Hij zag de speech van Geert Wilders na de gemeenteraadsverkiezingen op televisie en dacht: ‘Dit kunnen we niet over onze kant laten gaan.’ Harm Taselaar, hoofdredacteur van RTL Nieuws, was nog niet eens zozeer geschokt door de inhoud van Wilders optreden. Het was de manier waaróp. ‘Dit was je reinste volksmennerij. Ik dacht: het kan niet zo zijn dat wij over tien of twintig jaar tegen elkaar moeten zeggen: we stonden erbij en keken ernaar.’ De volgende dag belde hij zijn adjuncts Pieter Klein en Marc Schreuder. Zij waren het met Taselaar eens: ze moesten als hoofdredactie van RTL Nieuws duidelijk stelling nemen, via een open brief aan Geert Wilders: ‘Geert, ga je schamen.’
‘Omdat Pieter de meeste routine heeft in schrijven – hij schrijft twee keer in de week een column – heeft hij de brief verwoord. Namens ons drieën. Beschouw het maar als een hoofdredactioneel commentaar in een krant.’
Het was voor het eerst in het vijfentwintigjarig bestaan van RTL Nieuws dat Taselaar zoiets deed. En waarschijnlijk zal een volgende actie zeker weer vijfentwintig jaar op zich laten wachten. ‘Het is wat ons betreft een eenmalig signaal. Maar wel een zeer gemeend signaal.’
Misschien hoort zoiets ook wel bij RTL Nieuws. ‘De lijnen zijn bij ons kort. Overleg verloopt niet over twintig schijven.’
Dit najaar bestaat RTL vijfentwintig jaar. Harm Taselaar was er vanaf de allereerste dag bij. Eerst als verslaggever van RTL Nieuws en sinds 1999 als hoofdredacteur van datzelfde nieuws. Terwijl hij nooit ambieerde om de baas te worden. ‘Ik wilde helemaal geen hoofdredacteur zijn. Ik heb er een hekel aan om met macht om te gaan. Een journalist is er om macht te bestrijden, niet om macht te hebben.’
‘Ik vergelijk nooit met de NOS. Dat interesseert me niet’
Maar goed, Taselaar staat dus toch al vijftien jaar aan het roer van de nieuwsredactie van RTL. Hij zit, vindt-ie zelf, op ‘veruit de mooiste plek’ binnen de televisiejournalistiek. Hij zou er niet meer weg willen. Om die reden sloeg hij in 2012 het aanbod af om hoofdredacteur te worden van Nieuwsuur van de NOS. ‘Ik heb geen principiële bezwaren tegen de Publieke Omroep. Nieuwsuur is bovendien een prachtig programma. Maar hier is het voor mij uitdagender. Ik vind het op deze plek nog elke dag spannend.’
‘De commerciëlen’
Taselaar (57) is een hoofdredacteur in hemdsmouwen. Nadrukkelijk géén pakkenman. Een bijter, zeggen zijn redacteuren, nauw betrokken bij zijn redactie en zijn programma. Robuust ook, en recht voor zijn raap. ‘De deur van Harms kamer staat altijd open, maar lang niet iedereen durft er zomaar naar binnen.’ Bovenal is Taselaar een journalist die het vak kent. Hij begon in 1977 als leerlingjournalist op de sportredactie van de Delftsche-Westlandsche Courant en belandde uiteindelijk voor de Haagse Courant op het Binnenhof. Toen in 1989 RTL Veronique – zoals de zender toen nog heette – begon met nieuwsuitzendingen, werd hij Haags verslaggever voor de nieuwe zender. Televisie-ervaring had hij volstrekt niet. Veel verder dan het in beeld brengen van pratende hoofden gingen zijn reportages dan ook niet. ‘Van tussenshots had ik nog totaal geen kaas gegeten.’
