In 2005 woonde Simone van Saarloos een jaar in Westminster, Maryland. Ze ging terug en zag hoe de falende Amerikaanse Droom wit en zwart in zijn verlammende greep houdt. ‘Er wordt geblowd, gegeten, televisie gekeken alsof ze hun energie en levenslust willen temperen en in balans willen brengen met het dociele leven dat voor hen is weggelegd.’

Ik deed een paar knieoefeningen liggend op het vlakke gras van de buren.

Je deed wat? Brittany wreef de slaap uit haar ogen. Onder haar pyjamashirt bulkten haar in het gareel gebrachte borsten – ze gaat ’s ochtends haar kamer niet uit voordat ze een beha aanheeft, vanwege haar mannelijke huisgenoten.

They’ll shoot you up. Ik was vergeten wat publieke en private ruimte op het platteland in de VS betekent.

Nieuwsgierig volgde ik vorig jaar een schietcursus in St. Louis, Missouri. De instructeur had het, na de dood van Mike Brown en de daarop volgende protesten, drukker dan ooit. Er zaten voornamelijk ouders met tieners, en middelbare vrouwen; publiek dat niet al lang en breed weet hoe een trekker over te halen. De instructeur demonstreerde hoe je je wijsvinger altijd veilig op de loop laat rusten, nooit op de trekker. Duidelijk werd dat het bezitten van wapens voor de cursisten voornamelijk was bedoeld om je eigendom – ‘familie en kasteel’ – te beschermen.

___________

Brittany vroeg zich af of ik in Nederland ook zomaar op het gras van de buren zou gymnastieken. Waar zij woont, aan de oostkust in Maryland, wordt elke zestien uur iemand gedood met een geweer.

Thuis in Amsterdam doe ik mijn oefeningen niet bij de buren in het gras, want zij hebben geen gras. Ik ga naar het park of gebruik de rubbertegels van het speelpleintje bij mij in de straat. Hoewel internationale steden onderling waarschijnlijk meer overeenkomen dan stad en provincie in hetzelfde land, gaat het ook om een cultureel verschil: in de VS bestaat het idee van een ‘dorpsplein’ niet.

Simone van Saarloos (midden achter) woonde bij crècheleidster Larie, elektricien Bob, zoon Kris (18) en hun drie honden. Hun oudste zoon zat in Irak.

Het was een dinsdagavond, Brittany en ik bezochten een bar. Ik had geen zin in drank en bestelde water. Mijn oude schoolvriendin zei dat dit asociaal was: zo verdiende de barman niets aan mij. Hij leeft van zijn fooi – standaard 20 procent van de rekening –, want het minimumloon is 3,63 dollar per uur. Ik zei dat ik het daar niet mee eens was; ik kon best een fooi achterlaten, maar wilde me niet gedwongen voelen om te consumeren. Brittany sneerde dat dit een bar was, ‘een bedrijf’. We belandden in een vreemd verhitte discussie. Pas na een tijdje begreep ik ons conflict: ik vond het belachelijk om het café alleen als bedrijf te beschouwen en probeerde te betogen dat de kroeg ook een ontmoetingsplek moest zijn, een publieke ruimte waar je welkom bent, ook zonder dat recht te moeten kopen. Brittany vond dit belachelijk ideëel.

___________

Het is niet alleen de onzichtbare hand van de vrijemarkt-ideologie die het publieke uit de Amerikaanse ruimte haalt. Angst is een ander bepalend element.

Tien jaar geleden kon ik Winters Mill High School nog gewoon binnenlopen. Nu moest ik aanbellen. Het is één uur ’s middags. Ik zeg dat ik hier in 2005 een jaar naar school ging als exchange student uit Nederland en dat ik alleen even binnen wil kijken.
De secretaresse laat me binnen. ‘Eigenlijk had je een afspraak moeten plannen.’ Ze vraagt verklarend of ik heb gehoord over de school shootings van de afgelopen jaren.
Ik hoorde zoveel, de afgelopen jaren. Obama werd verkozen tot president. De financiële bubbel barstte. Occupy Wall Street klaagde de uitwassen van het kapitalisme aan, Michelle Obama promootte gezonde voeding en voldoende beweging, Global Warming werd bekend genoeg om radicale ongelovigen te oogsten, het homohuwelijk is inmiddels legaal in alle staten en de Black Lives Matter beweging is groeiende.

