Hij zoog je leeg. Tot je niets meer had. En als hij daarmee klaar was, had je pas écht een probleem. Want dan zou je in al je radeloosheid wel eens naar de politie kunnen stappen. Dus schold, tierde en dreigde hij. En niet alleen dat. Hij deed het ook. Hij liet mensen vermoorden.
Dat is in een paar zinnen samengevat wat getuigen hebben verklaard over Willem Holleeder in de strafzaak die vorige week begon. Ruim een decennium heeft justitie op hem gejaagd. En al die tijd werd zijn naam in één adem genoemd met verschillende liquidaties: Willem Endstra, Thomas van der Bijl, Kees Houtman en zijn ex-maat Cor van Hout. Dat hij zich nu toch voor de rechter moet verantwoorden, is mede te danken aan rechercheurs van het Team Criminele Inlichtingen (TCI). Zij spraken met Endstra op de beroemde achterbank, zij legden contact met kroegbaas Van der Bijl en hasjhandelaar Houtman en zij voerden de eerste onderhandelingen met de veelbesproken kroongetuige Peter la Serpe.

Dat het zo lang heeft geduurd, is misschien ook wel veroorzaakt door diezelfde dienst. Soms liggen explosieve verklaringen jaren op de plank omdat een angstige getuige het niet aandurft ze te openbaren. Anderen die hun ontboezemingen aan de politie toevertrouwden, kunnen het niet navertellen. Liquidaties oplossen gaat met horten en stoten. Maar alleen zo, via de TCI-aanpak, kunnen schier onoplosbare zaken toch tot een goed einde worden gebracht, zeggen pleitbezorgers. Dat zou kunnen, maar zeker is dat een overheid die grote criminelen wil vervolgen met behulp van informanten in een mijnenveld belandt. Zonder garantie op succes. Sterker nog, volgens critici veroorzaken de politiespionnen alleen maar meer ellende.
Het zal niemand verbazen dat vooral strafrechtadvocaten er een broertje dood aan hebben als geanonimiseerde TCI-informatie over hun cliënt opduikt in strafzaken. Of als rechercheurs bij diezelfde klant aankloppen met de mededeling dat hij op een dodenlijst staat. Om daar dan in één adem aan toe te voegen: ‘We willen je wel beschermen, maar dan moet je eerst vertellen met wie je allemaal ruzie hebt.’
Maar ook uit minder voorspelbare hoek klinkt kritiek. Onafhankelijke juristen maken zich zorgen over het verlies aan regie bij de inzet van TCI. Vrij Nederland sprak met voor- en tegenstanders van de ‘sectie stiekem’.
Weer achter de tralies
Je kunt veel over Dick Vrij zeggen, maar niet dat hij bangelijk is. Toen de Beverwijkse sportschoolhouder het in 2012 aan de stok kreeg met Holleeder op een Amsterdams terras, haalde hij zo hard uit dat hij de kaak van de Heineken-ontvoerder brak. Toch kent ook Vrij angst. Althans, dat beweerde de krachtpatser tijdens de recente rechtszaak waarin hij voor deze en andere geweldsdaden terecht moest staan en werd veroordeeld. Aan de rechters vertelde Vrij dat hij eind 2014 bezoek had gehad van twee TCI-rechercheurs die hem lieten weten dat hij op een dodenlijst stond. Ze wilden graag van Vrij weten wie hem om zeep wilde helpen, dan pas konden ze hem bescherming bieden. Was het Holleeder? Maar daar had Vrij geen zin in. Toch voelde hij zich niet helemaal senang. De rechtbank had hem uit zijn voorlopige hechtenis geschorst onder voorwaarde dat hij een ‘enkelbandje’ droeg. Hij zat dus noodgedwongen thuis. Zijn familie liep daardoor ook gevaar, meende Vrij. Van lieverlee vroeg de verdachte of hij weer achter de tralies mocht.