We praten over de prehistorie van de commerciële televisie, begin jaren negentig. RTL Nieuws had nog geen eigen straalzenders; die waren veel te duur. Banden moesten voor de uitzending per motorkoerier naar Hilversum worden vervoerd. Bij lopende debatten in de Tweede Kamer ging Taselaar regelmatig ‘dood van ellende’. Als de afloop van die debatten ongewis was, monteerde hij noodgedwongen verschillende versies met variërende uitkomsten, inclusief uiteenlopende reacties van betrokken bewindslieden. ‘“Stel nou dat u moet aftreden, wat zegt u dán?” Daar werkten ze ook keurig aan mee.’ Hij heeft bij politici zelden iets gemerkt van dedain jegens de commerciële zender. Alleen Hans van Mierlo stak zijn misprijzen niet onder stoelen of banken. ‘Die zei: “Ah, daar hebben we die oerwoudjongens weer met hun prutsapparatuur.” Dan zei ik: “Toevallig betalen wij het allemaal wel uit eigen zak.”’

In het begin moest hij ook bij collega’s nog vaak vechten tegen vooroordelen jegens de commerciële omroep. Alleen dat wóórd al: ‘de commerciëlen’… Alsof het bij RTL alleen om de kassa ging. Bij de eerste vergadering van het Genootschap van Hoofdredacteuren die Harm Taselaar bijwoonde, voelde hij zich diep gekrenkt toen toenmalig voorzitter Pieter Broertjes tot drie keer toe repte over ‘de commerciëlen’. ‘Ik heb hem geïnterrumpeerd: “En mag ik dan misschien even weten wie het salaris van de heer Broertjes betaalt? De Staat? God zelf? Of is de Volkskrant misschien ook gewoon een bedrijf?”’
Inhoudelijk werd RTL Nieuws vanaf de start wel serieus genomen, denkt de hoofdredacteur. ‘Het was mensen duidelijk dat wij geen Holadiejee-nieuws brachten.’ In het begin werd er vanuit Luxemburg nog weleens voorzichtig geïnformeerd: ‘Can’t you make more happy news?’, maar dat is al jaren niet meer het geval. In juni 2001 kreeg de redactie er met zakenzender RTLZ nog een podium bij. Taselaar had het liefst een algemene nieuwszender gewild, die vierentwintig uur per dag zou uitzenden. Maar dat bleek onbetaalbaar. ‘We hebben toen gekozen voor een niche: een zender die economisch nieuws zou uitzenden.’ De zender leidde de eerste maanden na de start een marginaal bestaan. Totdat het 11 september 2001 werd. ‘We konden direct live op zender.’ De redactie vroeg eerst nog wel of het erg was als de aardappelkoersen nu buiten beeld vielen. Maar dat moest voor deze keer kunnen. In één klap stond RTLZ op de kaart, dankzij Mohammed Atta en de zijnen. Al dacht Taselaar daar op dat moment geen seconde aan. ‘Ik voelde het bloed uit mijn hoofd wegtrekken en dacht: “Dit kan de Derde Wereldoorlog weleens zijn.” Doodsbang was ik; voor mijn kinderen, voor mijn vader, voor de wereld. Max Westerman (toenmalig RTL-correspondent in New York) wilde er eerst nog op zijn fietsje heen. Godzijdank heb ik hem dat verboden.’
Hoeveel dagen van de week maken jullie een beter journaal dan de NOS?
‘Ik vergelijk nooit met de NOS. Dat interesseert me niet. Ik heb de NOS niet nodig om te bepalen hoe goed onze uitzendingen zijn. Ik ga altijd uit van eigen kracht. Wij hebben sterk ingezet op eigen nieuws, veel meer dan de NOS. Zolang we dat goed doen, ben ik tevreden.’
Wat maakt RTL Nieuws onderscheidend, scherper en brutaler?
‘Toen wij begonnen was de NOS een moloch. Wij werden gedreven door een pioniersgevoel: “Wij gaan het land veroveren.” Die onverschrokkenheid is er nog steeds. Een rebellenclub die op zoek gaat naar de waarheid.’
