Steeds meer asielzoekers nemen hun toevlucht tot het christendom. Een van hen is de Afghaanse 
Dawood. Zijn bekering roept vragen op bij de IND. Is Dawood 
echt in de Heer, of zet hij alles op alles om in Nederland te blijven? Een reportage.

Het is een koude zondagochtend, 
begin februari. Buiten dwarrelt voorjaarssneeuw neer op de straat stenen van Dronten. Binnen zet een oudere man genaamd Bert Kwakkel zijn lippen aan de microfoon. ‘Wat hebben wij een bijzondere God.’ Vanuit de zaal klinkt het ‘Amen’ en ‘Halleluja.’

‘Ik vind het heel bijzonder hoe alles gaat vandaag. We lopen dan wel een beetje uit, maar dat is denk ik niet erg. Want de Heer spreekt, en de Heer is aan het bewegen. Hij raakt mensen aan.’

Bert Kwakkel is ‘oudste’ van de evangeliegemeente Shekinah en spreekt vandaag de leden toe in het nieuwbouwcentrum in het hart van Dronten, aan de Roef 1. Kwakkel wil het hebben over het belang van vernedering: je moet jezelf vernederen, kwetsbaar en nederig opstellen, zelfs naar je vijand. Hij citeert uit Mattheüs, vers 5: ‘Als iemand een proces tegen je wil voeren en je onderkleed wil afnemen, sta hem dan ook je bovenkleed af.’

Kwakkel kijkt om zich heen naar de gezichten in de kerk. Mannen en vrouwen, sommigen uitbundig gekleed, anderen in eenvoudig textiel gestoken. Ze kijken hem allemaal aan. Alsof ze wachten op iets. En dan doet Kwakkel wat nodig is hier om indruk te maken: Kwakkel maakt het persoonlijk. ‘Er is mij in mijn leven veel onrecht aangedaan, van kleins af aan.’ Zijn stem klinkt nu dun en hees. ‘Mishandeling… Misbruik… Ik ben een agressief ventje geworden, en daarna een agressieve man. Niemand kwam dicht in de buurt. Ik wilde niet gekwetst worden. Maar ik heb nooit gezien hoeveel mensen ik daarmee gekwetst heb.’ Geen ander geluid dan de koelkast in de pantry is te horen als de oudste vertelt over de helende werking van zijn adoptiefdochter. ‘God heeft een meisje gebruikt, een baby’tje. Hij heeft haar gebruikt om een agressieve kerel op zijn knieën te krijgen.’ Kwakkel durft nu om vergeving te vragen. Laatst nog, aan een echtpaar in de gemeente. En dat wil hij ook van anderen. ‘Verneder je, en God zal je belonen.’

De band zet in, en in een voor buitenstaanders onnavolgbare choreografie wippen de kerk leden precies tegelijkertijd uit hun stoel. Ze gaan staan, ze zetten in op een hoge noot. Vrouwen wiegen met hun heupen, mannen slaan hun handen ten hemel, naar het golfplatendak boven hun hoofd. Een tekst uit het Opwekkings-liederenboek verschijnt op een projectiescherm. Iedereen zingt mee met nummer 589: ‘Ik wil juichen voor U mijn Heer / Met blijdschap in mijn hart.’

Kind van God

Niemand lijkt aanstoot te nemen aan mijn aanwezigheid. Geen argwanende blikken over schouders, geen fluisterstemmen in de rij waar ik ben gaan zitten. Ik, de afvallige. Ooit aanvaardde ik Jezus ook als mijn verlosser. Ik was dan wel zeven jaar, maar ik zong uit volle borst mee. Ik zie nog het liedboek op de lessenaar van de piano: een witte kaft met gele en zwarte vlammen die van linksonder naar boven uitslaan, alsof ze de letters van het woord OPWEKKING willen aansteken. Volgens mijn opa en oma was ik een kind van God, en ik wilde dat geloven. Maar dat was toen. Vandaag zit ik hier met gerede twijfel.