Vrij’s advocaat Nico Meijering maakt zich nog steeds kwaad over de opstelling van politie en justitie. ‘De criminele inlichtingendiensten zorgen met hun heimelijke strategieën en hun “doodswaarschuwingen” voor grote onrust in de onderwereld.’ Volgens de strafpleiter staat niet het belang van het beoogde slachtoffer centraal, maar de scoringsdrift van de politie. ‘Met goedkeuring van het OM doet de politie alles om aan informatie te komen. De overheid realiseert zich ogenschijnlijk niet meer wie en wat er kapot wordt gemaakt.’
‘Ze willen politie voor hun deur. Ik zeg dan: kom op! Je weet wat de risico’s zijn van wat je doet.’
Meijering doelt niet alleen op wat zijn cliënt Dick Vrij is overkomen, maar refereert ook aan een andere klant. Net als freefighter Vrij kreeg drugsdealer Gwenette Martha te horen dat hij op een dodenlijst stond, en ook Martha weigerde met de politie in conclaaf te gaan over wie daar achter zou kunnen zitten. Vanwege zijn zwijgzaamheid paste de recherche ervoor om de Antilliaanse crimineel bescherming te bieden. Kort daarop werd Martha doodgeschoten. Zijn raadsman houdt de opsporingsinstanties daar medeverantwoordelijk voor.
Oud-TCI-rechercheur Gerard Mak vindt dat Meijering krokodillentranen huilt. ‘De burger is in principe verantwoordelijk voor zijn eigen veiligheid,’ meent hij. ‘Als de overheid hoort dat iemands leven gevaar loopt, zijn we verplicht om die persoon daarvan in kennis te stellen. Niets meer en niets minder.’ Wie bescherming wil, moet de recherche op zijn minst helpen, vindt Mak. ‘Iemand moet opening van zaken geven zodat er een dreigingsanalyse kan worden gemaakt. Bovendien is er ook informatie nodig om een belager te zoeken en aan te houden.’
Bedreigingen maken volgens hem deel uit van het leven van een crimineel. ‘Ze willen een container met politiebewaking voor hun deur. Ik zeg dan: kom op! Je weet wat de risico’s zijn van wat je doet. Een autocoureur weet toch ook dat hij uit de bocht kan vliegen?’
Mak is ervaringsdeskundige. Gedurende zijn carrière bij de inlichtingendienst waarschuwde hij verschillende criminelen. Na zijn pensioen schreef de waarnemend inlichtingenchef bij het Amsterdamse korps een boek over de die dagelijkse praktijk: Criminele Inlichtingen Eenheid. De spin in het web. Als rechercheur verzamelde Mak informatie over Chinese triades op de Amsterdamse Wallen, krakers die veldslagen met de ME voorbereidden en Hells Angels die de horeca protectie opdrongen. Maar het waren vooral de ‘Hollandse netwerken’ die hoog op zijn lijst stonden, met destijds kopstukken als Frits van de Wereld en Zwarte Joop en later Willem Holleeder en Dick Vrij. Als kers op de taart ziet Mak het binnenhalen van Peter la Serpe, de eerste kroongetuige voor het grote liquidatieproces. ‘Mensen denken dat La Serpe met een zak geld naar een tropisch eiland is vertrokken, maar zo werkt het niet. Iemand met een nieuwe identiteit moet blij zijn met een rijtjeshuis en een minimum inkomen. Hij moet immers niet opvallen. Informant zijn is al lastig, maar kroongetuige worden is echt niet leuk.’
