Gisteravond werd in De Balie in Amsterdam het boek De Belofte van Pieter Hilhorst gepresenteerd: een mea culpa, waarin termen als ‘mislukt’, ‘falen’ en ‘teleurstelling’ de boventoon voeren.

En toen, plotseling, was Pieter Hilhorst, zijn standing kwijt. Niks aan te doen. Niet eens zo lang daarvoor was hij aangetreden als de nieuwe wonderboy van de PvdA in de Amsterdamse gemeentepolitiek. Maar standing kun je volgens Hilhorst nu eenmaal niet opeisen of heroveren. Het is even ongrijpbaar als ‘vertrouwen’ en ook even onmisbaar, zeker voor iemand die een stad wil besturen of als lijsttrekker van een politieke partij de macht wil behouden. Het werd hem pas duidelijk tijdens de campagne voor de gemeenteraadsverkiezingen van vorig jaar. Er verschenen nog ‘een paar mooie portretten en reportages’, schrijft Hilhorst over zijn mislukking als politicus. Maar het was al te laat.

Het was verleidelijk geweest om de zwarte bladzijde om te slaan en nooit meer terug te kijken, schrijft Hilhorst in zijn inleiding van De Belofte; Over macht, idealisme en politiek, dat vandaag verschijnt bij uitgeverij De Bezige Bij. Hilhorst werd vanuit het niets in de Amsterdamse gemeentepolitiek geparachuteerd als opvolger van Lodewijk Asscher die vice-premier werd. Als politieke buitenstaander werd Hilhorst wethouder van Onderwijs en Financiën en daarna ook de lokale lijsttrekker. Dat avontuur eindigde in een historische nederlaag van de PvdA, waardoor die partij voor het eerst sinds achtenzestig jaar geen rol meer speelt in het bestuur van de hoofdstad.

Hilhorst besloot dus wél om te kijken, opdat andere idealisten lering kunnen trekken uit zijn politieke avontuur. De politicoloog, columnist en toneelschrijver was eerst, na enig aarzelen, speechschrijver geworden voor Lodewijk Asscher. En bij het voorbereiden van een van die toespraken ‘vroeg Lodewijk pardoes of ik niet zelf de speeches wilde houden die ik schreef.’ Hilhorst streefde al lang naar wat hij een ‘politiek van nabijheid’ noemde en pleitte voor ‘sociaal doe-het-zelven’, voor ‘samenredzaamheid’ van de burgers. Nu was er de kans om zijn idealen via de politiek te kunnen verwezenlijken.

De erfenis van zijn voorganger Lodewijk Asscher bestond onder andere uit diens onderwijsbeleid. Asscher weigerde zich neer te leggen bij het idee dat er nu eenmaal ‘zwakke basisscholen’ bestaan. Het was een beleid waarvoor Hilhorst grote bewondering had, dat hij ook voortzette en dat resultaat opleverde, al probeerde D66-wethouder Kukenheim het positieve rapport over het beleid-Asscher recent nog krampachtig in haar bureaula te houden. Het gevolg was wel dat Hilhorst naar eigen zeggen in de schaduw van Lodewijk Asscher bleef staan. ‘Dat was niet zijn schuld, maar de mijne. Ik heb me nooit zichtbaar van hem losgemaakt.’

Een andere erfenis van zijn voorganger was een belastingdienst zonder voldoende controle. Op vrijdag 13 december 2013, een dag na een vrolijke eindejaarsborrel, werd duidelijk dat de hoofdstedelijke computer een komma verkeerd had geplaatst en dat naar Amsterdammers met een woonkostentoeslag in plaats van 1,88 miljoen in totaal 188 miljoen is overgemaakt. Er ontstond een ‘flitscrisis’, die voor chaos zorgde en waarvan de ernst niet snel genoeg tot Hilhorst doordrong, schrijft hij. In zijn eerste openbare reactie noemde hij het ‘een hele vervelende fout’ en wekte daarmee de indruk dat hij de blunder niet serieus genoeg nam. Hoewel de gemeente Amsterdam uiteindelijk 99 procent van de 188 miljoen wist terug te halen, betekende de al te royale uitkering van de belastingdienst het einde van zijn geloofwaardigheid als wethouder van Financiën.

De Belofte van Hilhorst is een uitgebreid mea culpa, waarin termen als ‘mislukt’, ‘falen’ en ‘teleurstelling’ de boventoon voeren. Met hem als lijsttrekker deed de PvdA het misschien niet slechter dan elders, maar het verlies van vijf van de vijftien zetels kwam hard aan. De ex-politicus concludeert dat hij toch verder uit de schaduw van zijn bewonderde voorganger had moeten stappen en dat hij het wethouderschap van Financiën misschien beter had kunnen afslaan. En tenslotte dat hij een ‘betere duiding’ had moeten geven aan ‘bepaalde gebeurtenissen’. Zoals die blunder van de belastingdienst. ‘Dat was vette pech.’