‘Laat je niet misleiden door deze prachtige dag,’ zegt Ton Lemaire. De filosoof heeft koude en sombere wintermaanden achter de rug op zijn afgelegen boerderij in de Dordogne. ‘Zeker als je alleen woont, en dat is bij mij helaas al lang het geval, is dat psychisch zwaar.’ Vandaag is dat moeilijk voor te stellen: alles rond de boerderij van Lemaire lijkt in stelling gebracht om zijn boek Onder dieren te promoten. Daarin beschrijft hij de gecompliceerde relatie tussen mensen en dieren en houdt hij een pleidooi voor een diervriendelijker wereld. ‘Mijn boek is een indirecte gids tot zelfkennis, door onszelf te vergelijken met onze mededieren. We zijn minder uniek dan we denken, en mijn vraag is hoe we de kloof tussen mensen en dieren kunnen overbruggen.’
De haan kraait en de paarden op het aangrenzende terrein galopperen voorbij. Dan is het een tijdje stil, tot een lijster in gezang uitbarst. De eerste bij van het jaar zoemt langs, op zoek naar de bloeiende hazelaar. ‘Ze zijn op weg!’ roept Lemaire, die al veertig jaar imker is. Zijn bijenvolk is helaas van een bijzonder agressieve soort. ‘Ik had gehoopt dat ik immuun zou worden voor hun steken naarmate ik ouder werd. Maar het wordt juist erger.’ Vijf van zijn bijenvolken zijn verdwenen, één is er nog over, genoeg voor een jaarvoorraad honing van zo’n veertig potjes.
Wie bij al die levenskracht nog twijfelt aan de zin van het bestaan, is volgens Lemaire typisch een mens. ‘Wij mensen zijn tragische dieren die niet meer beschikken over een vast instinct. Wij kennen dus niet het geluk van het opgaan in het moment,’ zegt hij, vrij naar Schopenhauer en Nietzsche. ‘Dieren leven permanent in het nu, zoals dat tegenwoordig modieus heet, ze zijn dus verveeld noch gedeprimeerd. Wij mensen blijven altijd reflecteren. Dat zorgt ook voor vooruitgang, we staan open voor de toekomst en streven naar verandering omdat we nooit tevreden zijn met het heden.’
Een samenleving waarin ongelijkheid bestaat en gebrek aan respect voor minderheden zal zich al helemaal niet bekommeren om dieren.
Dat laatste valt vanmiddag dus alleszins mee. Het dal waarin zijn boerderij ligt, vertoont arcadische trekjes, moet zelfs de tot somberheid geneigde filosoof toegeven. ‘De dagen lengen al aanzienlijk, we gaan de goede kant op. Ik word er bijna vrolijk van.’ We drinken biologische wijn uit Bergerac bij de royale vegetarische maaltijd op het terras voor zijn boerderij. ‘Wist je dat een kwart van alle Franse pesticiden in de wijnbouw wordt gebruikt?’ kan Lemaire niet nalaten om de pret te drukken. ‘Ze spuiten een kwart miljoen ton over de wijngaarden, en dat waait ook over naar de biologische druiven.’ De lunch is niet bereid van eigen oogst, want die is deels mislukt door extreme weersomstandigheden en de overlevende boerenkool is opgegeten door herten. ‘Mijn ideaal van een zelfvoorzienend bestaan heb ik moeten opgeven,’ zegt Lemaire. ‘Maar met mijn bijen, kippen en moestuin kom ik een heel eind. Ik bak mijn eigen brood, maar als ik ook graan zou verbouwen en koeien zou houden, bleef er geen tijd over om te schrijven.’

De Moed van de wanhoop
De antropoloog, filosoof en schrijver van achttien boeken woont inmiddels al ruim twintig jaar in Frankrijk. ‘Ook een eventuele Frexit onder Le Pen zal daar niets aan veranderen.’ Als de vlot Frans sprekende Antoine Lemaire is hij niet als buitenlander herkenbaar in deze streek, waar ’s zomers de toeristen in de meerderheid zijn. De autochtonen zien de economische voordelen van die buitenlandse invasie, al voelen ze zich soms wel overvleugeld door de Nederlanders en de Engelsen. ‘Traditioneel is de Dordogne een arm gebied met een nogal xenofobe bevolking, die toch socialistisch stemde,’ zegt Lemaire. ‘Maar ook hier zal het Front National op 23 april wel toeslaan. Marine Le Pen pakt het veel slimmer aan dan haar vader, die voortdurend provoceert, zij heeft de partij salonfähig gemaakt. En links is in heel Europa in verwarring. Ik las net de analyse van de Italiaanse historicus Enzo Traverso over de tragiek van linkse mislukkingen – zijn boek Mélancholie de gauche kan ik je aanraden.’