___________

In de zomer van 2005 zei ik mijn ouders voor een jaar gedag en stapte op het vliegtuig. Uiteindelijke bestemming: Westminster, Maryland. Een stadje met 19.000 inwoners, drie kwartier bij Baltimore vandaan. Vijfenzestig kerken, twee middelbare scholen, een Wall Mart, een McDonald’s. Ik woonde bij een gastgezin: crècheleidster Larie, elektricien Bob, zoon Kris (18) en hun drie honden. Hun oudste zoon zat in Irak. Voor jonge mannen zoals hij werd trots gebeden. Mijn gastvader knipte coupons uit reclameblaadjes om spullen te kopen die hij niet nodig had omdat hij korting als winst beschouwde. Wij tieners spendeerden onze vrije middagen schaamteloos in de shopping mall. In de schoolkantine serveerden ze friet en kaasvingers. Boodschappen werden bijna per stuk in een overvloedig aantal slappe plastic tasjes gestopt en Westminster werd ook wel Whiteminster genoemd, maar verder was racisme niet iets waarover werd gesproken – de zwarte leerlingen hadden een vader in de gevangenis; dat was gewoon wat het was.

Nu, tien jaar later, keerde ik terug met de vraag: wat is er sindsdien veranderd?

___________

Voor mij veranderde het jaar 2005/2006 alles. In Westminster volgde ik literatuurvakken, psychologie en speechlessen. Ik werd aangespoord om te schrijven, ging rugby spelen en leerde dat ik me prima in andermans leven kon onderdompelen zonder ‘mezelf’ te verliezen.

Maar vanuit een literair perspectief ben ik minder geïnteresseerd in de ervaringen van de buitenstaander en meer in de katalyserende macht van de buitenstaander.
Neem In der Strafkolonie, een verhaal van Kafka over een man die wordt gemarteld. De veroordeelde heeft geen proces gehad, maar zo gaat dat nu eenmaal. Totdat er een reiziger langskomt. De reiziger stelt vragen. Hij vindt de situatie niet normaal. De buitenstaander werpt een kritisch licht en laat zien dat de vanzelfsprekende autoriteit van het systeem onterecht is.
Uiteindelijk schudt de reiziger alles door de war en ontstaat er een nieuwe orde.

Zo’n buitenstaander was ik niet.

Simone en Brittany.

‘Er is niet veel veranderd,’ zegt Kristine, de studieadviseur die me hartelijk knuffelt. ‘Het grootste verschil met toen jij hier was, is dat kinderen elkaar nu op internet pesten.’ En ze heeft een nieuwe achternaam. Het viel me al op dat ik veel vrouwelijke oude bekenden niet terug kon vinden op Facebook en ik begrijp nu waarom. Ze trouwen. Of ze scheiden.

Het is lunchpauze. In de kantine zitten leerlingen aan lange tafels. Sommigen dragen een bordeauxrode trui met een valk erop, de mascotte van de school. In haar kantoortje vindt Kristine een kaartje met mijn naam en thuisadres erop, ‘dat gaat nu digitaal, hoor’. Ik herken mijn handschrift; het is nog altijd tiener-achtig.

Nu ik als volwassene tegenover mijn voormalige studieadviseur sta, kan ik vragen of er inmiddels seksuele voorlichting wordt gegeven. Er liepen destijds opvallend veel zwangere leerlingen rond. Voor het zingen de kerk uit werd als meest veilige optie genoten, want dan hoefde je er in elk geval niet over te praten.

‘We mogen ze alleen “geen seks” adviseren,’ bekent Kristine. Dat schrijft het lesplan voor. ‘Als ik ze meer vertel, kan ik in de problemen komen.’ Onschuld heeft zijn context.

Brittany is verbaasd dat ik de school in mocht. ‘Je bent niet zwart, dat scheelt.’

Kaila (wit) weet dat ik er ben omdat de honden blaffen. Voor de deur staan een racemotor, een Harley Davidson, een truck en een gewone auto. Haar vader wrijft met een poetslap over de buik van de Harley. Hij groet mij en noemt zijn naam, we schudden geen handen. Hij wijst naar het turquoise frame en zegt dat hij het liever helemaal zwart heeft. Hij was knap. Hij is niet oud, maar je ziet het bij meer mannen hier: zodra ze de dertig passeren, waren ze knap, alsof viriliteit beperkter houdbaar is dan in Europa en rijpe schoonheid niet bestaat.