De waarheid is dat jullie er niet echt in geslaagd zijn om het land te veroveren. Het NOS Journaal is nog steeds koning.
‘Er kijken wel dagelijks miljoenen mensen naar RTL Nieuws. We spelen journalistiek gezien een belangrijke rol. Dat vind ik een mooie prestatie.’
Toch kijken er bijna twee keer zoveel mensen naar het NOS Journaal.
‘Op dit moment komt dat door de programmering van De Wereld Draait Door op Nederland 1. Een briljante zet, moet ik toegeven. Ik vreesde er al jaren voor. Ik heb zo vaak gedacht: “Hoe komt het toch dat ze daar niet beter programmeren? Ze zouden ons zo kunnen wegvagen.” Op dit moment ontstijgen ze ons in de oudere doelgroepen. Maar in onze doelgroep – 25 tot 49 jaar – doen wij het nog steeds uitstekend.’
Het blijft wel een groot probleem voor nieuwsprogramma’s om jongeren onder de twintig te trekken.
‘Dat is een gigantisch probleem. Ik denk ook niet dat het gaat lukken. Eerlijk gezegd heeft het mijn prioriteit absoluut niet. Wij proberen mensen vanaf twintig te interesseren voor nieuws.’
En wat is ‘nieuws’ dan precies?
‘Nieuws is wat je absoluut wilt weten over wat er in de wereld gebeurt.’
U vond de begrafenis van Sharon, de oud-premier van Israël, naar verluidt een non-item.
‘Dat interesseert me helemaal niks, nee. De man is dood. Wat voor nieuwswaarde heeft zijn begrafenis dan nog?’
Sharons begrafenis duurde in elk geval korter dan die van koning Hoessein van Jordanië.
‘Die duurde úren! Iedereen in de regiekamer zat te gapen. Uiteindelijk stopten we de uitzending. Terwijl de kist nog boven aarde stond. En wat denk je? Niemand die erover klaagde. Die uitzending kon blijkbaar geen enkele kijker iets schelen. Waarom we het dan toch deden? Omdat we toen dachten dat dat voor ons statusverhogend was. In die tijd probeerden we zoveel mogelijk live te gaan, vooral om de NOS af te troeven. Stomvervelend en voor geen kijker de moeite waard.’
Maar altijd nog beter dan wanneer je mensen ten onrechte dood verklaart.
‘Het NOS Journaal heeft Arafat een paar keer voortijdig laten sterven. Daar maak je jezelf belachelijk mee. Dat soort dingen moet je uitvoerig checken. Dan maar geen primeur. Wij hebben er hier op de redactie een stevig dispuut over gehad. Volgens een bron van ons was er een belangrijke modeontwerper overleden. Het ging om een goede, betrouwbare bron. Maar het was op dat moment wel de enige bron. Toen zei ik: “Dit gaan we dus niet brengen. Het risico dat het niet klopt, is veel te groot.” Direct na de uitzending werd zijn dood alsnog bevestigd. Daar werd op de redactie vervolgens erg over gemopperd. En toch zou ik het weer precies zo doen. Het ingewikkelde is: ik ben nog klassiek opgevoed met “check” en “dubbelcheck”. Inmiddels leven we in een ander tijdperk. Als je dat principe zou handhaven op digitale platforms, dan besta je morgen niet meer. Daar kan ik nog steeds maar moeilijk mee omgaan. Ik vroeg het laatst aan mijn kinderen: “Hoe zien jullie dat nou, als berichtgeving achteraf niet blijkt te kloppen?” Dat maakte ze niks uit. “Als je het daarna maar rectificeert. Daar gaan we toch vanzelf al vanuit bij internet.”’
RTL Nieuws heeft wel bijna elk jaar de primeur van de Miljoenennota.