Mak werkte bij de ‘sectie stiekem’ toen die nog Criminele Inlichtingendienst (CID) en later Criminele Inlichtingeneenheid (CIE) heette. De acroniemen zijn veranderd, maar de taak is hetzelfde gebleven: zorgen voor oren en ogen in de onderwereld. En niet alleen daar. Mak: ‘Iedereen denkt dat onze geanonimiseerde informatie altijd afkomstig is van criminelen, maar ook gewone mensen weten ons te vinden. Horecapersoneel, bijvoorbeeld, of buren die last hebben van criminelen en er baat bij hebben dat de buurt wordt opgeschoond.’ Hij wijst op het programma Opsporing Verzocht, waarin burgers wekelijks worden opgeroepen anoniem informatie te delen met TCI over nog niet opgeloste misdrijven. De voormalig rechercheur kan vrijuit spreken, in tegenstelling tot de collega’s die nu bij de Nationale Politie werken. Zij zwijgen tegenover de pers vanwege hun directe omgang met informanten. Mak begrijpt dat, maar meent ook dat het geheimzinnige imago dat TCI aankleeft misplaatst is. ‘Natuurlijk, we moeten de identiteit van onze informanten afschermen. Dat doen we niet omdat we schimmig bezig zijn, maar omdat hun veiligheid bij ons hoog in het vaandel staat. Tipgevers moeten op ons kunnen vertrouwen. Maar neem van mij aan dat de inlichtingendienst tegenwoordig een van de meest gecontroleerde afdelingen binnen de politie is.’
Een nummer
Ook Erwin Weisfeld en Bertrand Niekrake van de inlichtingendienst Eenheid Oost-Nederland stellen dat TCI-medewerkers minutieus worden gecontroleerd. Zij hebben wél toestemming van de landelijke politieleiding om met ons te praten. Ze runnen dan ook zelf geen informanten, maar zijn ‘acquisiteur’. Met optredens op congressen en universiteiten maken ze duidelijk dat de huidige politie-inlichtingendienst de deuren heeft opengezet voor informanten uit alle geledingen, dus ook ‘witte boorden’.
‘Als het bier gaat stromen, er hoeren aanschuiven of er coke op tafel komt, dan weiger je. Dan probeert zo’n crimineel je in z’n zak te krijgen.’
Ze werken op een heel ander terrein dan Mak. Weisfeld: ‘We proberen er achter te komen wat er speelt in de bovenwereld. Gaat een buurt gebukt onder hennephandelaren? Zit een wethouder in de tang van de onderwereld?’ Daarbij heeft het afpakken van crimineel geld prioriteit. ‘Bij ons kunnen registeraccountants, notarissen en andere financiële experts terecht met hun verhaal.’ Of het nu uit de boven- of onderwereld komt, de dienst zal altijd voorkomen dat gebruikte informatie is te herleiden naar de bron, verzekert Weisfeld. Als die zekerheid er niet is, doet de politie niets. ‘Zelfs niet als de recherche er mee zou kunnen scoren, bijvoorbeeld door een hennepplantage op te rollen of een verdachte aan te houden.’ Om het zo veilig mogelijk te houden, krijgen informanten een nummer in plaats van een naam. Het tipgeld ontvangen ze in contanten. Zonder bonnetje. Over de hoogte valt niet te onderhandelen, zegt Niekrake. ‘Het OM en de officier van justitie bepalen het tarief. Voor het oprollen van een hennepplantage krijgt een informant drie- à vierhonderd euro. Wie de politie naar een kelder vol crimineel geld leidt, kan rekenen op 1 procent van de vangst. Als de rechter het OM later gelijk geeft, komt daar nog eens 1 procent bij. Dat is vastgelegd in de Regeling Bijzondere Opsporingsgelden.’
De rechercheur (de ‘runner’) en de informant voeren een delicate dans op. De politieman moet het vertrouwen winnen van de crimineel, zorgen dat er een klik komt. Mak noemt een voorbeeld: ‘Als je weet dat de kinderen van zo iemand op voetbal zitten, ga je op zondag langs de lijn staan en knoop je een praatje aan door te zeggen dat je zelf een kind op voetbal hebt.’