Op Kaila’s nachtkastje staan een paar foto’s, verder is haar kamer leeg. Meestal is ze bij haar moeder thuis. Haar stiefvader is een jaar geleden overleden. Hij zat bij de politie in een SWAT-team en werd doodgeschoten. Omdat hij in het harnas stierf, mag Kaila straks gratis naar de universiteit.

Met Kaila gaat het goed. Ze gaat naar Westminster High – ‘ook bekend als Heroin High’ – en haalt redelijke cijfers. Ze luistert voornamelijk naar metal, maar ziet er naar eigen zeggen niet zó uit.

Kaila had me liever buiten de deur ontmoet, op een plek waar de wanden niet van dun hout en plastic zijn, maar ze heeft een paar weken huisarrest omdat ze vrienden op bezoek had die dronken waren geworden. ‘Getting shitfaced is their definition of fun.’

Zelf heeft ze daar niet zoveel mee en ook blowen vindt ze saai. Evenmin deelt ze de opvattingen van haar ouders. Een paar jaar geleden verkondigde ze nog braaf dat homo’s vies en slecht waren, maar laatst sprak ze haar moeder tegen. Hoe het kan dat zij anders denkt? ‘Je observeert. Ik zag homo’s en dacht: die zijn helemaal niet zo gek.’ Een meer precieze verklaring heeft ze er niet voor. ‘Ineens weet je beter.’

Kaila’s moeder verandert ook van mening. Ze vindt homo’s nu niet meer zozeer duivels en vies, maar beschouwt ze als aandachtszoekers. Biseksuelen zijn wat haar betreft gewoon in de war. Op andere punten heeft ze ook een uitgesproken mening. Wanneer president Obama op televisie is, noemt haar moeder hem een fucking nigger. Al hoort Kaila zulke uitspraken minder vaak sinds haar stiefvader overleden is, ‘want ja, hij zat bij de politie’.

‘Mijn ouders zouden liever hebben dat ik met een vrouw thuiskom dan met een zwarte man,’ zegt Kaila. Of ze wel zwarte vrienden heeft?

‘Nauwelijks. Of eigenlijk geen. Ze zitten ook niet in mijn juniorjaar. Ja, één, maar die is niet echt-echt zwart.’

Die frase hoor ik vaker. Er zijn in Westminster blijkbaar zwarte mensen die zich ‘wit’ gedragen.

___________

Wie zich in Westminster wit gedraagt, verkoopt waarschijnlijk drugs. Grote kans dat hij wapens heeft en dagelijks blowt omdat hij dan beter functioneert.

Er zijn ook andere witte mensen in Westminster – kijk naar Kaila; het onberispelijke soort wit dat je blijkbaar kunt zijn wanneer je een zwarte huidskleur hebt –, maar laat ik Brittany’s huisgenoten even als voorbeeld nemen. Meet Billy en Bryan.

Ik zat bij Billy op school, maar herinner me hem niet. ‘Ik was heel dik,’ verklaart hij. Ook die frase hoor ik vaker. Wanneer je een oude bekende niet herkent, heeft dat met afgenomen gewicht te maken. Nooit met toegenomen gewicht.

Billy heeft drie maanden in de gevangenis gezeten. Hij werd gepakt voor drugssmokkel – wiet, cocaïne, xtc, lsd. Hij vond het leuk werk omdat hij lekker met mensen kon hangen. Nu hangt hij alleen nog in de uren dat hij niet in sportbar The Green Turtle werkt.

Bryan daarentegen ging het leger in, vanwege alle benefits. Hij had nog een onhandig streepje achter zijn naam voor de keer dat hij iemand in elkaar sloeg. Post-9/11 is dienen in het leger de aflaat voor jonge, zondige Amerikanen: je morele schulden worden kwijtgescholden. Bryan hekelt Obama omdat hij een einde probeert te maken aan die ruil.