‘Dat is heel leuk, maar als ik eerlijk ben, word ik er niet opgewonden van. Twee dagen later wordt-ie toch wel bekend. Het is hooguit aardig om te laten zien dat we nog steeds boefjes zijn. Journalistiek-inhoudelijk doet het me weinig.’
U bent er niet trots op?
‘Ik ben vooral trots op wat hier stáát. Op de nieuwsorganisatie die we zijn geworden. Ik wilde ooit de journalistiek in, mede vanwege de interviews van Joop van Tijn en Max van Weezel. Fantástisch vond ik die. Alles waar ik nu voor sta, is mede daardoor gevormd. De macht heeft altijd een gefabriceerd verhaal. Van Tijn en Van Weezel gingen daaraan voorbij en wisten er heel knap doorheen te prikken. Hogeschool-journalistiek. Dat niveau heb ik zelf nooit gehaald. Wij proberen dat hier ook: door het gefabriceerde verhaal heen prikken. Met als doel om de gemiddelde Nederlander behoorlijk te informeren. Ik heb een gruwelijke hekel aan borrelpraat. De beste remedie daartegen is: mensen informeren en van feiten voorzien. Kijkers laten zien hoe de wereld in elkaar zit, waardoor ze zelf betere keuzes kunnen maken.’
Joop van Tijn zei vaak: ‘De beste journalisten zitten bij de kranten, niet in Hilversum.’
‘Dat vind ik niet. Televisiejournalistiek is vele malen moeilijker. Visueel denken, een verhaal in twee minuten neerzetten. Van Tijn was in dit tijdperk tamelijk kansloos geweest. Ze hadden ’m een trage oude man gevonden. Journalisten van nu zijn multifunctioneel. Bij ons werken tv-journalisten net zo goed voor de website.’
Echt een trauma
De afgelopen kwarteeuw kende ook inktzwarte dagen. Het onverwachte overlijden van Midden-Oostencorrespondent Conny Mus in 2010 was voor Taselaar een immense schok. ‘Hij had een ongelofelijke kennis van het Midden-Oosten. Dat werd soms enigszins gecamoufleerd door zijn Amsterdamse tongval – “de besette gebiede” – maar hij was echt een expert. Bovendien was hij niet Joods, zoals veel correspondenten. Dat zag hij zelf als een groot voordeel. Hij had daardoor geen directe emotionele betrokkenheid bij een van de partijen.’ De dood van RTL-cameraman Stan Storimans, die in 2008 omkwam bij het maken van een reportage in Georgië, had een nog verwoestender impact. ‘De verantwoordelijkheid voor zijn dood voel ik tot op de dag van vandaag.’
‘Ik heb een ongelofelijke hekel aan middelmatigheid’
Rationeel weet hij dat dat niet terecht is. De dag voordat het gebeurde, had Taselaar telefonisch nog uitvoerig met verslaggever Jeroen Akkermans gesproken over de risico’s. ‘Niet naar dit en niet naar dat. Daar hebben Jeroen en Stan zich ook keurig aan gehouden. Maar dat de Russen dan net zo’n monsterraket moesten testen… dat gelóóf je gewoon niet.’ Hij droomt er nog weleens over. Zeker van het bezoek dat hij daarna af moest leggen aan het gezin van de cameraman. ‘Dat is echt een trauma voor me. Ik zal nooit vergeten dat zijn kinderen riepen: “Ja, maar het hoéft toch niet zo te zijn.” Ik zei: “Hoe verschrikkelijk ik het ook vind om dit te zeggen: het is wel zo.” Dat draag ik voor altijd met me mee.’ Hij is er voorzichtig door geworden, doodsbenauwd om mensen naar oorlogsgebieden te sturen. ‘Vergelijk het met het naar school laten fietsen van je zoontje van zes, in zijn eentje. Van de gedachte dat hij door een auto geschept kan worden sterf je duizend doden. Ik weet wel: je kind is je eigen vlees en bloed. Maar dit voelt niet veel anders. Onder mijn verantwoordelijkheid worden er – overdrachtelijk – jongetjes van zes op hun fietsje weggestuurd in levensgevaarlijk verkeer. Daar lig ik wakker van. Letterlijk.’