Zelf mag hij niet stemmen in Frankrijk, en ook in Nederland heeft hij geen stem uitgebracht. ‘Ik zou niet weten waarop. Ik probeer geëngageerd te zijn, met de moed van de wanhoop. Maar GroenLinks bijvoorbeeld is me niet groen genoeg en niet links genoeg.’ Een partij voor de dieren lijkt goed aan te sluiten bij zijn boek, waarin hij betoogt dat wij als mensen veel van dieren kunnen opsteken. Maar ook Marianne Thieme kreeg zijn stem niet, zegt Lemaire. ‘Opkomen voor dierenrechten is mooi, maar het is een te smalle basis voor een politieke partij. Een samenleving waarin ongelijkheid bestaat en gebrek aan respect voor minderheden zal zich al helemaal niet bekommeren om dieren.’
Zijn boerderij, waarvan het oudste gedeelte dateert uit de zeventiende eeuw, ligt zo ver van de bewoonde wereld dat je in de buurt zelfs ’s zomers geen toerist tegenkomt, zegt Lemaire terwijl we na de lunch omlaag de vallei in lopen. Dat is een van de redenen dat hij hier zeven jaar geleden kwam wonen nadat hij zijn vorige, ook al behoorlijk afgelegen Franse huis wegens geluidsoverlast had moeten achterlaten. Het is het verhaal van een leven als ecologisch vluchteling, zoals hij zichzelf noemt.
Handzaag
Eind vorige eeuw vluchtte Lemaire, destijds wetenschappelijk medewerker cultuurfilosofie aan de Nijmeegse universiteit, naar Frankrijk. ‘Ik vervreemdde van het landschap om me heen en van de samenleving die steeds sterker veramerikaniseerde. Het was mijn land niet meer.’ Hij realiseert zich dat die stap een permanente gespletenheid met zich meebrengt. ‘Ik sta nog steeds met één been in Nederland, al was het maar vanwege de taal. Ik blijf in hart en geest een Nederlander. Dat maakte me tot een permanente buitenstaander en dat is eenzaam.’
De broodmagere filosoof loopt met grote stappen voor me uit door het woud, waar hij elke dag een halfuur lang hout staat te zagen. ‘Ik stook mijn Noorse houtkachel met bomen van eigen grond, vooral eiken en haagbeuken. Alles met de handzaag, want een kettingzaag maakt veel lawaai en daar kan ik absoluut niet tegen. Daarna sjouw ik al dat hout heuvelop naar huis. Zoals je merkt is het steil hier, dus dat is best een karweitje.’
Na een paar honderd meter wijst hij naar een onduidelijk spoor door de dorre bladeren. ‘Als je goed kijkt, zie je dat daar een wildpad loopt. Er zitten hier ook veel wilde zwijnen, herten en vossen, maar dit spoor is duidelijk van een das, kijk maar, ze maken kuiltjes waar ze in poepen.’ We klimmen een stukje naar de ingang van de dassenburcht. Een traumatische gebeurtenis in zijn jeugd was de dood van zo’n das. ‘Die zat vast in een ijzeren klem en probeerde zich wanhopig los te rukken. Mijn oom, die jachtopziener was, zette zijn geweer tegen zijn schouder, drukte af en verloste het dier zo uit zijn lijden. Ik hoor dat schot soms nog.’ Toen hij hier kwam wonen, was de dassenburcht verlaten, maar inmiddels wonen er weer één of meer families, zegt Lemaire. ‘Die burchten zijn enorme complexen onder de grond met verschillende ingangen, aparte kraamkamers en voorraadkamers. Ze kunnen eeuwenoud zijn. Soms staan ze jaren leeg en dan komt er weer eens een das voorbij die zich er thuis voelt.’