Iemand kijkt naar mij om, onze blikken kruisen elkaar. Een Aziatische verschijning in de stoelenrij voor mij. Hij is tenger en klein, heeft sluik, zwart haar en fonkelende, amandelvormige ogen. Zijn naam is Dawood, en hij glimlacht naar mij; verlegen, ietwat mysterieus.

Ik ben vandaag niet voor Hem gekomen, maar voor hem, deze jongen in de rij voor mij. Ik hoorde over Dawood via mijn nicht, kerkganger Hanneke, en raakte geïntrigeerd. Wat doet een Afghaanse jongen in de kerk van mijn familieleden?

Dawood is 26 jaar en komt uit Afghanistan. En hij is niet het eerste exotische gezicht dat mij vandaag begroet. De Shekinahgemeente heeft leden uit Liberië, Kenia, Pakistan, India, Iran. Voor mij zit een hele rij mensen die koptelefoons dragen. Ze luisteren in hun moedertaal, Urdu of Farsi, naar de preek. Dawood heeft geen koptelefoon nodig; hij kan Nederlands verstaan. Maar tijdens het zingen hebben zijn lippen moeite om de jubelende teksten bij te houden. Kan hij net als ik geen onderscheid maken tussen de nummers van de Opwekkingsliederen? Of zingt hij om een andere reden niet mee?

Het Jezus-kamp

Hanneke zit naast mij en staat regelmatig op. Haar zuivere sopraan klinkt boven alle andere stemmen uit. Hanneke hoort bij de evangelische tak van mijn familie. Die tak was er niet altijd, hij is begin jaren zeventig gegroeid. Vóór die tijd waren mijn opa en oma vrijzinnige mensen met moderne opvattingen. Mijn oma was wel op zoek, altijd op zoek; ze bezocht wel eens een seance, dan toog ze weer naar een waarzegster. Mijn oma zocht iets om zich aan vast te houden en snuffelde rond in het occulte circuit, aangestuurd door een goede vriendin. Haar ouders hadden haar opgevoed in de beste atheïstisch-socialistische traditie, maar mijn oma wilde meer: een reden om te bestaan. Mijn opa was van huis uit wel bekend met christelijke opvattingen, maar in de praktijk deed hij er niets mee. Jezus was een vreemde in het huis van mijn grootouders.

Dat veranderde allemaal toen mijn opa en oma via een bevlogen dominee in contact kwamen met het evangelie van Jezus Christus. Tot ieders verbazing – vooral die van mijn vader – bekeerden zij zich. Ook hun middelste dochter vond een evangelische God. De plotselinge bekering was voor de overgebleven broer en zussen moeilijk te begrijpen. Mijn oma, opa en tante praatten over dromen en visioenen, over een gevoel dat opeens over hen kwam. Ze waren plotseling fel en vol overtuiging dat hun nieuwe God alles beter wist. Voor hen was Jezus nu de weg, de waarheid en het leven. De andere familieleden bleven in ongeloof achter.

Door deze bekeringen werd de familie van mijn vader verdeeld in twee kampen. Het ene is het Jezus-kamp, dat is aangesloten bij een Pinkster- of Evangelische gemeente. Zij gaan naar Opwekkingsfestivals, ze kijken naar de EO, bezoeken optredens van het reli-duo Elly en Rikkert en laten zich helen door een gebedsgenezer in Leiderdorp. Het andere kamp is minder homogeen; een ongeregelde groep twijfelaars, ‘ietsisten’ en atheïsten die in de kunst of wetenschap een houvast hebben gevonden. Hoe moeilijk het was voor sommigen om ook maar iets te begrijpen van de geheimzinnige bekeringen, het evangelie van een kwart van mijn familie was een feit, een gegeven dat vorm gaf aan elke Kerstmis en elk Pasen. Als mijn oma uit de Bijbel las, speelden de ongelovigen stilletjes met hun servet. Sloot de evangelische tak van mijn familie de ogen voor het gebed, dan zocht mijn vader, de grootste ongelovige, mijn blik: hij knipoogde naar mij. De evangelische zangers Elly en Rikkert werden door de ongelovige tak tot ‘Relie en Snikkert’ omgedoopt. En sommige gelovigen zeiden soms hardop hoe jammer het toch was dat ‘niet iedereen naar de hemel ging’. Maar de meeste verschillen werden bedekt met de mantel der liefde.

