In een afscheidsinterview met NRC Handelsblad kwam vertrekkend senaatsvoorzitter Ankie Broekers-Knol van de week met een verontrustende bekentenis: in haar zeventien jaar in de Eerste Kamer is het regelmatig voorgekomen dat de senaat met wetsvoorstellen instemde die er nooit door hadden moeten komen. ‘Er zijn er best wat waarvan je weet: dat gaat gewoon niet goed,’ verklaarde de VVD-politica. ‘Maar uiteindelijk komt de politiek om de hoek kijken. Je partij zit in de coalitie, er bestaat een risico dat de tent gaat vallen. Willen we het zover laten komen?’
Met andere woorden: de senaat, die als waakhond van de rechtsstaat de kwaliteit van wetgeving moet controleren, zwicht regelmatig voor politieke druk om de lieve vrede in de coalitie te bewaren.
Wetsvoorstel over strafbeschikking
Het meest pregnante voorbeeld dat Broekers-Knol noemde: het wetsvoorstel over strafbeschikking uit 2005 waarin werd geregeld dat het Openbaar Ministerie eigenstandig straffen mocht uitdelen, buiten de rechter om. Onlangs onthulde NRC waar de omstreden wet toe had geleid.
‘Als ik het in m’n eentje kon zeggen,’ bekende Broekers-Knol, ‘had ik nee gezegd.’
Van de bijna driehonderdduizend strafbeschikkingen die sinds de invoering van de wet zijn opgelegd – met een strafblad voor de vermeende daders tot gevolg – bleken er duizenden onterecht, besluiten tot bestraffing werden niet door officieren van justitie genomen maar door juridische medewerkers, in veel gevallen ontbrak ieder bewijs. ‘Als ik het in m’n eentje kon zeggen,’ bekende Broekers-Knol, ‘had ik nee gezegd.’ Maar ze liet zich, met het merendeel van de senaat, ompraten door toezeggingen van de toenmalige minister van Justitie: de ‘mandatering’ naar lagere OM-medewerkers zou ‘transparant’ worden, en binnen vijf jaar zou onafhankelijk worden onderzocht hoe de strafbeschikking werd toegepast. Van de toezeggingen kwam helemaal niets terecht.
De minister van Justitie die het omstreden wetsvoorstel doorduwde, ondanks zware staatsrechtelijke bezwaren van de Eerste Kamer: CDA-coryfee Piet Hein Donner, de telg uit een oud patriciërsgeslacht die het uiteindelijk schopte tot vicevoorzitter van de Raad van State en zich zijn carrière lang heeft laten voorstaan op zijn rol als staatsrechtelijk geweten.
Tijdens de achtereenvolgende kabinetten-Balkenende verwierf Donner bijna een camp-status door zijn voorkomen als stijve jurist. Steevast kwam hij, gehuld in deftig krijtstreeppak, op een oude herenfiets naar het ministerie of het Binnenhof. Toen hij in 2006 een rapnummer tegen drugs opnam (‘‘Hier spreekt Donner van Justitie / Ik doe het samen met politie’) verwierf hij als bijnaam ‘The Don’. En gevraagd en ongevraagd stak de CDA-politicus juridische verhandelingen af, in 2006 ook in Vrij Nederland, waar hij betoogde dat de sharia in Nederland ingevoerd kon worden als twee derde van de Kamer daartoe zou besluiten: zo zat de Grondwet nu eenmaal in elkaar.
Titanenstrijd
In 2010 beschreven Max van Weezel en ik in VN hoe ‘The Don’ zich tijdens de kabinetten-Balkenende ontwikkelde tot de rivaal van zijn partijgenoot Ernst Hirsch Ballin. Toen hij in september 2006 aftrad als minister van Justitie vanwege de Schipholbrand was het Hirsch Ballin die hem opvolgde, en met zijn formidabele juridische kennis meer respect op het ministerie bleek af te dwingen dan zijn gesneuvelde voorganger.