Neanderthalers
Niet alleen de das verbindt deze streek met zijn jeugd, vertelt Lemaire terwijl we langs het beekje lopen dat is ontsprongen aan de bron in zijn bosgebied. ‘Ik heb het idee dat er vanaf het allereerste begin een zekere consistentie zit in hoe ik leef en wat ik schrijf. ’ Hij is al sinds zijn schooltijd een verwoed amateurarcheoloog en in de omgeving van zijn huis zijn talloze grotten en vindplaatsen van resten uit de begintijd van de mens. ‘Hier vlakbij, in Les Eyzies, zijn de resten van de eerste moderne mens gevonden. Genetisch bestonden we toen voor een klein deel al duizenden jaren, als neanderthalers. Maar van die cro-magnonmens stammen wij echt rechtstreeks af.’ We klimmen over wat omgewaaide bomen heen – ‘die houden mooi de crossmotoren en quads tegen die zelfs dit afgelegen bos teisteren’ – en wandelen langs een abri, een overhangende rots waaronder volgens Lemaire zeker prehistorische mensen hebben gewoond. ‘Je mag hier niet graven, maar als je dat toch zou doen, zou je restanten vinden van de neanderthalers of de cro-magnons die hier sliepen. En nu staan wij tweeën hier, als homo sapiens sapiens.’We moeten een middenweg zien te vinden tussen cynisme en naïviteit. Wij zijn in staat tot de grootste destructie maar ook tot het grootste altruïsme.
Hij is van jongs af aan gefascineerd door de ontstaansgeschiedenis van de mens, en hij is niet de enige. Niet veel verderop werd vorig jaar alweer de vierde versie van de grotten van Lascaux geopend, een toeristische belevenis vol virtuele realiteit die wordt aangeprezen als ‘’s werelds modernste grot’. ‘De menselijk soort verkeert in een identiteitscrisis nu het traditionele mensbeeld onzeker is geworden. Mensen komen hiernaartoe op pelgrimstocht naar de oorsprong van de eigen soort,’ zegt Lemaire. ‘Nu dat ontstaan niet meer bijbels-mythologisch wordt verklaard, zoeken we ernaar in de archeologie en de biologie.’ De neanderthaler, vroeger beschouwd als een uiterst primitief, zij het mensachtig wezen, is inmiddels erkend als onze naaste verwant en opgewaardeerd tot homo sapiens neanderthalensis. Daarnaast worden mensapen en andere dieren steeds meer onze familie, reden voor Lemaire om in zijn boek te pleiten voor een ‘voltooiing’ van het humanisme in het ‘humanimalisme’, dat alle mensen en in principe ook alle dieren omvat. ‘De familieband tussen dieren en mensen, de “human animals”, moet worden aangehaald. Alleen zo kan ons chauvinisme als soort worden begrensd en zullen dieren voortaan humaner worden behandeld. In Onder dieren heb ik dat nieuwe inzicht van een historisch en filosofisch fundament willen voorzien.’
In het antropoceen, dit tijdperk van de mens, zijn we volgens Lemaire meer dan ooit verantwoordelijk voor een leefbare planeet en daaronder valt behalve het tegengaan van de klimaatverandering ook het beëindigen van de massale slachting van jaarlijks miljarden dieren in de bioindustrie. ‘We moeten een middenweg zien te vinden tussen cynisme en naïveteit. Wij als mensen zijn, anders dan andere dieren, in staat tot de grootste destructie maar ook tot het grootste altruïsme. Onze tragiek is dat we die mogelijkheden allebei in ons hebben.’

Afgeranseld
Dat hij filosoof, antropoloog en schrijver is geworden, en ook nog amateurarcheoloog, heeft met zijn jeugd te maken, vertelt Lemaire terwijl we weer een grot passeren en de aandrang onderdrukken om in de diepte af te dalen. ‘Ik vind speleologie geweldig, maar voor een claustrofobisch mens is het ook een beproeving.’ Hij is een oorlogskind, werd in 1941 in Rotterdam geboren. Zijn vader werkte bij de spoorwegen en nam in 1944 deel aan de spoorwegstaking, waarna het gezin de Hongerwinter meemaakte tijdens de onderduik. ‘We hebben op verschillende adressen ondergedoken gezeten en ik herinner me behalve de honger vooral angstaanjagende beelden en geluiden van vliegtuigen en geweervuur. Daar heb ik mijn allergie voor lawaai aan overgehouden.’
Een paar jaar na de bevrijding verhuisde het gezin van Rotterdam naar Limburg omdat vader Lemaire daar promotie kon maken. Hij werd bevorderd tot stationschef 4e klasse op station Baexem Heythuysen, in de buurt van Roermond. De Lemaires betrokken de woning boven het station en de zevenjarige Ton ging een zware tijd tegemoet op zijn nieuwe school. ‘Ik was als enige “Hollander” een buitenstaander, een vreemdeling. Met als gevolg dat ik voortdurend werd gepest en afgeranseld door jongens van de hogere klassen.’ Hij sloeg nooit terug. ‘Ik beet niet van me af, maar trok mij terug in mijn eigen wereld die bestond uit boeken, de natuur en vooral archeologie. In die werelden voel ik me tot op de dag van vandaag het beste thuis. Ze bieden een tegenwicht voor het onbewuste wantrouwen in mijn medemens dat ik altijd heb gehouden.’
