‘Een iconisch beeld’, volgens Trouw. De foto van een aangespoeld kindje. Dood, als een weggesmeten lappenpop, in de branding op het Turkse strand.

Aylan Kurdi, heet hij. Drie jaar oud. Kleine voeten, kleine handen, spekkige armpjes en kuitjes – zoals die een peuter zo goed staan – en in een broek waarin hij nog kan groeien. ‘Het gezicht van alle bootvluchtelingen die Europa proberen te bereiken.’ De golven rukken aan zijn rode shirtje, dat door het zoute water pas gewassen lijkt. Zijn stille voetjes trekken sporen in het zand.

Aylan kwam uit Kobani, een Koerdische stad in het noorden van Syrië. Vlak bij de grens, die hij niet over mocht. Hij kende zijn kleine, korte leven lang niet anders dan oorlog. De PYD, de Syrische tak van PKK, en IS voeren al maanden een bloederige strijd om Kobani. Geen vierkante meter is er nog veilig.

Hij zat op de boot met twintig andere vluchtelingen. ‘Trek je rode shirt maar aan,’ had zijn moeder vast gezegd. ‘Dan verliezen we je niet uit het oog.’ De zee slokte zijn broertje op, en zijn moeder. Vader zou nog leven. Het rode shirtje riep een Turkse hulpverlener. Die tilde de kleine man op en nam hem mee. Mee naar de overkant.

‘Tja, we zijn aan het verhuizen,’ zei CU-leider Arie Slob. ‘We gaan van een groter naar een kleiner pand. Het is nu niet de situatie om over dit soort dingen na te denken.’ Wat een pech, die timing. In tijden van verhuizing zit je natuurlijk net even niet op een vluchteling te wachten. ‘Nee, eh…’ De stressvlekken op Slobs hals zijn rood als het shirtje van de kleine Aylan. ‘Ik heb het nog niet overwogen.’

‘Practice what you preach,’ zegt partijgenote Schouten. Hallelujah! ‘Maar ja, ik heb een puber en ik ben vaak weg. Dit plan is niet voor iedereen weggelegd.’ Collega Segers vindt het even lastig. Twee van zijn drie dochters zouden dan, misschien, een kamer moeten delen, zodat de vluchteling naar bed kan. ‘Ik maak nu geen harde belofte om iemand in huis te nemen,’ hakkelt Segers. ‘Maar wel de belofte om het aan de keukentafel te bespreken.’ Bij mevrouw Dik is helaas ook geen ruimte voor een asielzoeker. ‘Dat hangt natuurlijk helemaal af van je thuissituatie.’ Maar! ‘Ik heb het zeker overwogen.’

Kamerlid Voordewindt heeft de vrome inborst van zijn Christenunie-partijgenoten danig onderschat. Zijn voorstel Nederland met hart en ziel te motiveren een asielzoeker in huis te nemen, was bij nader inzien misschien wat enthousiast. Heel stilletjes, uit het zicht en het gehoor, ontglipt hem een vloekje. Want, potjandrie: bij hem thuis kan het gemakkelijk! ‘Onze zoon is net getrouwd, dus we hebben een kamer vrij.’ Alleen mevrouw Voordewindt wil nog niet zo meewerken. ‘We zijn nog in discussie’, zegt hij.

In Zeewolde staan de bedden klaar. Gipswalletjes scheiden het ene stapelbed van het andere. Een wastafel, een toilet, een stoeltje. Dicht op elkaar, als een triplex doolhof, het dak tientallen meters boven tot waar de kamermuren reiken. Het is wachten op de vluchtelingen. Vaders, moeders, zoons, dochters. Meisjes waarvan er zeker twee van de drie een bed zullen moeten delen.

Het is natuurlijk gemakkelijk, het verwijten. Maar ik denk dat een verwijt hier op z’n plaats is. Een passieve, vooral afhoudende, reactie op een oproep van een kamerlid en partijgenoot lijkt mij op dit moment onhandig en ongepast. Het in huis nemen van een vluchteling is dapper, moedig en zal ik niet durven ontmoedigen, maar een structurele oplossing blijft uit. De partij moedigt enerzijds aan een vluchteling in huis te nemen, en weigert anderzijds het goede voorbeeld te geven. Dat steekt. Dat men geen vluchteling in huis wil of kan, soit. Maar roep dan de ander niet op dat wel te doen.

Kindjes in Nederlandse ziekenhuizen kunnen voortaan worden verdoofd met lachgas. Ze komen in een lichte, onschuldige roes, en enige angst en pijn blijft hen bespaard. Misschien kriebelt het even, en snappen ze bij het wakker worden even niet waar ze zijn. Op het zachte ziekenhuiskussen, in een nieuwe pyjama – misschien wel rood – en aan de hand van mama, papa, broer en zus, smelten nachtmerries over storm op zee, de oorlog en de dood als sneeuw voor de zon. ‘Wat heb ik lekker gedroomd, dank je wel en tot de volgende keer’.