleiden er ook zo over te denken. Vandaar dat men dan zegt dat het ‘er te dik op ligt’ of dat ‘het van dik hout zaagt men planken’ is.
In de inleiding bij Vuur!, zijn bloemlezing uit geëngageerde literatuur, denkt A.H.J. Dautzenberg daar heel anders over. Uit die eenduidigheid bij schrijvers als Jef Last, J.J. Cremer, Karel Glastra van Loon, Auke Hulst of Herman Maas blijkt juist ‘bezieling en betrokkenheid’. Nederlandse schrijvers en recensenten zouden koudwatervrees hebben. Ze zijn ‘niet opgewassen tegen de boze buitenwereld’ en trekken zich daarom op veilige afstand van de samenleving terug binnen de kaften van hun boeken. Schrijvers die ‘de strijd’ wel aan gaan zijn bedreigend voor ze want zij leggen ‘de vigerende passiviteit van het gilde bloot, zij doorbreken de veilige status quo.’
Misschien is het wel veel makkelijker om zich te engageren met een politieke of sociale kwestie, dan het besluit te nemen om iets goeds te willen schrijven.
Dautzenberg gaat van de kinderachtige veronderstelling uit dat de schrijvers ‘bang zijn om het publiek te mishagen.’ Ze zouden één willen worden met hun lezers. Wanneer ze zich zouden engageren zouden ze wel eens het masker van hun lezers af kunnen rukken, en dat verkleint ‘de commerciële kansen’. Hoe betrokken Dautzenberg ook bij de samenleving zegt te zijn, het is hem toch ontgaan dat schrijvers zich in heel andere omstandigheden bevinden dan vijftig jaar geleden. De vele documentaires, de actualiteitenprogramma’s op de televisie, de dag-en weekbladen met hun sociale reportages en onderzoeksjournalistiek, de uitgeverijen die non-fictie uitgeven op alle sociale terreinen: ze maken het voor schrijvers veel minder voor de hand liggend om zich rechtstreeks met zulke onderwerpen bezig te houden. Het terrein is danig bezet. Het is niet onmogelijk, maar het is lastig om tegenover deze overmacht de verbeelding nog iets bijzonders te laten verrichten.
Vandaar dat schrijvers liever indirecter te werk gaan, meer op de manier waar Maarten Asscher het over heeft in zijn Kellendonklezing 2015 Engagement, taal en verbeelding. Hij geeft het voorbeeld van Emile Zola die zich als burger engageerde door zijn J’accuse! ter verdediging van Dreyfus in een krant te publiceren, en als schrijver ‘het allesverterende monster van de grootsteedse commercie’ een spiegel voorhield in zijn roman Le ventre de Paris. Voor die roman gebruikte hij zijn hoogst persoonlijke wereldbeeld, zijn taal en literaire verbeelding. Voor Asscher gaan schrijvers als Charles Dickens, Wislawa Szymborska, George Orwell, Primo Levi, Max Frisch of Jonathan Franzen op dezelfde geëngageerd literaire manier te werk, zodat hun politieke of maatschappelijke opvattingen niet door de huid van hun romans steken.
Dautzenberg houdt een pleidooi voor het werk van Carrie van Bruggen en dat is mooi, maar het is niet waar dat haar ‘gedurfde geluid’ tijdens haar leven ‘nauwelijks weerklank’ vond. Van Bruggen was tijdens haar leven een gerenommeerd schrijfster en essayiste, bewonderd vanwege romans als Het joodje, Het huisje aan de sloot, Eva en het baanbrekende essay Prometheus. Aan het sterke fragment uit Het joodje dat Dautzenberg heeft gekozen is te zien hoe Carrie van Bruggen in het door Asscher genoemde rijtje schrijvers past dat de list van de literatuur aanwendt om gevoelige thema’s in romans aan te snijden – zonder dat het van dik hout zaagt men planken wordt.

Dat is wel anders in het fragment van J.J. Cremer uit zijn roman Fabriekskinderen (1863), een boek dat ertoe heeft bijgedragen dat de kinderarbeid werd afgeschaft met het ‘Kinderwetje van Van Houten’ in 1874. Van enige literaire list is hier geen sprake, maar effectief is het wel om de lezer kwaad te maken vanwege de rechttoe-rechtaan beschreven beschamende toestanden. Hier zijn compenserende vaten aan het werk: hoe minder literatuur, hoe meer verontwaardiging bij de lezer. ‘Hij is kunstenaar, doch tevens moralist, vooral zendeling; zendeling en evangeliedienaar op eigen hand’, zei Busken Huet over Cremer.
In de inleidingen bij de gekozen fragmenten interpreteert Dautzenberg regelmatig zo dat zijn eigen idee van engagement er voordelig uitkomt. Zo zou E. du Perron zijn vriend Adriaan Roland Holst er ‘behoorlijk van langs’ geven vanwege zijn afzijdigheid van alles in de brief waarmee hij zijn boek De smalle mens aan hem opdraagt. Dat is nu juist niet het geval. Du Perron respecteerde Roland Holsts onwereldse ‘afzijdigheid’ juist nadrukkelijk, als iets dat in alle opzichten te rechtvaardigen is, ook al opteert hij zelf ook voor het goed recht om van zijn ‘walging, verachting en verzet’ te getuigen, als ‘tegengif’: ‘Ik zal de laatste zijn om het karakter te ontkennen van de ook uiterlijk eenzamen, de mystiek aangelegden, de schuwe en trotse overgevoeligen, maar ik vermeen dat het geen korrel minder karakter vereist om nauwgezet de strijd voor eigen waarden te voeren.’

Bij activistisch geëngageerde schrijvers staat volgens Dautzenberg ‘altijd iets op het spel’ wanneer ze zich voor een politieke partij inzetten, solidair zijn met een minderheidsgroep of een sociale misstand aankaarten. Dat is een uitermate smalle en bekrompen opvatting van iets op het spel zetten. Dat zou betekenen dat het schrijven, en in het bijzonder het schrijven van literatuur, op zichzelf al geen waagstuk zou zijn. Misschien is het wel veel makkelijker om zich te engageren met een politieke of sociale kwestie, dan het besluit te nemen om iets goeds te willen schrijven. Er is geen beginnende schrijver die niet regelmatig besprongen wordt door de gedachte dat hij zijn hele bestaan op het spel aan het zetten is voor wat hij zich in zijn hoofd heeft gehaald: het schrijven van een roman die misschien iets voorstelt.
Vuur!, door A.H.J. Dautzenberg is uitgegeven door Atlas Contact.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.