Eerder op de dag leidde hij me rond door zijn huis, langs de Afrikaanse kunst en via de royale woonkeuken, ‘veel te groot voor mij alleen’, naar zijn privémuseum met oudheidkundige vondsten. De pijlpunten van de Limburgse zandgronden, op doorploegde akkers verzameld door Lemaire als jongen van veertien, liggen er in vitrines naast door de volwassen man gevonden vuistbijlen uit de Périgord. Zijn huis is verder vooral gevuld met boekenkasten: sociale wetenschappen, filosofie – veel Marx, Hegel, Rousseau en Frankfurter Schule – archeologie en kunstgeschiedenis en ook veel literatuur. ‘Ik heb grote bewondering voor literaire auteurs en ik heb zelf ook geprobeerd een roman te schrijven,’ vertelde hij tijdens de rondleiding. ‘Dat heeft me zeker geholpen bij het verwerken van mijn verleden, maar het schrijven van dialogen en van een plot ging me slecht af. Het is dus maar beter dat de uitgevers mijn roman hebben afgewezen.’
Depressie
We hebben inmiddels het plateau boven het dal bereikt, een vlakte waar in de oorlog droppings werden uitgevoerd met wapens voor een Franse verzetsgroep, die ze verborgen in de grotten in de omgeving. De paar huizen hierboven zijn zomerverblijven die het grootste deel van het jaar leeg staan. De dichtstbijzijnde boer gaat zijn eigen stugge gang, Lemaire spreekt zijn buurman hoogstens tweemaal per jaar. ‘Ik ben geen geboren kluizenaar, hoor, al denken mensen dat vaak omdat ik zo afgelegen woon. Maar de lokale bevolking is nogal gereserveerd, ze zullen mij niet gauw uitnodigen en ik heb hier dus weinig sociale contacten.’
Het isolement maakt het zwaarder om uit een depressie te komen, zegt Lemaire. ‘Als ik het schrijven niet had gehad, was ik in somberheid ten onder gegaan. Het is een beproeving, maar als je erdoorheen komt, geeft dat een erg goed gevoel. Dan geldt de door de nazi’s misbruikte uitdrukking van Nietzsche: Was mich nicht umbringt, macht mich stärker.’
Hoe kon ik mijn studenten nu iets bijbrengen over utopieën terwijl ik op alle fronten vastliep? Ik raakte in een toestand van frustratie en wanhoop
Terwijl we weer naar beneden lopen over een verharde weg – ‘kijk,’ wijst Lemaire, ‘een doodgereden vuursalamander’ – en langs een paar meertjes waar je tegen een vergoeding kunt vissen, vertelt hij over zijn depressie die hem ruim twintig jaar geleden hiernaartoe heeft gebracht. ‘Ik kreeg steeds sterker het gevoel dat zowel Nederland als ikzelf vastliep.’ Hij kocht met zijn toenmalige vrouw een boerderij om hun droom te realiseren van een ecologisch, zelfvoorzienend bestaan. Het werd een mislukking. ‘Al snel bleek dat we midden in een ruilverkavelingsgebied zaten, omringd door met gif spuitende boeren. Bomen in de buurt werden gekapt, de beek voor ons huis werd gekanaliseerd. Tot overmaat van ramp kwam de aanvliegroute van een militair vliegveld recht boven ons boerderijtje te liggen.’
Die bittere teleurstelling viel samen met crises in zijn privéleven en op zijn werk. De destijds onder linkse studenten populaire filosoof gaf de laatste paar jaar colleges over de utopische traditie waarin hij zelf steeds minder geloofde. ‘Hoe kon ik mijn studenten nu iets bijbrengen over utopieën terwijl ik zelf op alle fronten vastliep? Ik raakte in een toestand van frustratie en wanhoop.’
Dat hij na een diepgaand onderzoek door een psycholoog volledig werd afgekeurd, was zijn redding, zegt Lemaire. ‘Ik was met hart en ziel bij mijn wetenschappelijke werk betrokken geweest, maar mijn weerzin tegen het steriele van de universitaire wereld won het van mijn enthousiasme. Ik was vijftig en ik was gestrand.’ Een tijdlang tuinierde hij bij Nederlanders met een huis in Frankrijk. ‘Aanvankelijk reed ik daarvoor op de fiets van Nederland naar Frankrijk. Later kocht ik een oude auto en ik heb toen onderweg wel een paar keer gedacht: als ik nu mijn stuur omgooi en tegen die boom rijd, heb ik nergens meer last van.’