Diezelfde avond gaat de TCI-agent ‘toevallig’ naar de kroeg waar de potentiële bron zit, die hem herkent van het voetbalveld. Dan begint het aftasten opnieuw, en gaat de rechercheur op zoek naar vertrouwen. Uiteindelijk moet hij zijn kaarten op tafel leggen en vertellen wie hij is, in de hoop dat de crimineel toehapt. ‘Maar hij moet eerst denken dat je zijn beste vriend bent. Dan kan het haakje er in.’
Daarna wordt het lastiger. Want wat te doen als het bier gaat stromen, hoeren aanschuiven of er cocaïne op tafel komt? Mak, resoluut: ‘Dat weiger je. Ze weten immers dat je van de politie bent. Het is een manier voor de crimineel om jou in z’n zak te krijgen. Nooit doen dus.’
Te ver gegaan
De behoefte aan kennis uit het criminele milieu ontstond eind jaren zestig, toen Nederland voor het eerst werd geconfronteerd met georganiseerde misdaad. De klassieke opsporing volstond niet en de politiek spoorde de politie aan om creatiever te werk te gaan. Aanvankelijk ging dat op z’n janboerenfluitjes. Individuele rechercheurs hadden zakboekjes waarin ze opgepikte informatie bijhielden en zo ad hoc een beeld kregen van drugshandelaars of mensensmokkelaars. Pas in de jaren tachtig ging de recherche het professioneel aanpakken. Elk korps kreeg zijn Criminele Inlichtingendienst (CID), die vanaf het begin een status aparte had en zijn eigen koers koos. Geheimhouding was daarbij allesoverheersend. Dat werkte een gebrek aan controle in de hand.
Voor het oprollen van een hennepplantage krijgt een informant drie-á vierhonderd euro
Met alle gevolgen van dien, bleek in de jaren negentig. Tijdens de parlementaire enquête over de IRT-affaire werd het verhullende scherm rond TCI ruw omvergetrokken – het was de eerste en tot op heden enige keer dat de inlichtingendienst vol in de schijnwerpers stond. Politie en het OM waren te ver gegaan met hun opsporingsmethoden. Om belastend bewijs tegen onderwereldkopstukken te vergaren, hadden inlichtingenrechercheurs samengewerkt met criminele infiltranten. Die undercoveroperaties waren gierend uit de bocht gevlogen. Het was onduidelijk wie de regie had bij de drugssmokkel: de politie of haar criminele helpers. De drugshandelaren mochten hun winsten zelfs houden. Tegenwoordig is dat anders, beweren politie en het OM.
Oudgediende Gerard Mak onderschrijft dat. ‘Strafpleiters wekken nog altijd de indruk van de inlichtingendienst die alles mag. Maar als je verkeerd van start gaat en je niet aan de regels houdt, sta je voor schut bij de rechtbank.’ Volgens hem zijn de TCI-rechercheurs aan strenge regels gebonden. Hun informanten mogen onder geen beding strafbare feiten plegen om aan informatie te komen en bij ontmoetingen met de politie geen wapens dragen. ‘Anders krijgen we dezelfde problemen als bij de IRT.’ Voor zijn eigen runners heeft Mak altijd de hand in het vuur gestoken. ‘Bij twijfel vroeg ik of ik zelf met hun bronnen kon praten. En als een goede tipgever na een check toch nog in criminele zaken blijkt te zitten, neem je afscheid van hem.’
