In zijn reportage-achtige essays in Vroege werken laat de redacteur van De Groene Amsterdammer Jan Postma (1985) zich graag leiden door het toeval. Dat pakt niet altijd even gelukkig uit, maar vaak genoeg wel.
Wanneer Jan Postma op 9 november, de dag na de surrealistische Amerikaanse presidentsverkiezingen, in een boekwinkel in Los Angeles boeken koopt is het zijn onderbewuste dat de aankopen doet. Hij schaft boeken aan over klimaatverandering en het Antropoceen, onderwerpen waar hij zich tot dan toe maar matig voor interesseerde. Hier deed zich, schrijft hij, ‘het escapisme van de ernst’ voor.
Dit ‘vluchten’ in de ernst is een typerende reactie voor Postma. Uit zichzelf heeft hij niet zo veel ernst. De buitenwereld moet hem er met zijn neus opdrukken, anders komt hij niet in beweging. Je kunt gerust stellen dat Postma allergisch is voor ernst en niet graag voor keuzes wordt geplaatst. In Vroege werken worden ook geen keuzes gemaakt: het heten wel ‘essays’, maar het zijn eerder reportages, verslagen en reisverhalen met essayistische inslag. Postma wil zich niet vastleggen en het lichtvoetig houden (‘maar niet lichtzinnig’). De onderwerpen van zijn ‘essays’ laat hij bepalen door het toeval, door hem ‘het toe-eigenen van de toevalligheid’ genoemd. Het essay noemt Postma een ‘verdwaling’.
Je laten leiden door het toeval heeft de nodige gevaren in zich, behalve als je denkt dat je van álles wel iets kunt maken. Dat lukt in ieder geval niet met het onderwerp Heleen van Royen en haar tentoonstelling van selfies. Postma wringt zich in alle bochten (hij heeft het over ‘grappig en aandoenlijk’) om maar niet te behoren tot degenen die die tentoonstelling maar niks vonden. Meer geluk heeft Postma wanneer hij bij een zoektocht naar andere Jannen Postma stuit op de communistische verzetsheld. Hier komt hij niet helemaal ongewild terecht in de ernst wanneer hij om meer te weten naar het Instituut voor Sociale Geschiedenis moet. Dat levert een mooi inkijkje in het verzet op wanneer de arrestatie, de gevangenschap, de martelingen, het proces en de dood van Postma in 1944 goed blijken gedocumenteerd, tot en met de afscheidsbrief aan zijn vrouw. Wat Postma in eerste instantie aantrok was dat Postma was begonnen als een paradoxale ‘sociaal-anarchist’. Dat vond hij een ironische tegenstrijdigheid. Maar die kunnen heel waarachtig zijn omdat de ‘werkelijkheid te complex is om ooit volledig te worden doorgrond.’Het valt niet te ontkennen dat het Postma ernst is met het toeval, de willekeur, de onzekerheid en het niet kunnen kiezen. Tegelijk koketteert hij er mee.
Een goed voorbeeld van het ‘verdwalen’ van Postma is zijn vijftig pagina’s tellende stuk over de Russische dichter Joseph Brodsky, Dat gaat alle kanten uit. Het is meer een reportage over de momenten dat Brodsky’s werk in zijn leven opduikt. Pagina’s lang kan het helemaal niet over Brodsky gaan, maar over vissers met wie Postma een nietszeggend gesprek aanknoopt. Brodsky duikt dan weer op bij thuiskomst en hij een artikel over hem leest in The New Yorker. Waarna de situatie zich verplaatst naar Lake Placid in het noorden van de staat New York. Daar ligt in een gehuurd huisje een fotoboek waarvoor Brodsky een inleiding heeft geschreven. Zo meandert Postma voort, om uit te komen bij een ontmoeting met de Engelse schrijfster Zadie Smith in New York en Amsterdam. Aan het eind bekent Postma dat de bewondering die hij voor de dichter koestert ‘altijd iets onredelijks’ heeft gehad. Het bange vermoeden bekruipt je dan dat zijn belangstelling voor Brodsky maar op toeval en willekeur berust.

Het valt niet te ontkennen dat het Postma ernst is met het toeval, de willekeur, de onzekerheid en het niet kunnen kiezen. Tegelijk koketteert hij er mee. Hij manoeuvreert zich makkelijk in een dubbelhartige posities. In een lang stuk over het lastige leven van de roodharigen (waartoe hij zelf behoort) heeft hij het over een tijdschrift voor roodharigen dat hij vanaf het begin ‘een sympathiek initiatief’ vond, maar waarvoor hij ‘een lichte maar onmiskenbare weerzin’ voelt ‘alleen al bij het idee er in te lezen.’
Zo ook in ‘Van dooie muizen’, een maar uitdijend essay of verslag van de muizenplaag in zijn huis. Dat loopt uit op een uitweiding over onzekerheid en die van hemzelf in het bijzonder. Hij kan maar niet besluiten tot het serieus bestrijden van de muizen, hij kan evenmin zijn gedachten opmaken over de vraag of hij niet zou moeten verhuizen. Hoe ‘allesoverheersend’ zijn onzekerheid ook is, hij zegt zich nooit ‘ontredderd’ te voelen. Hij heeft de neiging zijn twijfels juist te cultiveren. Hij vindt er zelfs enige bemoediging in: ‘wie in onzekerheden kan leven’, schrijft hij, ‘tegenstrijdigheden niet vreest, kan elk moment opnieuw de werkelijkheid ontdekken zonder uit het lood te worden geslagen.’ Volgt het citaat over het concept van ‘Negative Capability’ van de Engelse dichter John Keats waar Postma zich op baseert. Dat negatieve vermogen doet zich voor ‘when a man is capable of being in uncertainties, mysteries, doubts, without any irritable reaching after fact and reason.’ Postma heeft zijn preoccupatie met onzekerheid en kiezen niet van een vreemde: hij studeerde af op de filosoof van het kiezen Isaiah Berlin.
Postma beoefent in Vroege werken de kunst van de uitweiding, de divagatie, en het lukt hem de aandacht vast te houden, welke wegen hij ook meent te moeten inslaan. Het zorgt ook voor breedvoerigheid, ruis en te veel willekeur. Dat Postma het ook op de korte baan kan bewijst ‘Zinloos geweld’, een verslag van het door hem beëindigen van een vechtpartij waar wel vijftig mensen bij toekeken zonder iets te doen. Tot Postma zelf in actie kwam. Er was nauwelijks iemand die de moeite nam hem daarna te complimenteren. Dit was, by the way, een heroïsch moment waarop Postma even geen last had van onzekerheid.
Vroege werken, Essays van Jan Postma is uitgegeven door Das Mag Uitgevers.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.