Exorcist

Bij welk kamp behoorde ik? Als kind werd ik soms verscheurd door die vraag. Als ik bij mijn oma en opa was, namen ze mij mee naar de kerk. Terwijl mijn ouders hun roes van kunstenaarsfeestjes uitsliepen, zong ik mee, klapte ik mee, en was ik banger voor de duivel dan wie dan ook. De duivel ging vaak over de tong, vooral tijdens een Pinksterdienst. Ik haatte die duivel, alhoewel ik er wel mijn voorliefde voor horrorfilms aan heb overgehouden. Toen ik voor het eerst The Exorcist zag, voelde het op een vreemde manier vertrouwd. Die strijd tussen goed en kwaad, die kende ik, uit de kerk. 
Ik was soms ook bang voor God, met al zijn regels en geboden. Ik wist ergens toen al dat ik niet kon voldoen aan de regels.

Tegelijkertijd leerde ik van mijn opa en oma ook over een vredelievende God. Een God die je hielp als je je fietssleuteltje kwijt was, als je in de problemen zat op school of thuis. Mijn opa deed veel vrijwilligerswerk in de kerk; hij hielp drugsverslaafden en andere verstotenen van deze samenleving. Zijn God had hem opgedragen om je naasten lief te hebben, hoe ­beroerd hun situatie ook is. Of beter gezegd: juist dan.

De kerk van zijn kleindochter Hanneke heeft dezelfde opdracht: ook in de evangelische Shekinahgemeente is een groep verstotelingen meer dan welkom. Het zijn geen junkies of zwervers, maar bewoners van het Asielzoekerscentrum Dronten. In een van de bungalows op het terrein van het AZC, bungalow 7, houden leden van Shekinah al jaren week een Bijbelstudieavond. Ze vertellen over de grootsheid van God, én wat God allemaal kan betekenen voor de in Dronten gestrande asielzoekers.

Bungalow 7

Het is op een van die avonden dat Dawood, de jongen vóór mij in de kerk, in aanraking komt met het evangelie. Zijn naam is dan nog Alem, hij is op dat moment al ruim drie jaar in Nederland, en zijn situatie is kort gezegd uitzichtloos; De IND meent dat Alem veilig kan terugkeren naar Afghanistan, ook al zegt hij dat hij op de vlucht is voor een wraakzuchtige oom. Alem is zo uitgeprocedeerd dat zelfs zijn verblijf op het AZC Dronten illegaal is. Hij slaapt in een kamer van een vriend en struint overdag door de saaie, aangelegde bossen van Dronten omdat hij op het AZC niet gezien wil worden door medewerkers. Alem heeft geen geld, geen opleiding en steeds minder zin in zijn leven, dat zonder programma is, zonder doel.

In bungalow 7 leert Alem Wim en Ali Schipper kennen, een ouder, ietwat hippie-achtig evangelisch echtpaar. Zij geven hem aandacht en ze bidden voor hem. Als Alem met uitzetting wordt bedreigd, twijfelen Wim en Ali geen moment. Hij mag hij bij hen in huis komen wonen.

In een doorzonwoning met aangebouwde serre in zomaar een straat in Dronten bouwt Alem het leven op dat veel wegheeft van dat van een brave puberzoon. Hij helpt Wim en Ali in de tuin, hij speelt wat gitaar, hij doet zijn huiswerk. Alem leert lezen en schrijven. Ze bestuderen de Bijbel. Hij laat zich dopen. En hij verandert zijn naam in Dawood.