Een informant vermoord
Dat klinkt allemaal mooi, maar de Bossche strafadvocaat Arthur van der Biezen gelooft niet dat er veel is veranderd sinds de jaren negentig. Net als toen wordt hij nu ook weer geconfronteerd met uit de hand gelopen undercoveroperaties in de dossiers van zijn cliënten. ‘Officieel wordt er nu keurig met informanten gewerkt. Maar wie informatie geeft aan de inlichtingdienst zit zelf vaak ook dicht bij het vuur. Je kunt dus stellen dat zo’n informant deel uitmaakt van de criminele organisatie, al pleegt hij zelf geen delicten. Het gaat in feite om een medeverdachte die uit de school klapt. Als de inlichtingendienst met zo’n informant in zee gaat, runt ze in wezen een infiltrant. En dat mag niet.’ Van der Biezen noemt een voorbeeld: ‘In een Limburgse zaak werd een informant vermoord teruggevonden. Hij was voor zijn dood ook nog gemarteld. In afgeluisterde telefoongesprekken en Whatsapp-berichten beweerde de man dat hij in opdracht van TCI informatie moest verzamelen over een specifieke drugsbende.’ Volgens de advocaat wil het OM niet toegeven dat het om een informant gaat.
De zaak waaraan Van der Biezen refereert, staat niet op zichzelf. Ook andere advocaten vertellen over informanten die in de klem zijn gekomen door het optreden van de politie. Het is lastig om de aantijgingen van de raadslieden te verifiëren. Bij navraag geeft de politie niet thuis: er is immers geheimhouding beloofd aan de informant. En als kwesties rond TCI al ter sprake komen bij de rechter, gebeurt dat om dezelfde reden regelmatig met gesloten deuren.
Formeel mogen informanten ook zelf hun status niet bekend maken tegenover anderen. Oud-rechercheur Mak bevestigt dat: ‘Iedereen die wordt ingeschreven in het officiële register krijgt dat te horen. Ook hun vrouw of familie mogen niet weten dat ze de politie helpen. Dat geldt ook als ze worden aangehouden. Zelfs als een informant dood is, zullen we nadien nog steeds geen informatie over zijn status verstrekken. Een informant heeft namelijk ook nabestaanden die alsnog gevaar kunnen lopen. Geeft iemand zelf opening van zaken, dan trekken wij onze handen van hem af.’
Buiten beeld blijven
Soms hebben de gesprekken met de informant geen enkel direct resultaat. Alom bekend zijn de achterbanksessies tussen vastgoedman Willem Endstra en rechercheurs van TCI. Endstra vertelde honderduit over zijn kwelgeest Willem Holleeder. Hij wilde dat de politie de crimineel zou vervolgen voor moorden, maar de zakenman wilde zelf het liefst buiten beeld blijven. Hij wilde geen aangifte doen en zijn verklaringen belandden in de kluis. Pas na zijn dood werden ze bruikbaar.
Zo liggen er vermoedelijk nog talloze verklaringen te verstoffen in de kelders van de inlichtingendienst. ‘Als er van tevoren met iemand afspraken worden gemaakt dat je niets met zijn informatie mag doen, doe je dat ook niet,’ legt Gerard Mak uit. ‘Dat geldt al helemaal voor de verhalen die direct zijn terug te leiden naar de bron. Op zich is een geanonimiseerd TCI-verhaal boterzacht. Het is een gouden roddel. Op het moment dat wij onze informatie doorgeven aan de tactische recherche, moet die dat verhaal juridisch bewijsbaar maken. Je moet de rechter kunnen overtuigen van de verdenking. Zo niet, dan houdt het direct al op.’
‘In een Limburgse zaak werd een informant vermoord teruggevonden. Hij was voor zijn dood ook nog gemarteld.’
Als de inlichtingen of de verhalen van informanten wel een rol gaan spelen, ontstaat een nieuwe situatie. Hoe valt voor procespartijen – de verdediging, de rechters – te controleren of de informatie klopt en welke afspraken daarover zijn gemaakt? Het leidt ertoe dat runners, hun chefs of de verantwoordelijke officier van justitie soms met de billen bloot moeten bij de rechter. Lastig, want een gedetailleerd antwoord kan al snel leiden tot ontmaskering van een informant. Vaak worden vragen van de verdediging door de rechter belet met het ‘veiligheidsargument’ en op andere momenten hapert het geheugen van de opsporingsambtenaar.