Wat nou als u een aanbod krijgt van een freelancer die exclusief voor u naar Homs in Syrië wil gaan?
‘Dan zeg ik resoluut nee. Er is een reële kans dat diegene het niet overleeft. Dat soort dingen wil ik niet onder mijn verantwoordelijkheid hebben. Dat is het mij gewoon niet waard. Dan maar geen exclusieve reportage.’
En als u het kunt kopen van een buitenlandse freelancer?
‘Dat lijkt me toch iets anders.’
Die loopt net zoveel risico.
‘Jawel, maar daar ben ik niet direct mee verbonden. Ik geef toe: het is zo hypocriet als de pest. Maar dat maakt het toch anders.’
Nooit meer teruggezien
Taselaar was als jongen al ‘een brandjesman’, een ventje dat graag vooraan stond te kijken als er iets gebeurde. Maar hij was vooral een waarnemer, een buitenstaander die liever toekeek dan meedeed. Hij groeide op in een gezin met twee broers. Zijn vader was aardrijkskundeleraar, zijn moeder gaf steno-les op Schoevers. Een geëngageerd gezin, met oog voor de zwakkeren. ‘Sinaasappels uit Spanje – het land van Franco – kwamen er bij ons niet in.’
Zijn vader was in de oorlog actief geweest in het verzet. Hij redde mensenlevens in de onderduik, al sprak hij daar later nooit over. Laatst werd Taselaar zich voor het eerst bewust van dat verborgen leven van zijn vader toen iemand tegen hem zei: ‘Uw vader was een held. De naam “Taselaar” betékent iets in onze familie.’ Dat er onlangs zelfs een boek over het oorlogsverleden van zijn vader is verschenen, vervult Taselaar met verlegenheid. Hij stelt het lezen ervan nog steeds maar even uit. ‘Misschien wel uit angst dat ik hem onrecht heb gedaan. De meeste dingen heb ik nooit geweten.’

Zijn moeder overleefde het Jappenkamp. Ook dat was binnen het gezin nooit onderwerp van gesprek. Pas later snapte hij hoe zwaar ze het gehad moet hebben. ‘Als jongetje had ik een enorme hekel aan mijn voornaam. “Harm” vond ik belachelijk. Totdat mijn moeder mij op een dag over haar vader vertelde. Hij heette ook Harm en was een invloedrijk man in voormalig Nederlands-Indië. Ze was stapelgek op hem. Op een dag werden alle mannen opgehaald door de Japanners om tewerkgesteld te worden. Iedereen ging om haar vader heen staan; hij was nou eenmaal een geliefd man. Maar er was ook een oom bij, een broer van haar vader. Daar ging niemand naast staan. Mijn moeder vond dat zo zielig dat ze bij die oom is gaan staan. Daardoor heeft ze geen afscheid kunnen nemen van haar vader. Ze heeft hem nooit meer teruggezien.’ Hij pauzeert, probeert nadrukkelijk iets weg te slikken. ‘Terwijl ik het vertel ontroert mij dat weer zo enorm. Zo was mijn moeder. Je laat iemand op zo’n moeilijk moment niet alleen staan. Tegelijkertijd ontnam ze zichzelf daarmee de kans op een afscheid van haar eigen vader. Door dat verhaal is “Harm” voor mij een heel groot compliment geworden. Ik ben er trots op en ben er blij mee.’