Junk was bekeerd

Van nu af aan is Dawood elke zondag te vinden onder het golfplatendak van het kerkgebouw. En Dawood wordt opgenomen door de ‘Vrienden Voor God’: een hechte vriendengroep van voornamelijk studenten, twintigers die elke donderdag samen de Bijbel lezen. Mijn nicht Hanneke en haar man Tino zijn ook lid van deze Vrienden Voor God, afgekort VVG – en zo komt Dawood ook in het leven van mijn nicht. Van alle Vrienden Voor God is Dawood misschien wel de trouwste vriend. Als ik de avond voor de dienst bij Hanneke thuis taart eet – ze is jarig en de hele VVG is te gast – zit Dawood ook in de huiskamer. Hij is stil en nipt aan zijn glaasje frisdrank. De jonge mensen drinken glühwein, praten over stages, nieuwe banen, over vakanties. Niet iedereen heeft animo voor de dienst van morgen. ‘Ik weet het nog niet zeker, want ik moet nog een sollicitatiebrief sturen,’ zegt een jongen die landerig op de bank hangt. Voor Dawood is er geen twijfel: hij moet en zal naar de dienst gaan.

Deze trouwe gang naar de kerk krijgt een andere lading als je weet wat er voor hem op het spel staat: een verblijfsvergunning. Sinds Dawood zich heeft aangesloten bij de Shekinahgemeente, heeft hij opnieuw asiel aangevraagd. Dawood zegt dat hij zijn leven niet zeker is als christen in zijn moederland. Bekeerde christenen worden gemarteld, zelfs vermoord in delen van Afghanistan. Als ik hem vraag waar hij bang voor is, zegt hij zachtjes: ‘Ik krijg de straf dood.’ Dawood heeft zijn broer en zijn moeder verteld over zijn nieuwe geloof, sindsdien hebben zij alle banden met hem verbroken. ‘Iedereen denkt ik ben gek geworden hier in het Westen.’

De Shekinahgemeente staat pal achter Dawood, zij geloven in hem. Ook mijn nicht Hanneke: ‘Ik heb bij hem nooit het gevoel gehad: is hij wel christen? Het was zo duidelijk, hij is zo oprecht, hoe hij leeft en openstaat voor de mensen om hem heen.’ Haar ogen stralen als ze over hem vertelt, net zoals de ogen van mijn opa en oma oplichtten als ze mij vertelden dat een kennis of een junk was bekeerd. Het was nooit hun zoon, de kunstenaar, de muzikant. Ze probeerden het steeds, bij elk bezoek. Maar dan zei mijn vader streng: ‘Nu wil ik even niets meer over Jezus horen en mijn koffie opdrinken.’ Mijn oma en opa bleven altijd hopen. Een bekering is een geweldig wonder dat elk moment kan geschieden.

Een escape

In de kerk van Hanneke voltrekt dit ‘wonder’ zich regelmatig: moslims uit verre landen die opeens geraakt zijn door de Heilige Geest. Dawood is in de ogen van Hanneke zo’n wonder. Maar er is een belangrijke organisatie die minder enthousiast is: de Immigratie- en Naturalisatiedienst. De IND twijfelt aan het verhaal van Dawood. Is hij werkelijk in de Heer, of probeert hij zijn verblijf in Nederland te bestendigen met een bekering?

Die achterdocht is niet vreemd: steeds vaker doen asielzoekers uit moslimlanden beroep op de Nederlandse staat, omdat zij zich hebben bekeerd. De IND registreert niet op basis van geloof, dus harde cijfers over deze asielaanvragen ontbreken. Maar kerkelijke organisaties bevestigen de trend. Zoals Stichting Gave, die vanuit een christelijk raamwerk hulp biedt aan vluchtelingen. Als ik directeur Jan Pieter Mostert vraag naar andere Dawoods, vertelt hij mij: ‘We zien een toename van vooral Iraanse christenen in Nederland, maar ook moslims uit Afghanistan, Pakistan, Irak en Syrië bekeren zich steeds vaker. Dat doen ze overigens zowel in Nederland als in hun eigen land. Iran kent op dit moment één miljoen christenen.’ Stichting Gave zag zich genoodzaakt om een folder te drukken over dit onderwerp, want kerken worden overspoeld door doopaanvragen. Mostert: ‘Sommige gemeenten zijn te naïef: die roepen: “Halleluja, een moslim wil zich bekeren.” Je moet wél een kritische houding hebben, want er zitten ook mensen bij die alles doen om een verblijfsvergunning te krijgen. Voor hen is de kerk een escape.’