De Amsterdamse advocate Mariëlle van Essen komt met een recent voorbeeld. Een cliënt van haar, de Tilburgse hasjhandelaar Alain S., stapte in 2012 naar de politie omdat hij door criminele zakenrelaties werd bedreigd en afgeperst. ‘Hij vertelde op het bureau dat hij uit het criminele wereldje wilde stappen,’ vertelt Van Essen. ‘Alain wilde een nieuwe start in het buitenland en heus geen grote zak met geld. Hij werd daarop meteen in contact gebracht met TCI. De rechercheurs van de inlichtingendienst beloofden hem anonimiteit en stelden hem gerust. Hij verklaarde vervolgens dagenlang over de Tilburgse onderwereld, daarna werd hij alsnog overgedragen aan de collega’s van de tactische recherche. Hij moest zijn aangifte op naam doen zodat de politie iets tegen de bedreigingen kon ondernemen.’
Alain S. had aanvankelijk geen advocaat – Van Essen zou pas later bij de zaak worden betrokken. Het leek er ook op dat de politie haar woord hield. De vrouw en kinderen van Alain werden ondergebracht op een veilige plek. De informant ging gestaag door met verklaringen over de Brabantse maffia. Hij vroeg zich wel af wanneer zijn toegezegde deal met justitie op papier zou komen. De ontboezemingen zouden immers pas naar buiten gaan als hij zijn handtekening had gezet, dacht Alain S. ‘Maar wat gebeurde er?’ zegt Van Essen. ‘De Nederlandse staat wilde ineens niet.’
‘Als informanten melden dat iemand wapens heeft liggen, loop je het risico dat je wordt bespeeld.’
Op basis van de verklaringen van Alain S. werd ondertussen wel iedereen gearresteerd over wie hij uit de school had geklapt. En tot zijn grote verbazing ook hijzelf. Van Essen vindt dat TCI en het OM haar cliënt ten onrechte een wortel hebben voorgehouden. ‘Alain S. is nu op basis van zijn eigen verhaal door het OM als zogenaamde leidinggevende aan de hoogste boom opgeknoopt. Ze hadden meteen duidelijke afspraken met hem moeten maken, nog voordat de politie autoritjes met hem maakte om hem uit te horen.’ De betrokken rechercheurs zijn inmiddels gehoord. Maar die zeggen dat ze Alain S. geen toezeggingen hebben gedaan. Volgens de advocate liegen ze. Dat zou moeten blijken uit gespreksopnamen waaruit stukken zijn verdwenen. ‘Alain vertelt niet alleen over anderen, maar biecht ook alles over zichzelf op. Dat doe je niet zomaar. Maar het verhaal over hoe hij als een kat in het nauw hulp vraagt om uit de misdaad te stappen, is verdwenen. Dat is toch gek?’
Discussies in de rechtszaal over al dan niet gedane beloften en verhalen van teleurgestelde informanten komen steeds vaker voor. Die ontwikkeling lijkt parallel te lopen aan de verharding in het criminele milieu, waar liquidaties aan de orde van de dag zijn. Om dat te bestrijden, is de informatie van de inlichtingendienst hard nodig, zegt Gerard Mak. Zijn team haalde eerder Peter la Serpe binnen, de kroongetuige in het liquidatieproces. ‘Natuurlijk hebben we dat verhaal van La Serpe meteen uitgezocht. Natuurlijk wilden we eerst weten of hijzelf de trekker heeft overgehaald en iemand had doodgeschoten. Hij zei zelf slechts hand- en spandiensten te hebben verricht. Uit technisch onderzoek bleek dat dat kon kloppen.’