Peter met zijn ellebogen
Zijn ouders zijn allebei al lang dood. Ze maakten nog wel mee dat hun zoon hoofdredacteur werd. ‘Eerlijk gezegd reageerde mijn vader er amper op. Zo zat hij gewoon niet in elkaar.’ En ach, zo bijzonder is zo’n positie nou ook weer niet, tekent hij daar direct bij aan. ‘Je laten voorstaan op je functie is kolderiek.’ Taselaar wordt door collega’s geprezen om zijn inzet en betrokkenheid. Hoewel hij volgens menigeen wel iets minder direct zou mogen zijn. ‘Ik zeg altijd eerlijk wat ik ergens van vind. Daar schrikken sommige mensen van.’ Toen hij destijds als RTL-verslaggever bij de Eurotop in Maastricht bijna omvergeduwd werd door NOS-collega Peter van der Maat hoefde hij niet lang naar woorden te zoeken. ‘Ik laat me verdomme toch niet door zo’n reusaap opzijdouwen!’ Taselaar kan er nóg nijdig om worden. ‘RTL was nog klein en de NOS juist heel groot. We moesten onze stinkende best doen om ertussen te komen bij die top. En toen kwam Peter met zijn ellebogen, puur op basis van “wij zijn van de NOS”. Ja, dat moet je bij mij dus niet flikken. Nooit! Het werd bijna knokken. Ik zag ondertussen die politici geamuseerd toekijken: benieuwd hoe dit gaat aflopen. Uiteindelijk hebben we onze interviews gewoon kunnen doen.’
Hij weet in elk geval dat hij vijfendertig jaar geleden voor het goede vak gekozen heeft, zegt Taselaar. ‘De journalistiek is mijn roeping. Dit is wat ik wil zijn. Moet je nagaan; je kunt iedereen spreken die je maar wilt spreken. Dat is magisch.’ Tegelijkertijd is hij een calvinist. ‘Ik kan er niet goed van genieten. Het is voor mij heel moeilijk om enige trots of tevredenheid op te brengen voor iets wat ik zelf heb gepresteerd. Het heeft sowieso lang geduurd eer ik erachter kwam dat ik echt iets kon. Dat inzicht kwam omdat er hier weleens mensen binnenkwamen die nog minder konden dan ik. Dan dacht ik: kennelijk heb ik toch iets geleerd.’
Ligt de lat voor u dan zo hoog?
‘Blijkbaar. Ik heb een ongelofelijke hekel aan middelmatigheid. Terwijl ik zelf bepaald geen natuurtalent ben; ik heb altijd snoeihard moeten werken. Ik vind het leven best zwaar, omdat je op zoveel vlakken moet presteren. Ik denk regelmatig: “Ik ben niet goed genoeg.” Dat maakt onzeker. Dat heb ik van mijn vader. Terwijl hij een echte intellectueel was, en een geweldige leraar. Over elke tegel in Rome wist-ie mij en mijn broers een geweldig verhaal te vertellen. Maar als hij na de vakantie weer terug moest naar school, dan stond-ie te kokhalzen boven de wc. Verscheurd door de angst of hij het nog wel waar kon maken. Zo erg heb ik dat niet. Maar ik worstel er wel mee. Genieten van succes vind ik heel moeilijk. Ik herinner me dat we voor het eerst het grote Carrédebat organiseerden, in de aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen van 2010. Ik had “ja” gezegd tegen BNR en Elsevier. Direct daarna dacht ik: “Mijn god, waar heb ik nu mee ingestemd?” Het was hondsmoeilijk, we namen er een enorm risico mee. Ik had er echt pijn van in mijn buik. Maar het ging fantastisch. Na afloop stond dat hele Carré op en begon te applaudisseren. Ik voelde even een kort moment van euforie, maar direct daarna liep ik alweer buiten op de gracht dingen te regelen voor de volgende dag. Later dacht ik: “Jonge jonge, waarom kán ik dat nou niet?” Al heeft zoiets misschien ook een goede kant. Ik zou heel graag lui willen zijn. Maar ik kan het me domweg niet permitteren.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.