Zijn familie was nooit zo onder de indruk van wat hij deed. Gaat zijn muziekprogramma daar iets aan veranderen? Paul Witteman: ‘Faalangst is mij niet vreemd.’

Het verlangen om te dirigeren was er altijd. Jarenlang stond hij als jongetje voor de spiegel met zijn handen te zwaaien, vertelt Paul Witteman. Dan hoorde hij op de radio een symfonie van Beethoven en beeldde hij zich in dat achter de spiegel een orkest speelde waarvan hij de dirigent was. Zo vermaakte hij zich urenlang, alleen in zijn kamer.

Als hij over klassieke muziek praat, lichten zijn ogen even op; heldere, waakzame ogen in een gegroefd gezicht. Hij zit kaarsrecht aan de eettafel in zijn klassiek ingerichte herenhuis in Haarlem. Op een bruine Bechstein-vleugel prijkt het bronzen borstbeeld van een vrouw.

Toen ik die ochtend binnenkwam, klonk een ingetogen cantate op Radio 4. Witteman (68) neuriede er iets opgewekters doorheen toen hij even later in de keuken koffie ging zetten, als om het laatste restje stilte te verdrijven. Ik tuurde naar de tuin en verbaasde me over de vele rijpe peren die ongeplukt aan de kale takken van een boom hingen; minstens zovele lagen tussen de herfstbladeren op de grond.

Spijt
‘Ik heb spijt,’ was het eerste dat hij zei toen hij – tengere gestalte, geruisloze tred – met dampende kopjes de woonkamer inliep. ‘Ik heb spijt dat ik in mijn persbericht heb aangekondigd met Pauw & Witteman te stoppen wegens vermoeidheid. Toen de alom bewierookte Jeremy Paxman zei met Newsnight te stoppen omdat hij op een christelijk tijdstip naar bed wilde, vond men dat normaal. Maar ik kreeg iedereen over me heen: jeetje, waarom?’

Over die vermoeidheid is hij wel uitgepraat, zegt hij, en hij voelt zich een stuk fitter nu. Het scheelt dat ik andere thema’s in gedachten had toen ik hem twee jaar geleden voor dit interview benaderde.

Nu hij gestopt is met Pauw & Witteman is het tijd voor zijn grote liefde: de klassieke muziek. Daarover maakt hij op dit moment een programma voor de NPO dat volgend jaar op televisie komt. Stammend uit het muzikale Andriessengeslacht dat befaamde componisten en musici voortbracht, heeft hij er nooit een geheim van gemaakt: hij droomde van een carrière in de muziek, maar het werd de journalistiek. Ter compensatie schreef hij Volkskrant-columns en vier bestsellers over klassieke muziek.

‘Ik mis de adrenaline en reuring helemaal niet. Ik ben nu 68 en bevind me in een andere fase’

Als bekroond journalist en programmamaker bereikte Witteman het maximale. Hij begon bij dagblad De Tijd, de Nieuwe Haarlemse Courant en Elseviers Magazine en maakte een tijdlang radio. In 1987 brak hij door als presentator en eindredacteur van VARA’s actualiteitenrubriek Achter het Nieuws, dat 3,4 miljoen kijkers trok. Binnengehaald door Marcel van Dam was hij aanvankelijk een vreemde eend in de bijt met zijn keurige dictie en katholieke achtergrond, maar als snel roemde hij de ‘nestwarmte’; hij zou de VARA nooit meer verlaten. Vlijmscherp en immer correct ondervroeg hij politici voor onder meer Nova en Buitenhof, dat hij nu weer presenteert. Met zijn onkreukbare imago en natuurlijke gezag is hij uitgegroeid tot het huismerk van de publieke omroep, en een machtige mediafiguur: iedereen wil door hem geïnterviewd worden, zeker voor een primetime programma als Pauw & Witteman.

Het is vast wennen om na turbulente jaren nu meer in de luwte te werken.
Resoluut: ‘Ik mis de adrenaline en reuring helemaal niet. Ik ben nu 68 en bevind me in een andere fase. Ik heb met volle teugen genoten van P&W. Een dagelijkse talkshow is het mooiste wat je kan doen. Iedereen die je uitnodigt, wil in jouw programma. Ik vond het erg leuk om met Jeroen te werken en de redactie bestond uit leuke mensen, grotendeels vrouwen met een prettig luchtig gevoel voor actualiteit. We hadden acht jaar waanzinnige kijkcijfers, dus de stemming steeg. Het leukste vond ik om na afloop met ontspannen politici een borrel te drinken.’

