In de afgelopen eeuw bouwde Nederland aan brede welvaart. Op de Dag van de Arbeid vieren we dat werknemers door collectieve actie betere arbeidsomstandigheden kregen. Een minimumloon werd ingevoerd. Een goede pensioenvoorziening. Mensen kregen de tijd om naast het werk te genieten van vrije tijd, gezin en vrienden. De naoorlogse verzorgingsstaat werd opgebouwd, met een vangnet bij ziekte, werkloosheid en ouderdom.
Collectieve actie bleek de sleutel tot vooruitgang voor iedereen.
Op een dag als vandaag vieren we dat we samen sterk staan. Dat je een samenleving gezamenlijk een goede kant op kan sturen. Dat je het kan vormen en bijsturen en maken. Dat een samenleving wel degelijk ‘maakbaar’ is in de goede zin van het woord.
Maar op een dag als vandaag moeten we ook stilstaan bij de kwetsbaarheid van wat we samen hebben weten op te bouwen. En vooral bij hoe we ons moeten weren tegen de uitholling van de verzorgingsstaat en de democratie.
Spiekmanlezing
Deze tekst is een ingekorte versie van de Spiekmanlezing, die Marjolein Moorman op 1 mei 2026 om 20:00 in de Pelgrimsvaderkerk in Rotterdam geeft. De bijeenkomst is voor publiek toegankelijk. Lees hier meer.
Ren-je-rot-samenleving
Begin jaren zeventig was Ren je rot op de buis, een spelletjesprogramma waarbij scholen het tegen elkaar opnamen. Elke keer als ze een antwoord op een vraag wisten, moesten ze heel hard naar het juiste vakje rennen. Diegenen die het eerste het juiste vakje bereikten, wonnen de wedstrijd én een begerenswaardige prijs (een diaprojector, bijvoorbeeld).
Ik moet aan dit programma denken als ik naar de samenleving kijk. Want we zijn steeds meer beland in een ren-je-rot-samenleving. Met als inzet: wel of geen betaalbaar huis, wel of geen inkomen waar je van rond kan komen, wel of niet een diploma waarmee je verder komt.
Wat zegt het over een samenleving als jonge mensen, en vooral jonge vrouwen, massaal uitvallen?
Vorige maand presenteerde het kabinet een forse financiële tegenvaller van één miljard euro, veroorzaakt door een sterke toename van het aantal arbeidsongeschikten. Steeds meer van hen vallen uit door psychische in plaats van fysieke problemen.
Met name onder jonge vrouwen tussen de 30 en 40 neemt langdurige arbeidsongeschiktheid als gevolg van mentale problemen fors toe. Zij vallen steeds vaker uit met psychische klachten door prestatiedruk en overbelasting als gevolg van een combinatie van werk en zorgtaken.
De regering maakt zich terecht zorgen over deze ontwikkeling, maar niet om de juiste redenen. Zij zien dit vooral als een groot probleem voor de schatkist vanwege de toename in het aantal langdurig arbeidsongeschikten. Mede om die reden is het kabinet van zins om de WIA-uitkering fors te versoberen.
Buiten het feit dat dit zeer onrechtvaardig is voor alle mensen die afhankelijk zijn van een uitkering omdat ze de pech hebben gehad dat ze ziek zijn geworden, gaat het versoberen van de WIA-uitkering de mentale problemen van mensen natuurlijk niet oplossen. Sterker nog: het zal die problemen eerder verergeren. Als je weet dat je ook nog financieel in de problemen komt, wordt de stress natuurlijk niet minder.
Veel beter is het om te analyseren waarom een overheid onverwacht miljarden euro’s extra moet uittrekken omdat mensen simpelweg niet meer kúnnen werken. Wat zegt het over een samenleving als jonge mensen, en vooral jonge vrouwen, massaal uitvallen?
Meer coaches dan basisschoolleraren
De ren-je-rot-samenleving is het gevolg van een fundamentele verschuiving in de manier waarop we naar onze samenleving zijn gaan kijken: van het idee van de maakbaarheid van de samenleving, naar het idee van de maakbaarheid van het individu. Presteren, optimaliseren en steeds harder rennen is de norm geworden, terwijl tegelijkertijd het leven duurder wordt en de overheid zich terugtrekt.
De Gezondheidsraad stelde vorig jaar al een vergelijkbare diagnose: we leven in een ‘hypernerveuze samenleving’. Altijd bereikbaar moeten zijn, eindeloze prestatiedruk op werk of studie, social media waar we onszelf voortdurend met elkaar vergelijken.