Gewoon verlegen

Met die bril op kijk ik tijdens de dienst naar Dawood. Hij gooit zijn handen niet in de lucht tijdens het gezamenlijk zingen, zoals andere kerkgangers wel doen. Maar is dat nou een teken dat hij de boel bedriegt, of is hij gewoon verlegen? Ik denk aan mijn eigen familie. Sommige leden raken bijna in een trance tijdens een dienst – er gaan zelfs verhalen dat mijn opa ‘in tongen’ heeft gesproken. Andere familieleden zijn wat bescheidener in hun uitingen. Zoals Tino, de man van Hanneke, die vandaag naast mij zit. Hij lijkt de teksten van Opwekking te playbacken, ik zie zijn lippen bewegen, maar ik kan zijn stem nauwelijks horen.

De IND heeft zo haar eigen methodes om een schijngelovige te ontmaskeren. ‘We hebben geen checklist,’ zegt woordvoerder Yvonne Wiggers. Maar de IND gebruikt wel speciale ‘gehoormethoden’. En bij doorvragen blijkt er een ‘algemene vragenlijst’ te zijn. De woordvoerder verzekert mij dat ze heus niet puntje voor puntje afstrepen. ‘Het belangrijkste is dat een asielzoeker aannemelijk kan maken dat hij oprecht bekeerd is, hij moet overtuigen door zijn gevoelens, gedrag, maar ook zijn feitenkennis over de Bijbel.’ Een asielzoeker die niet kan vertellen wat er met Pasen wordt gevierd, krijgt een kruisje achter zijn naam.

Ook Dawood wordt aan zo’n ‘gehoor’ onderworpen, eind december 2014. Hij heeft dan opnieuw asiel aangevraagd, op grond van zijn bekering. ‘Wat wordt naar uw mening bedoeld met “het kruis oppakken”?’ vraagt de IND- ambtenaar. Dawood komt met een keurig antwoord. Maar dan wil de IND weten hoe Dawood zich in de dagelijkse praktijk als christen gedraagt. Wat betekent naastenliefde in zijn leven? Dat is wanneer het verhaal van de Afghaanse asielzoeker begint te wankelen: ‘Laatst was ik in Kampen en stond buiten bij de Albert Heijn te wachten. Ik dacht: ik ga naar binnen en haal een kopje koffie. Bij de koffieautomaat stond een oudere dame. Zij had koffie gepakt, maar het lukte haar niet om een zakje creamer te openen. Ik heb haar daar toen bij geholpen. Ik denk achteraf dat het Gods wil is geweest dat ik bij die supermarkt naar binnen ben gegaan en haar daarbij heb geholpen.’

Dawood vertelt ook dat hij buren heeft geholpen om fietsen in een achterbak te laden. Hij legt ook uit dat hij die pen, die voor hem op tafel ligt, nooit zou stelen. ‘Dat doe ik niet, want dat mag niet volgens mijn geloof.’

Als ik het gehoor teruglees, duizelt het mij. Als Dawood werkelijk is geraakt door de heilige geest, hoe kan hij dan met zulke knullige voorbeelden komen? Maar ook de weinig doorwrochte vragen van de IND geven te denken. Weten IND-medewerkers eigenlijk wel waar zij mee bezig zijn? En is het überhaupt mogelijk om te meten of iemand echt gelooft?