Ongevraagd toont hij zijn biceps, waarop de vlag van Maryland en zijn achternaam getatoeëerd staan. Zijn overgrootouders hebben in de burgeroorlog gevochten – de ene kant voor het zuiden, de andere kant voor het noorden. Syriërs die naar Europa vluchten, noemt hij slappelingen omdat ze niet blijven om hun land te verdedigen. Zijn slaapkamer ziet eruit als een werk van Tracey Emin: rond het bed liggen gouden snippers van Trojan condoomverpakkingen. Onder het bed liggen vier wapens. Twee kocht hij illegaal.

‘In veel gevallen is het een de-kip-of-het-ei-vraag: zijn ze fucked up en gaan ze daarom in dienst, of komen ze er geruïneerd uit?’ Mandy vertelt over haar broertje Dom. Hij was de fameuze pothead die mij in 2005 van een hitte-pil voorzag. Ik zweette een nacht lang hevig zodat er geen marihuana in mijn plas te vinden was – een voorzorgsmaatregel omdat ik had gerookt en bij een Amerikaanse variant van bureau Halt moest verschijnen.

Online volgde ik hoe Dom, inmiddels 25 jaar, het leger inging, trouwde en twee kinderen kreeg. Mijlpalen waarmee je op Facebook kunt pronken. Mandy vertelt dat ze haar broer nauwelijks meer ziet. Sinds zijn tijd in Irak drinkt hij dagelijks. Hij slaat zijn vrouw. Ze ging bij hem weg. Hij stapte dronken op de motor en reed zijn been eraf. Ze zijn weer samen.

___________

Wie zwart is en zich zoals de witte Bryan, Billy en Dom gedraagt, zit waarschijnlijk in de gevangenis. In The New Jim Crow: Mass Incarceration in the Age of Colorblindness toont professor Michelle Alexander hoe Afro-Amerikanen onevenredig vaak worden opgesloten en zo tot tweederangs burgers worden gemaakt. Uit onderzoek blijkt dat zwarte mannen voor dezelfde misdaden als witte mannen twintig tot vijftig keer meer kans hebben om in de gevangenis te belanden. En wie eenmaal strafrechtelijk vervolgd is, verliest zijn stemrecht en het recht op public benefits.

Travis en ik zaten niet op dezelfde school, maar ik zou hem sowieso niet hebben herkend. Hij woog vroeger honderdtien kilo. Daar is vijftig kilo vanaf. Hij heeft een slecht gebit maar een charmante lach. Op de binnenkant van zijn linkerarm staat in gotische letters Flyleaf: schutblad, om hem eraan te herinneren dat het leven een boek is, een verhaal dat je zelf kunt schrijven. De tattoo moet bovendien zijn zelfmoordpoging verhullen. Hij was zestien, toen. Nu, drieëntwintig, wil hij leven. Blowen en gamen helpen hem de dag door te komen. En wandelen, maar dat moet ook wel, want Travis heeft geen auto. Hij woont met zijn gehandicapte moeder in een Section 8 Housing Project. Zij brak haar rug vlak voordat hij geboren werd. Zijn vader was al verdwenen. De gemeente helpt hen, maar het huis is ook een last: hoe meer Travis verdient met zijn twee baantjes bij een restaurant en een drogist, hoe meer hij aan huur moet betalen.

Eens kreeg hij tijdens het serveren een traineeship plus baan aangeboden bij een IT-bedrijf. Hij kon het niet aannemen omdat hij geen auto heeft. En er is geen openbaar vervoer in Westminster. Travis zit vast. Hij wil weg: ‘Hier is niets. Ik wil iets van mijn leven maken.’

Maar wanneer hij gaat, of hoe, dat weet hij niet: ‘Het is alsof ik steeds tot de helft van de brug loop en dan weer terugkeer.’ Wat zou hem verder helpen? Travis twijfelt. Ik denk: geld. Hij zegt: ‘Die ene speciale ander.’

Foto: Tony Digirolamo/CC/Flickr

Dat is ook een probleem. Travis is homo. Hij heeft één vriendje gehad, die ontmoette hij op internet. ‘Het werkte niet, het was een langeafstandrelatie.’

Ik denk: iemand in Californië. Hij zegt: ‘Hij woont in Baltimore.’ Dat is drie kwartier rijden, maar zonder auto kan hij er niet komen.

Ik verzwijg dat ik die middag nog in Baltimore ben geweest omdat ik de trein op en neer naar New York City had genomen om oude studievrienden te bezoeken. Dat is tweeënhalf uur en 70 dollar enkele reis.