En ondertussen wordt mensen voorgehouden: wie hard genoeg werkt, komt er wel. Je hoort het sommige politici zelfs in bijna elke zin zeggen: wij zijn het land voor de hardwerkende Nederlanders. Succes is volgens hen volledig je eigen verantwoordelijkheid en verdienste, falen je eigen schuld.
Daarmee wordt ons een valse illusie voorgehouden. Wat ze er niet bij vertellen is dat huizen ondertussen onbetaalbaar zijn geworden voor diegenen die geen eigen vermogen hebben. En het startsalaris van een academisch opgeleide werknemer is gemiddeld 7 euro per uur hoger dan een op het mbo geschoolde werknemer.
Tegelijkertijd wordt het tapijt van de verzorgingsstaat en collectieve zekerheid onder ons weggetrokken, juist datgene wat ons rust biedt als het mis dreigt te lopen in het leven.
Veel jonge vrouwen een burn-out? Het had misschien voorkomen kunnen worden met goede kinderopvang, maar mensen denken: niet slim genoeg gepland, eigen schuld.
Financiële problemen? Grote kans dat het komt door onbetaalbare huizenprijzen en steeds hogere kosten van levensonderhoud, maar mensen krijgen daarentegen het gevoel mee dat ze zelf slecht met geld om kunnen gaan. Want hoe doen anderen dat dan?
En stress van werk? Gewoon beter leren omgaan met druk, misschien met een psycholoog erbij, wordt te gemakkelijk geopperd.
Niet verwonderlijk nam afgelopen jaren het aantal mental coaches en yogaleraren toe. Inmiddels telt Nederland meer coaches en therapeuten dan basisschoolleraren.
Geen progressieven
Waar de overheid ooit zekerheid bood, treffen mensen nu steeds vaker gesloten loketten of een digitaal doolhof. En als het echt misgaat blijkt het vangnet vol gaten te zitten en steeds dunner en smaller te worden.
Waar we problemen voorheen collectief probeerden op te lossen, voelen mensen zich nu gedwongen individueel oplossingen te vinden voor de problemen waar we allemaal last van hebben. Sterker nog: mensen zijn gaan geloven dat dit is zoals het moet.
Onderwijs zou een plek moeten zijn waar je de tijd krijgt om met kennis en vaardigheden te worden verrijkt
Het begint met het onderwijs. Daar waar we zouden moeten streven naar gelijke kansen, zitten we gevangen in een individualistisch, prestatiegericht systeem waarin kinderen al heel vroeg een stempeltje krijgen. Steeds meer ouders (áls ze het kunnen betalen) kiezen voor bijles op jonge leeftijd om de voorsprong van hun kind te vergroten.
Tegelijk zien we dat één op de zeven kinderen inmiddels is aangewezen op een vorm van jeugdzorg, vaak als gevolg van stressgerelateerde klachten, waar dat begin deze eeuw nog één op de 27 kinderen was.
Onderwijs zou een plek moeten zijn waar je de tijd krijgt om met kennis en vaardigheden te worden verrijkt, in plaats van dat je moet dealen met ziekmakende stress.
En die stress zet zich voort op de arbeidsmarkt. Dat vooral vrouwen tussen de 30 en 40 jaar uitvallen, is niet gek. Moeders zijn gemiddeld afgelopen jaren 19 uur per week meer gaan werken, terwijl vaders maar 0,4 uur meer zijn gaan zorgen. In een land waar de kinderopvang niet collectief is geregeld, maar is overgelaten aan de markt, met een hoog prijskaartje als gevolg, is het niet vreemd dat zoveel mensen onderuitgaan.
En zolang de ‘succes is een keuze’-fabel dominant blijft, zolang wij naar onszelf en naar elkaar wijzen wanneer het niet lukt, blijven degenen die baat hebben bij de stress-samenleving buiten schot.
We hebben ons collectief laten aanpraten dat veel dingen die eigenlijk onacceptabel zijn, nou eenmaal voldongen, onveranderbare feiten zijn. Dat huizenprijzen van vijf ton de norm zijn, waardoor velen tot de nek in de schulden zitten. Dat permanente druk er nou eenmaal bij hoort.
Het huidige minderheidskabinet gaat door op de oude neoliberale voet. Het gelooft nog steeds dat mensen moeten worden ‘geprikkeld’ om niet afhankelijk te worden van een uitkering. Dat mensen er blijkbaar voor kiezen om ziek te worden. Het kabinet zet het mes diep in de sociale zekerheid, in de WW, de WIA, de AOW. Mensen moeten langer doorwerken, meer zelf dragen en kunnen minder rekenen op collectieve voorzieningen. Wie ziek wordt, kan minder rekenen op compassie. Wie een kind krijgt, betaalt zelf de rekening.