Cerebrale vragen van de IND

De IND is niet de enige organisatie in Nederland die zich buigt over bekeerlingen die asiel aanvragen. Ook de PKN, de Protestantse kerk Nederland, buigt zich over asielzoekers die zich hebben bekeerd. Volgens de secretaris van de PKN, Arjan Plaisier, leken de vragen van de IND lange tijd op een soort Bijbelquiz: wat zijn de namen van alle apostelen, hoe heetten de laatste zeven pausen? Plaisier: ‘Of je moest exact kunnen uitleggen waarom je protestants bent en niet katholiek. Als ik sommige vragen van de IND zou moeten voorleggen aan mijn eigen parochianen, dan ben ik ook de helft van mijn leden kwijt.’ Op verzoek van asieladvocaten, die soms wanhopig werden door de cerebrale vragen van de IND, toetst de PKN nu zelf bekeerlingen. Ze hopen dat rechters hun bevindingen serieus nemen. Plaisier: ‘Wie ben ik om te oordelen of iemand een oprecht christen is? Dat kan ik natuurlijk niet. Maar wij kunnen wel vaststellen of de bekering overtuigend is en of iemand zijn geloof echt zal belijden bij terugkeer.’

De Commissie Plaisier toetst asielzoekers ook op kennis. Plaisier: ‘Ik vraag dingen als: wat vieren we nou met Pasen? En met Kerst? Wat wordt er geschreven in het Nieuwe Testament?’ Maar de commissie kijkt ook naar andere tekenen van een oprecht geloof. Plaisier: ‘Ik kijk bijvoorbeeld naar de bijbel die de asielzoeker meebrengt. Zitten er ezelsoortjes in? Hoeveel? Ik check of iemand heeft gestreept en gekrabbeld in zijn bijbel; dan is iemand toch echt bezig met zijn geloof.’ Maar dé echte overtuiging, het moment dat de Commissie Plaisier omgaat, is wanneer iemand met emotie, met passie kan vertellen over zijn nieuwe geloof. ‘Het hoeft niet altijd heel emotioneel te zijn, zolang er maar écht iets van binnenuit gebeurt, als een asielzoeker spreekt over troost en over liefde.’

Degelijke bijbelkennis

En dan is er Joke van Saane, verbonden aan de Vrije Universiteit. Ook zij toetst de asielaanvragen van bekeerlingen, op verzoek van advocaten. Van Saane gelooft vooral in de wetenschap. Ze gebruikt modellen als die van godsdienstpsycholoog Lewis Rambo, die een bekeringsproces onderverdeelt in verschillende fases: het begint altijd met een persoonlijke crisis, en eindigt met aanpassing aan de nieuwe religieuze groep. Van Saane gebruikt inzichten uit de psychologie, om persoonlijke verhalen te checken op inconsistenties. ‘Een oprechte bekering moet je terug kunnen zien op drie manieren: gedrag, gevoel en denken. Een bekeerde die alleen maar intellectueel praat over zijn nieuwe religie maar geen gevoel laat zien, overtuigt mij niet. Hetzelfde geldt voor iemand die alleen maar emoties toont, maar het Oude en het Nieuwe Testament niet van elkaar kan onderscheiden.’ Ook de christelijke stroming waartoe de asielzoeker nu behoort, is van belang. ‘Als je bij de Pinksterkerk terecht komt, is het logisch dat je veel weet over De Heilige Geest en de rol van Jezus. Sluit een asielzoeker zich aan bij een reformatorische kerk, dan mag je degelijke Bijbelkennis van hem of haar verwachten.’

Sommige gehoren van de IND verdienen volgens Van Saane dan ook geen schoonheidsprijs: ‘Er is al heel veel verbeterd, maar wat je bij de IND ziet, is dat er vaak niet veel kennis is over de verschillende religieuze stromingen, terwijl dat juist zo belangrijk is.’

Dat is wat ik terugzie in het dossier van Dawood. Als de IND-medewerkers wel eens naar een evangelische of Pinksterdienst zouden zijn geweest, dan waren hun vragen wellicht anders. Wat is je lievelings-opwekkingslied? Noem het nummer! Vertel eens over je persoonlijke band met God? Wanneer voelde je voor het laatst de Heilige Geest? Maar ook: hoe weet je wanneer je op moet staan tijdens een dienst? Wanneer gooi je je handen in de lucht?