Mak en zijn dienst deden dat onderzoek in het diepste geheim. La Serpe had verteld waar een van de moordwapens in het water was gegooid. TCI ging zelf vissen. Tegenover collega’s van de ‘gewone’ recherche konden ze niks zeggen. ‘We huurden met een smoes een duikploeg, die de kalasjnikov vond. De operatie moesten we goed afschermen, want La Serpe was op dat moment nog een informant die we geheimhouding hadden beloofd.’ Een verklaring die bij de TCI in de kluis ligt, is veilig, volgens Mak. ‘Daar weten zo weinig mogelijk mensen van. Tactische rechercheurs kunnen een identiteit niet achterhouden, die moeten ermee aan de slag. De praktijk heeft geleerd dat als meer mensen op de hoogte zijn van verklaringen, de kans toeneemt dat informatie uitlekt.’
Mak volgt de laatste strafzaak tegen Holleeder op de voet. Ook hij en zijn team probeerden eerder informatie te vinden over betrokkenheid van Holleeder bij moorden. ‘Iemand die wordt bedreigd, zal veel eerder spreken als hij of zij weet dat ook anderen aangifte hebben gedaan.’ Na La Serpe volgde kroongetuige Ros en twee weken geleden voegde het OM met Hidir K. ook nog een derde getuige toe. Mak: ‘De kans van slagen wordt groter naarmate er meer verklaringen uit de kluis van TCI kunnen worden gehaald. Dat argument zal het OM zeker hebben gebruikt om de zussen van Holleeder en diens ex-vriendin Sandra over te halen om naar buiten te treden.’
In de slepende liquidatiezaak zijn betrokken TCI-rechercheurs en -officieren al meermalen doorgezaagd door de rechters en de verdediging. Hoe kon het bijvoorbeeld dat de verklaringen van La Serpe over Holleeder aanvankelijk buiten het dossier bleven? ‘Wat La Serpe over Holleeder verklaarde, was wel relevant, maar niet van doorslaggevende aard,’ zei verantwoordelijk TCI-officier Sander de Haas daarover. ‘Zoiets hadden we wel meer in de kluis liggen. Bovendien wilde La Serpe niet dat dit onder naam naar buiten kwam, en de veiligheid van een informant is essentieel.’
Een tweede IRT-affaire
Wat voor de opsporingsambtenaren een zegen is, is voor de verdediging een vloek: onderhandelen in de schemering. Ook wetenschappers maken zich zorgen over de manier waarop TCI-informatie wordt gebruikt. ‘De politie komt vaak in actie op grond van informatie zonder die informatie vooraf te controleren. Dat is gevaarlijk,’ zei Sven Brinkhoff onlangs in NRC Handelsblad. De Nijmeegse jurist is gepromoveerd op Startinformatie in het strafproces. De boodschap van zijn proefschrift is alarmerend. ‘Informanten schuren vaak tegen het criminele milieu aan,’ aldus Brinkhoff. ‘Als informanten melden dat iemand wapens heeft liggen, weet je niet waarom zij dat doen, terwijl de politie dan bijna wel moet optreden. Zo loop je het risico dat je wordt bespeeld.’ De jurist pleit voor een betere controle op de inlichtingendienst en niet alleen door de officier van justitie. ‘Ook een rechter-commissaris zou zich met de eerste controle van anonieme informatie moeten bemoeien. Er bestaat nu een reële kans op een tweede IRT-affaire.’
Brinkhoff krijgt bijval van andere wetenschappers. Zijn Nijmeegse collega Peter Tak pleit eveneens voor een grotere rol van de rechter-commissaris ‘om toe te zien op de harde grenzen van de opsporing’. Datzelfde pleidooi is het stokpaardje van de Amsterdamse strafrechtadvocaat Sander Janssen, die eind 2013 in Leiden promoveerde op De kroongetuige in het Nederlandse strafprocesrecht.
Het is de vraag of politici die roep om extra controle zullen steunen. Zeker nu de rol van TCI in grote processen vruchten afwerpt. Sterker nog, de ‘sectie stiekem’ helpt zelfs om moorden op te lossen. Dus liggen vooralsnog niet de runners van de politie onder vuur, maar is het Willem Holleeder die wat heeft uit te leggen.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.