Het zijn vaak juist de maatschappelijke beroepen (verpleegkundigen, docenten, buschauffeurs) die onze samenleving draaiende houden die financieel en maatschappelijk onvoldoende worden gewaardeerd en het hardst worden geraakt.
Het moge duidelijk zijn: aan de onderhandeltafel voor het nieuwe coalitieakkoord zaten geen progressieve sociaaldemocraten.
Nulsomdenken
De gevolgen van deze individualistische, prestatiegerichte manier van denken zijn breder dan alleen de vergroting van de sociaaleconomische kloof in onze samenleving. Het zorgt ook voor toenemende polarisatie: tussen winnaars en verliezers. Tussen wie door mazzel en steun vanuit de omgeving minder hard hoeft te rennen en voor wie dat niet geldt. De samenleving als individuele wedstrijd, vol met stress en ongezonde competitie, leidt tot nulsomdenken.
En nulsomdenken is een voedingsbodem voor populisme en rechtsextremisme, schrijft hoogleraar Catherine de Vries in het boek De symfonie van onvrede.
Nulsomdenken is precies het tegenovergestelde van samen sterker. Het gaat ervan uit dat er maar één winnaar kan zijn en dat als een ander iets krijgt, jij dat niet krijgt. Dus als een erkend vluchteling een woning krijgt omdat je nou eenmaal niet voor altijd in een azc kan wonen en ook niet terug kan naar het land van herkomst omdat je daar bewezen levensgevaar loopt, dan ziet een nulsomdenker dat als de oorzaak van het tekort aan woningen.
De overheid speelt dus een grote rol bij de daaruit voortvloeiende polarisatie
De echte oorzaak van tekort aan betaalbare woningen, is dat er veel te lang te weinig is gebouwd. Corporaties moesten torenhoge verhuurdersheffing betalen en veel goedkope woningen kwamen in handen van commerciële pandjesbazen. Als we volkshuisvesting niet hadden ingeruild voor woningmarkt, zoals de liberalen zo graag wilden, dan was er genoeg geweest voor iedereen.
De overheid speelt dus een grote rol bij de daaruit voortvloeiende polarisatie. De Vries beschrijft dat wanneer de overheid zich terugtrekt en mensen zich niet meer beschermd voelen, er ruimte ontstaat voor wantrouwen en politieke onvrede. In zulke omstandigheden vinden antidemocratische sentimenten vruchtbare grond, waar radicale en extreemrechtse politici gretig munt uit slaan.
Een meer ontspannen samenleving
Wat voor samenleving willen wij zijn? Het is de vraag die in ieder geval het startpunt is van alle progressieve en sociaaldemocratische politiek. Het leidt tot de benodigde verbeeldingskracht dat het anders kan, dat we er ons niet bij hoeven neer te leggen.
Het is niet de eerste keer dat onze samenleving vastloopt omdat mensen het niet meer volhouden. Denk aan de sociale kwestie eind negentiende, begin twintigste eeuw, aan de druk van uitputtend werk, armoede en het gebrek aan bescherming die precies tot dezelfde vraag leidt: hoe lang houden we een samenleving nog bij elkaar als mensen eraan onderdoor gaan?
Ons progressieve antwoord toen was even helder als eenvoudig: solidariteit organiseren, samen sterker staan.
Nu staan we opnieuw voor de vraag: willen we een samenleving waarin we allemaal steeds harder gaan rennen totdat we allemaal uitgeput en uit elkaar gespeeld zijn? Of willen we een meer ontspannen samenleving, waarin iedereen de ruimte heeft om te leven, te zorgen en zich te ontwikkelen?
Een meer ontspannen samenleving betekent allereerst bouwen aan een sterke verzorgingsstaat die mensen beschermt tegen tegenslag en die rust biedt. Zekerheid is immers een voorwaarde voor een fijn en goed leven. Als mensen weten dat ze niet alleen worden opgevangen als het misgaat, maar ook geholpen worden om weer overeind te komen, dan verdwijnt een groot deel van de stress.