In het daaropvolgende kabinet kon Donner, inmiddels minister van Sociale Zaken, het niet laten zich in de ministerraad regelmatig met de portefeuille van zijn opvolger op Justitie te bemoeien. En tijdens het verhitte CDA-congres in 2010 over de deelname aan een kabinet met gedoogsteun van de PVV kwamen de twee rivalen recht tegenover elkaar te staan: Hirsch Ballin was tegen (‘Doe dit het land niet aan!’), Donner was voor (‘Ik heb er vertrouwen in dat we ons als CDA niet besmeuren door steun van Wilders te aanvaarden.’)
In de maanden voor het congres was het ook Piet Hein Donner die de ‘dissidente’ Kamerleden Ad Koppejan en Kathleen Ferrier onder druk zette om hun steun te verklaren aan de fractielijn – staatsrechtelijk een twijfelachtige actie van de bewindsman, omdat Kamerleden volgens de Grondwet hun werk ‘zonder last’ moeten kunnen doen.
De wendbare Piet Hein Donner kwam allerminst in de problemen door zijn enthousiaste inzet voor de samenwerking met de PVV.
Het congres liet zich overtuigen, mede door Donners pleidooi. Maar nog geen anderhalf jaar later kreeg niet Donner maar Hirsch Ballin gelijk toen het omstreden gedoogkabinet ten val kwam, waarna het CDA een dramatische verkiezingsnederlaag voor de kiezen kreeg.
De wendbare Piet Hein Donner kwam allerminst in de problemen door zijn enthousiaste inzet voor de samenwerking met de PVV. Sterker nog: hij hield er een mooie positie aan over. In 2011 werd hij voorgedragen als vicevoorzitter van de Raad van State na een stevige lobby van de nieuwe CDA-leider Sybrand Buma, die óók voorstander van het gedoogkabinet was geweest.
Volgens velen was de onkreukbare Hirsch Ballin een veel betere kandidaat voor het vicevoorzitterschap van het Hoge College van Staat, maar die was door zijn principiële verzet tegen de samenwerking met de PVV binnen het CDA op een zijspoor beland.
De onderkoning van Nederland
En zo vertoonde de benoeming van de ‘onderkoning van Nederland’ dezelfde trekken als de twijfelachtige wetgeving die volgens Ankie Broekers-Knol regelmatig door de Eerste Kamer wordt geduwd: het politieke opportunisme won het van de rechtsstatelijke kwaliteit.
Wie dacht dat Donner tenminste één keer zijn rechtsstatelijke rug recht had gehouden door om principiële redenen af te treden na de Schipholbrand werd uit de droom geholpen toen hij in oktober van dit jaar ter gelegenheid van zijn afscheid van de Raad van State een interview aan de Volkskrant gaf. Het aftreden bleek niet ingegeven door bewogenheid met de elf dodelijke slachtoffers of het zuivere principe van ministeriële verantwoordelijkheid, maar was volgens Donner onafwendbaar vanwege de tendentieuze wijze waarop de Onderzoeksraad voor Veiligheid haar rapport over de brand had gepresenteerd. Door meteen een link te leggen tussen de slachtoffers en wie daarvoor verantwoordelijk waren: ‘Onze conclusie was heel eenvoudig: hier valt niet tegen op te praten.’ Tot zover het staatsrechtelijk geweten in het centrum van de macht.
Pijnlijk detail: in dezelfde weken waarin Ankie Broekers-Knol haar onthulling deed over het politieke opportunisme in de Eerste Kamer en de rol die Piet Hein Donner daarin heeft gespeeld, publiceerde Herman Tjeenk Willink, de illustere voorganger van Donner als vicevoorzitter van de Raad van State, het boek Groter denken, kleiner doen, over de verwaarlozing van de democratische rechtsorde. De timing had niet beter kunnen zijn.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.