Van Saane koestert een – wetenschappelijke – argwaan jegens evangelische kerken. ‘Sommige gemeenten – vooral evangelische – willen gewoon scoren. Ze weten dat asielzoekers kwetsbaar zijn, en zullen er veel aan doen om nieuwe leden binnen te krijgen. Wat dat betreft maakt een bekering bij een middle of the road protestantse gemeente meer indruk, daar moet een asielzoeker echt zijn best doen.’

Alles voor een slaapplek

Daar is niet iedereen het mee eens. ‘Het is heel moeilijk om je geloof te veinzen in een evangelische kerk,’ zegt Karsten de Vreugd (36), ex-lid van een Pinkstergemeente. Karsten verliet zijn kerk pas toen hij al volwassen was en ging scheiden. Hij moest boetedoen, mocht niet langer zangleider zijn en raakte teleurgesteld in de houding van zijn gemeente, die voor hem een transfer naar Satan voor voorzag. Hij verliet de kerk. Sommige aspecten van zijn oude religie spreken hem nog steeds aan. ‘Die vrolijke, naïeve houding, dat gebrek aan cynisme in de evangelische kerk, dat vind ik mooi. Maar het is tegelijkertijd ook een handicap.’ In zijn gemeente werden nooit zielen gewonnen onder asielzoekers. Maar wel onder zwervers en drugsverslaafden. ‘Die deden en zeiden soms alles voor een slaapplek. Vervolgens hoorde je nooit meer wat van ze, dat was pijnlijk. Nu hoor ik van mijn ouders ook over asielzoekers die zich laten dopen en hun naam veranderen. Ik vraag ze: hoe weet je nou of deze mensen echt geloven? Er is weinig twijfel.’ Evangelisten zijn er volgens De Vreugd op uit om zieltjes te winnen. ‘Tegelijkertijd is de evangelische gemeenschap een moeilijke dekmantel voor een schijngelovige. Er wordt zo’n actieve bijdrage van je gevraagd, het is bijna onmogelijk om dat jaar in, jaar uit te faken.’

Kun je de liefde voor Jezus veinzen? Kan een bekering in scène zijn gezet? De IND oordeelt na het gehoor met Dawood van wel: zij vinden zijn bekering niet doorleefd en doorvoeld genoeg, en wijzen zijn verzoek om een verblijfsvergunning af. Ondanks een rapport van de commissie Plaisier, dat stelt dat Dawoods bekering overtuigend is. Dawood blijft er rustig onder: God is bij hem, waar hij ook naartoe gaat. Maar volgens mijn nicht Hanneke heeft hij het er heel moeilijk mee: zijn blik, die normaal zo kalm en vredig is, wordt nu steeds vaker zorgelijk. Misschien kan geen enkele religie je beschermen tegen de depressie die optreedt als je leven al zes jaar stilstaat.

Oprecht of een bedrieger?

Eind mei ga ik weer met Hanneke en echtgenoot Tino naar de kerk. Ik wil weten hoe het nu is met Dawood. En stiekem wil ik een oordeel vellen over hem. Is hij oprecht of een bedrieger?

Het betreft een uitzonderlijke dienst: vijf mensen worden gedoopt in een klein zwembad dat tevoorschijn komt van onder de schuifplanken van het podium. Een dopeling vertelt over zijn verslavingen. Zijn huwelijk hing aan een zijden draadje, bijna was hij zijn vrouw kwijt, maar door het vele bidden en de steun van de kerk voelt hij zich eindelijk klaar om ondergedompeld te worden. Meer emotionele belijdenissen volgen: een vrouw die al haar hele leven kampt met zelfhaat. Donkere wolken in haar hoofd maakten het onmogelijk om te geloven dat God ook van haar hield. Maar ook zij is nu klaar voor het water.