Vrouwtjesdier
Uiteindelijk verhuisde hij samen met zijn nieuwe vriendin permanent naar Frankrijk. ‘Wij hebben zeven jaar samengewoond, toen is zij haars weegs gegaan. Sindsdien woon ik hier alleen, met mijn bijen, mijn kippen en mijn Pyrenese herdershond Sita.’
Terug bij de boerderij loopt Lemaire langs de kelder waar zijn voorraad ingemaakte groenten, jam en honing staat, naar zijn bron om een paar flessen water te halen. Bij die bron, onder een oeroude haagbeuk, komt hij soms ter inspiratie. Daar ontstond ook het idee voor zijn nieuwe boek. Aan de hand van portretten van zes dieren – de wolf, het paard, de olifant, de bijen, de hond en de prieelvogel – laat Lemaire in Onder dieren niet alleen zien hoe wreed wij veel dieren hebben behandeld, maar ook hoe dicht ze eigenlijk bij ons staan. Opvallend is de nadruk die hij legt op de leidende rol van het vrouwtjesdier, niet alleen onder bijen maar ook, bijvoorbeeld, bij wolven en olifanten. ‘Vrouwen staan behoorlijk centraal in dit boek, die grote lijn ontdekte ik pas in de loop van het schrijven. Ik heb altijd opengestaan voor het feminisme, al verwerp ik de verabsolutering ervan. En ik heb een enorme hekel aan dominante, agressieve man-mannen. Het type Trump. Mannen die zichzelf bewijzen over de rug van andere mensen en andere dieren. Daarom heb ik ook zo’n ongelooflijke afkeer van jagers.’
Leven als das
Onder dieren is deels een vervolg op De val van Prometheus, waarin Lemaire de keerzijden liet zien van het vooruitgangsgeloof, de religie van deze tijd. Hij betoogde in dat boek dat alleen een diepe wereldwijde crisis misschien zou kunnen zorgen voor een transformatie van ons vastgelopen systeem. We hebben inmiddels een grote economische crisis achter de rug, maar de verhoopte Verelendung bleef uit, geeft hij toe. ‘Zo ver is het nog niet gekomen, maar de klimaatcrisis zal de wereldwijde ongelijkheid steeds verder versterken. De verrechtsing, het populisme en het protectionisme dat we nu meemaken, is, bij gebrek aan een echt alternatief, een terugslag van de globalisering en van het neoliberalisme.’
In de tussentijd leeft hij zelf alvast in de ‘vrijwillige eenvoud’ waarvoor hij in zijn Prometheusboek pleitte. ‘Er is een zekere wilskracht voor nodig om dat consequent vol te houden. Toegegeven, ik ben een uitzonderlijk geval, die vrijwillige eenvoud is een vorm van luxe die ik me kan veroorloven doordat ik geen kinderen heb en weinig maatschappelijke verplichtingen. Ik wil mezelf ook niet als maatstaf nemen, het gaat erom dat je binnen je mogelijkheden doet wat je kunt doen. Ik put hoop uit kleinschalige initiatieven.’ Om echt iets te veranderen zouden we massaal anders moeten gaan leven, het consumentisme afzweren en kleinschalige, biologische landbouw gaan bedrijven, zegt Lemaire terwijl hij thee inschenkt met honing van zijn eigen agressieve bijen. ‘Maar we hebben onszelf klemgezet door onze afhankelijkheid van de moderne techniek, door onze enorme bevolkingsaantallen en door ons streven naar voortdurende groei. Het is één grote vlucht naar voren. De mens, dat tragische dier, is op deze manier hard op weg naar zelfvernietiging.’
Toch zou hij zelf niet willen ruilen met een andere diersoort, benadrukt Lemaire. ‘Charles Foster, een Engelsman, schreef vorig jaar een boek over zijn pogingen om te leven als vos, als hert en zelfs als das. Dat laatste ging hem nog het beste af.’ Zelf zou hij zover niet willen gaan en als hij per se moest kiezen, zou hij eerder opteren voor een leven als hond of als paard, lacht Ton Lemaire. ‘Maar uiteindelijk moet ik accepteren dat ik een mens ben, een gemankeerd dier, met zijn voor- en nadelen; en daar ben ik niet ontevreden over. Of ik ook met mijzelf tevreden ben, is wat anders. Dat had, denk ik, een stuk beter kunnen uitpakken.’
Lees ook het interview met Denker des Vaderlands René ten Bos, filosofisch tegenhanger van Ton Lemaire.
Meer filosofie? Volg de nieuwsbrief van Vrij Nederland.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.