___________

In mijn American Literature-les op Winters Mill moesten we een essay over 9/11 schrijven. Waar was je die dag, wat ging er door je heen? We schreven in de les en lazen voor. Het opvallende was dat ik de enige was met een enigszins directe link naar de stad: mijn zus studeerde en woonde op Manhattan en we konden haar pas ’s avonds laat bereiken. Bezorgde kennissen hingen aan de lijn. Dat was heel spannend allemaal. Pas jaren later, toen ik NYC zelf leerde kennen, moest ik er een beetje om lachen. Mijn zus woonde in het noordwesten nabij de 110e straat: flink ver van de torens in het zuiden.

De beleving van afstand is net zo vreemd en persoonlijk als de beleving van tijd. Vanuit Nederland bezien is New York één. Maar je kunt gemakkelijk jaren in de stad wonen zonder in alle buurten te komen. Zo kun je ook op tweeënhalf uur van NYC wonen en er nooit komen. Concrete grenzen, afstanden, statistieken en cijfers doen er vaak nauwelijks toe.

Dertien procent, het alcoholpercentage van een glas wijn, heeft in New York een heel andere waarde dan in Westminster. In de stad worden alcohol en drugs gebruikt om het leven intenser en alerter te beleven (of je dat nu een ‘vol’ leven vindt of niet; dat lijkt de intentie). In Westminster worden alcohol en drugs genomen om het leven te verzachten. Brittany drinkt ’s avonds gin om in slaap te vallen en ze rookt wiet om haar baantje in het restaurant vol te houden. Travis rookt wiet om zijn gedachten te stoppen en zijn verlangens te dempen.

Natuurlijk zijn er in NYC ook mensen die wiet roken om aan hun zorgen te ontsnappen. Dat onderscheid is waarschijnlijk vooral klasse-afhankelijk. Toch (of: dus) heeft omgeving invloed. Ellende creëert ellende. In de jaren negentig werd in NYC met redelijk succes een broken window-methode toegepast. Het idee daarachter is: wie tussen de rommel leeft, neemt niet de moeite om op te ruimen. Het stadsbestuur verwijderde graffiti en knapte huizen in achterstandswijken op en zag de criminaliteitscijfers onmiddellijk dalen.

Het veranderen van de omgeving of het veranderen van omgeving kan een redding zijn.

Tien jaar geleden verwoestte orkaan Katrina de armste wijken van New Orleans. Het was augustus 2005 en mijn gastgezin en ik besteedden een paar avonden aan het vullen van dozen met dekens en schoenen. De kerken in Westminster organiseerden inzamelingen. We leefden mee. Succes en falen zijn je eigen verantwoordelijkheid, maar als het een duidelijke ramp betreft, een kracht van buitenaf, een natuurramp of terrorisme, zijn de Amerikanen één, one nation under God, indivisible, with liberty and justice for all.

Veel gezinnen moesten hun stad verlaten. Ze verhuisden naar Houston, Baton Rouge of Lafayette. In ‘Starting Over. Many Katrina victims left New Orleans for good. What can we learn from them?’, een artikel voor de The New Yorker, schrijft Malcolm Gladwell hoe het met hen gaat. Uit sociaal wetenschappelijk onderzoek blijkt dat verhuizen naar een betere wijk grote invloed heeft op het welbevinden van zogeheten kansarmen. Wie bleef, ontsteeg niets. Wie vertrok, had het moeilijk, maar groeide.

___________

Ik vraag Travis hoe hij die ‘ene speciale ander’ denkt te ontmoeten als er in Westminster nauwelijks (openlijke) homo’s wonen. Hij bekent dat hij die ene speciale al gevonden heeft. Het is zijn beste vriend, maar die weet van niets. Travis wijst naar zijn hoofd. ‘Ik weet dat het niets zal worden tussen ons,’ hij wijst naar zijn hart, ‘maar ik weet ook dat we bij elkaar horen.’