En dan is het woord aan een kleine donkere man met een witte badjas en blauwe badslippers. De oudste vertelt dat deze man uit Iran komt en in een van de bungalows van het AZC Dronten woont. ‘Waarom wil je je laten dopen?’ vraagt de oudste. Een andere Iraanse jongen met een baseballjasje aan vertaalt de vraag in Farsi. ‘Omdat ik voel dat ik me wil laten dopen,’ is het antwoord. Er klinkt een ongemakkelijk geroezemoes onder de kerkleden, de oudste weet even niet wat hij moet doen, en ook de dopeling kijkt nu onzeker om zich heen. Maar dan herneemt de oudste de leiding over de ceremonie. ‘Maar waarom voel je dat?’ klinkt zijn stem opeens hard door de boxen aan weerskanten van het podium. De vraag wordt vertaald en de man met de badslippers geeft een lang antwoord in het Farsi. De vriend in het baseballjasje lacht nu en roept: ‘Omdat Jezus is mijn leven, mijn koning, mijn vader, mijn alles.’ Een zucht van opluchting klinkt door de zaal, de mensen klappen.

Wachten, wachten

Er lijken vandaag nog meer vreemdelingen in de kerk. Ik ontmoet een Nigeriaans gezin, en een Afghaanse vrouw met een jonge dochter die aardig Engels spreekt. Een Iraanse vrouw genaamd Mariam vertelt me dat zij zich stiekem heeft laten dopen in de Turkse zee. Nu is ze hier omdat ze als christen wordt vervolgd in haar thuisland. ‘I pray for a friend. A real friend.’ Ze kijkt mij doordringend aan. Dawood is er niet. Zou zijn moraal zijn gebroken door de afwijzing? Geeft hij het op?

Maar als ik even later met Hanneke op bezoek ga bij Wim en Ali, tref ik Dawood. Hij verontschuldigt zich dat hij niet bij de dienst was. We eten appeltaart, want Wim is jarig. Hij heeft bezoek, dat aan de andere kant van de kamer op gedempte toon over Europese vakantiebestemmingen praat.
Hanneke, Dawood en ik zitten aan tafel, prikken in onze stukjes appeltaart en praten over de asielprocedure. ‘Wachten, wachten, het is heel erg moeilijk voor mij,’ zegt hij. Zijn dossier ligt nu bij ‘een vrouw in Amsterdam’, en ik begrijp dat hij doelt op godsdienstpsycholoog Joke van Saane. Als zij Dawoods bekering overtuigend acht, dan maakt Dawood nog een klein kansje.

Dan vraag ik Dawood of hij werkelijk te vrezen heeft voor die oom waar hij het in zijn eerste aanvragen over heeft. Zijn verfijnde gelaat kleurt opeens asgrauw. ‘Hij heeft mijn broer vermoord, ik was erbij. En als ik terug moet naar Afghanistan, moet ik terug naar die plek, ik kan niet ergens anders heen, dat mag niet van de overheid.’ Hanneke en ik vallen stil. Opeens lijkt de bekeringsvraag zo onnozel in het daglicht van dit trauma, ik weet niet wat ik moet zeggen en ben blij als Hanneke de stilte doorbreekt met een voorstel om een ritje met de auto te maken.

Even later rijden Hanneke, Dawood en ik door een kaarsrecht polderlandschap. We komen langs het AZC Dronten, dat verscholen ligt achter een rij bomen, in een niemandsland tussen Kampen en Dronten. Vanuit het raampje van Hanneke’s auto wijst Dawood de bungalow aan waar het allemaal begon: bungalow 7. De kalme blik is weer terug op zijn gezicht als hij vertelt over Bijbelavonden. En het dringt tot mij door dat Dawood een houvast heeft gevonden dat Alem kwijt was. Misschien is zijn bekering een gecalculeerde deus ex machina in een vluchtverhaal dat maar niet wilde overtuigen. Maar misschien had filosoof Martin Heidegger wel gelijk, toen hij stelde: ‘Nur ein Gott kann uns retten.’