Als wethouder onderwijs, armoedebestrijding en jeugdzorg in Amsterdam probeerde ik ook steeds te bedenken hoe we het voor mensen makkelijker in plaats van moeilijker konden maken. Stress in huishoudens voorkomen en bedwingen werd een van mijn speerpunten. Zo zetten we de familieschool op waar we niet alleen zorgden voor het beste onderwijs voor de kinderen, maar ook zo veel mogelijk rust in de thuissituatie probeerden te brengen. Door bijvoorbeeld financiële problemen aan te pakken, ouders te helpen aan een opleiding of aan werk, of door hulp te bieden bij huisvestings- of opvoedingsproblemen of een onveilige thuissituatie.
Het werkte enorm goed. Leraren zagen hun leerlingen tot rust komen zodat het lesgeven beter lukte, schooldirecteuren zagen minder incidenten met ouders, ouders waren ongelofelijk dankbaar voor de hulp die ze kregen en gingen meer doen voor de school van hun kinderen. Toen ik vertrok als wethouder hadden we inmiddels al 40 familiescholen en hadden veel andere gemeenten in Nederland dit concept overgenomen. De reden dat familiescholen zo goed werken is eigenlijk simpel. Je sluit aan bij de leefwereld van mensen. Op een plek waar ze elke dag al komen, en waar ze vertrouwen in hebben. Het kán, maar je moet het wel doen.
Een meer ontspannen samenleving vraagt om eerlijke politieke keuzes. Mensen moeten erop kunnen vertrouwen dat zij niet hoeven te vechten en met elkaar concurreren voor wat een fundamenteel grondrecht is, een dak boven je hoofd, goed onderwijs, liefdevolle zorg.
Uiteraard kost zo’n verzorgingsstaat wat, maar het levert ook veel op. In een meer ontspannen samenleving worden mensen minder snel ziek, is er minder verzuim, hebben mensen meer tijd om mantelzorg te verlenen aan hun geliefden. Ofwel: een verzorgingsstaat waarin mensen zich gezien en geholpen voelen, voorkomt gevoelens van individueel falen die van ons allemaal concurrenten maakt in een voortdurende wedstrijd. Het creëert daarmee ook een buffer tegen opkomend radicaal- en extreemrechts gedachtegoed dat welig tiert op gevoelens van onzekerheid en competitie, en beschermt zo dus onze democratie.
Dus laten we werk maken van wat waardevol is in onze samenleving. Laten we nou eindelijk eens zorgen voor gratis kinderopvang, maar dan wel voor álle kinderen en zonder winstoogmerk, zodat ouders de zorgtaken eerlijk kunnen delen. Laten we zorgen dat onze volkshuisvesting aansluit bij wat gewone mensen kunnen betalen die niet de jackpot hebben gewonnen, zodat ze zich niet in torenhoge schulden hoeven te steken.
Collectiviteit
De progressieve beweging moet hoop en geloof in collectieve vooruitgang tegenover het individualistische defaitisme zetten. We zullen in de beste traditie van onze beweging een ander perspectief moeten laten zien dan het dominante verhaal van ‘succes is een keuze’. We moeten afrekenen met het idee dat mensen er alleen voor staan.
Tegenover een samenleving die alles individualiseert, heeft progressieve politiek altijd het idee van collectiviteit gezet: het besef dat we problemen samen oplossen. Dat we daar niet ieder afzonderlijk maar gezamenlijk verantwoordelijkheid voor dragen. En dat vooruitgang alleen mogelijk is als we elkaar vasthouden. Dus moeten we het niet hebben over hardwerkende Nederlanders, maar over samenwerkend Nederland.
Deze tijd laat zien dat de progressieve strijd steeds weer opnieuw gestreden moet worden
Dat is geen abstract ideaal. We hebben het eerder gedaan. De politieke keuzes die wij samen maken bepalen hoe we ons dagelijks leven kunnen leven. Of we opgejaagd worden of ruimte voelen, of we onzeker zijn of vertrouwen hebben in de toekomst.
Of we kiezen voor een eindeloze wedloop waarin we doorgaan tot we erbij neervallen. Of dat we elkaar in staat stellen om ten volle te leven: door tijd te hebben voor onszelf en anderen, om te genieten, om ons te ontwikkelen, om de ruimte te hebben om te doen wat echt van waarde is.
Deze tijd laat zien dat de progressieve strijd steeds weer opnieuw moet worden gestreden, voor vrijheid, gelijkwaardigheid en rechtvaardigheid, om te behouden wat van waarde is en om te veranderen wat veranderd moet worden.
De geschiedenis laat ons zien dat elke verandering begint met een ideaal hoe het anders kan. En door je vervolgens te verenigen om dat ideaal te bewerkstelligen. Progressief Nederland is pas net begonnen. Maar we staan in een rijke traditie.