Ik weet ondertussen dat die beste vriend best weet hoe het zit. Toevallig heb ik hem ook gesproken, notitieblokje bij de hand. Hij heeft Mexicaanse roots en vertelde over de discriminatie die hij ervaart. Hij voelt zich eigenlijk alleen geaccepteerd onder zijn vrienden en is daarom bang om Travis te confronteren met wat hij al zeker een jaar vreest: dat ze iets anders van elkaar verlangen. Allebei zijn ze te discreet om elkaars naam te noemen, maar voor een buitenstaander zijn de lijntjes duidelijk.

Wanneer het fictie zou zijn, was dit het moment om het drama een draai of zetje te geven. De buitenstaander schudt de boel op, stelt de juiste vragen en belicht vanzelfsprekendheden. Daarna is niets ooit hetzelfde. Denk aan Kafka’s Strafkolonie.
In werkelijkheid zit de buitenstaander op een vrijdagmiddag op Main Street, Westminster Maryland tegenover een jongen met een hart dat overloopt van devotie. Een jongen die denkt dat de brug vrij is maar dat hij zelf niet moedig genoeg doorloopt. Een jongen die niet aan een trein denkt omdat hij misschien net geld heeft voor een treinticket naar elders als de trein maar dichtbij genoeg vertrok. Een jongen die wil vertrekken maar niet kan gaan en daarom een heiligere reden verzint dan het klotegebrek aan geld en zijn klotegebrek aan kansen.

___________

In de trein naar NYC werden passagiers aangespoord om op te passen: if you see something, say something, luidt de oproep. ‘Onthoud: verdachte personen bestaan niet, er bestaat alleen verdacht gedrag.’ Dit lijkt een prijzenswaardige poging om racial profiling te voorkomen, maar deze nadruk op gedrag is gerelateerd aan de selfmade man en het leugenachtige maakbaarheidsideaal dat Amerika nastreeft. Hoe iemand zich gedraagt, is geheel haar of zijn eigen verantwoordelijkheid en daar mag je iemand dus volledig op beoordelen.

Zelfs dat waar je echt geen controle over hebt, ziekte bijvoorbeeld, wordt tot een eigen verantwoordelijkheid gemaakt. Langs de weg staat een waarschuwingsbord: Paul just got his medical bill, now he knows why his doctors wore masks. Patiënten moeten dokters wantrouwen als autoverkopers. Tegelijkertijd worden ze aangespoord om zelf het juiste merk medicijn of de beste behandelaar te vinden. Zo hoorde ik op de radio een spotje over een nieuw, exclusief MRI-apparaat in een privékliniek. Direct dacht ik aan mijn knieblessure: wat nou als dit apparaat dé oplossing brengt? De behandeling van een ziekte wordt gereduceerd tot een consumentenkeuze. De gedachte dat je genezing misloopt vanwege een tekort aan financiële middelen is, hoewel reëel, gekmakend.

___________

Wanneer ik Travis afzet, zegt hij: ‘Dit heeft me geholpen, want ik praat er verder nooit over.’

Ik weet dat het niet aan mij is om zijn woorden in twijfel te trekken, maar ik denk aan Brittany die niet verder wilde lezen in Between the World and Me van Ta-Nehisi Coates.

Journalist Coates groeide op in Baltimore. Nadat de agent die tiener Mike Brown doodde was vrijgesproken, schreef hij een boeklange brief aan zijn vijftienjarige zoon. Coates wil niet dat zijn zoon in de Amerikaanse Droom gaat geloven die hem voorhoudt dat ook hij alles kan bereiken, als hij maar ‘twee keer zo braaf is en twee keer zo hard werkt’ als de witte kinderen. Hij benadrukt dat de Amerikaanse pursuit of happyness gebaseerd is op kapitalistische waarden die alleen kunnen floreren dankzij ongelijkheid.

Coates wil niet dat zijn zoon hoopt dat de dood van Mike Brown een incident is, een ongeval, pech. Hij wil zijn zoon eraan herinneren dat zwarten in Amerika tweehonderdvijftig jaar in slavernij leefden – langer geketend dan vrij.

Coates zet het lichaam centraal. Ieder mens wordt altijd als eerste beoordeeld – en daardoor bepaald – als lichaam in de wereld. Aan die gegeven positie kun je niet zomaar individueel ontsnappen, al leert het ideaal van zelfredzaamheid iets anders.

Hij vertelt zijn zoon: ‘Jij wordt verantwoordelijk gehouden voor de ergste daden van andere zwarte lichamen. En je bent verantwoordelijk voor het gedrag van de autoriteiten – de politieman die je met zijn knuppel slaat, vindt een excuus in jouw vluchtige bewegingen.’

Brittany wil niet verder lezen in Between the World and Me omdat ze er zoveel van verwacht te leren dat ze zich er alleen maar eenzamer door zal voelen, omdat ze er met niemand in haar Republikeinse omgeving over kan discussiëren. Hoe meer ze weet dat het beter moet, des te gefrustreerder ze wordt, want (politieke) invloed voelt ze niet.

De vergelijking loopt misschien een beetje mank, maar ik dacht er wat in te herkennen. Ik besloot als tiener dat ik geen tatoeages wilde, omdat je daarmee een fase over je hele leven uitsmeert. Persoonlijk wil ik zulke ankers vermijden. Toen ik in Westminster woonde, dacht ik daarentegen: zou ik hier zijn opgegroeid, dan nam ik een tattoo. De kans dat ik een heel ander iemand zou worden, leek me namelijk nihil. Het is een detail, misschien, maar ik voelde het isolement: ommuurd doe je sommige dingen sneller en andere dingen nooit. Nuancering lijkt een romantische bezigheid.

___________

Al rijdend kijk ik om me heen, gretig zoekend naar verandering. De fastfoodketens zijn hetzelfde. Wat opvalt, een detail: automobilisten hebben nauwelijks magneten en stickers op hun wagen. In 2005 kon je van elke bumper lezen wie er in de auto zat – welke school, welke sport, welke politieke voorkeur. Misschien stilt men de behoefte aan identiteitsvertoon tegenwoordig online.

In 2005 zag je vooral veel ‘Support Our Troops’-lintjes.

Travis zegt: ‘9/11 bond mensen samen.’ Of ze zich nu Democraat of Republikein noemen, jongeren in Westminster lijken verbonden in hun verlangen naar gezamenlijkheid. Ze hopen op de herleving van een hardewerkersmentaliteit en geven de voorkeur aan lokaal, pesticide-vrij voedsel: een nostalgie naar zelfredzaamheid die je ook bij hipsters in de grote stad ziet. Deze hang naar verandering staat haaks op de wijze waarop de bewoners van Westminster bewegen. Misschien onthult nostalgie vooral een gebrek aan fysieke verbinding met het heden. Alles wat een prikkel zou kunnen zijn, wordt als demper gebruikt. Er wordt geblowd, gegeten, televisie gekeken alsof ze hun energie en levenslust willen temperen en in balans willen brengen met het dociele leven dat voor hen is weggelegd.

___________

Voor de witte middenklasse die ik in Westminster ontmoette, is de droom even vals als voor de zwarte Amerikanen waar Coates over schrijft. Natuurlijk, een zwarte Billy zat waarschijnlijk alweer in de gevangenis en een zwarte Dom zou zo’n echtgenoot zijn die het ‘voor de rest’ verpest. Maar de pech van de witte Amerikaan is dat de Droom voor hem is ontworpen. Wie wit is en niet aan de droom voldoet, ziet alleen zichzelf falen, omdat hij zich geen alternatieve standaard kan indenken.

Het geluk van de zwarte Amerikaan is dat de droom in wezen maar voor één kleur (wit) is bedoeld. De zwarte Amerikaan die de Droom niet vervult, kan – mits hij zichzelf als buitenstaander durft te herkennen – de zelfkritiek ontstijgen en een kantelende maatschappijkritiek formuleren. Er moet een nieuwe brug gebouwd: één naar een werkelijke overkant.

___________

De secretaresse die me Winters Mill High School binnenliet, keek verheugd toen ik mijn uitwisselingsjaar noemde. ‘Toen was het echt goed hier. Het is nog steeds goed hoor, maar… Nou ja, het gebouw was nieuw en iedereen had er zin in. Er was school spirit.’

Het kan zijn dat Winters Mill moet sluiten vanwege iets bureaucratisch en districtverdeling. Ze wimpelt het af, ‘gevoelig onderwerp’.

’s Middags bezoek ik Carroll Community College, nieuwsgierig naar de sfeer daar. Wanneer ik naar binnen ga, zit dezelfde secretaresse daar. Haar tweede baan. We lachen.

Het nieuwe is overal vanaf.