Hij stopt even. ‘Dat was ook het probleem,’ vervolgt hij. ‘Ik kwam ’s avonds veel te laat thuis, ook niet leuk voor mijn vriendin. Ik sliep te weinig. Alles wat ik zo leuk vond, ging ik gewoon vinden. Op een gegeven moment was de charme eraf. Ik raakte mijn scherpte kwijt.’

Vrees
Hij hikte al een jaar tegen het opzeggen van zijn medewerking aan. ‘Ik had best in het harnas willen sterven, maar als je je werk niet meer goed kan doen, moet je stoppen. In de eerste afleveringen zat ik er een stuk adremmer bij dan tegen het eind.’

Foto: Alek
Foto: Alek

Tot zijn contract bij de VARA eind 2015 afloopt wil hij ‘zo veel mogelijk leuke dingen’ doen. Hij is bezig met drie televisieprogramma’s. ‘Het paradoxale is dat ik nu harder werk, maar dat mensen prestatie afmeten aan hoe vaak ik op televisie ben. Ik hoor geregeld: je hebt het vast lekker rustig!’ Het klassieke-muziekprogramma was een lang gekoesterde wens. Daarin ontvangt hij straks nieuw talent, maar bovenal: er wordt muziek gemaakt. ‘Eindelijk kan ik tien minuten klassieke muziek laten zien en horen. Dat is ongekend lang voor televisie! Ik leg dan bijvoorbeeld uit wat de rol van de cello is in Beethovens strijkkwartet 130, en dat Beethoven stokdoof was toen hij het schreef. Ik vond de adrenaline en aandacht van een breed publiek altijd verleidelijk, maar het stond op gespannen voet met mijn opdracht om inhoud te brengen. Ik had het onbevredigend gevonden om mijn carrière met Pauw & Witteman te eindigen. Nu kan ik eindelijk de programma’s maken die ik altijd al wilde maken.’

Dan kijkt hij zorgelijk. ‘Waar ik wel aan heb moeten wennen: bij zo’n muziekprogramma kelderen de kijkcijfers ravijnsgewijs. Ik heb mijn vrees bij mijn leidinggevende uitgesproken. “Zelfs na vier minuten Bach haken de mensen af,” zei ik. Toen sprak hij de gedenkwaardige woorden: “Dat kan me niet schelen, ik wil dat programma.” Of hij zich eraan houdt, weet ik niet. Hij heeft het wel gezegd in aanwezigheid van vier andere mensen.’

Die zorg had hij als presentator van kijkcijferkanon P&W minder. Jaar in jaar uit werkte een team van dertig redacteuren zich een slag in de rondte om de gast van de dag te strikken. Iedereen die er toe doet, van beleidsmaker tot A-ster, verscheen in de late night talkshow die vaak het gesprek van de dag erna bepaalde. Het beruchte briefje van Bleker aan de jonge asielzoeker Mauro was een historisch televisiemoment. Maar soms leek Witteman een beetje verdwaald in het programma, als bedachtzame wederhelft van de springerige, provocatieve Pauw. Als Gordon zijn bulderende lach weer eens over de tafel liet schallen, droop het ongemak van hem af.

Een grapje
‘Ik moest eerlijk gezegd wel lachen om de man,’ zegt Witteman droogjes. Hij herinnert zich nog dat Gordon net weer vrijgezel was en Pauw hem tijdens de uitzending vroeg of hij zich niet eenzaam voelde. Witteman: ‘Ik zei als grap: jij kunt toch wel een meisje krijgen? Gordon keek me stomverbaasd aan, zo van: zou hij niet weten dat ik homoseksueel ben? Daarop zijn veel reacties gekomen: dat krijg je als je een man als Witteman zo’n programma laat presenteren, die weet gewoon niet wie Gordon is. Ik heb die mensen er niet van kunnen overtuigen dat het een grapje was.’ Hij lacht.

Wat is ‘zo’n man als Witteman’?
‘Saai! Mensen zien mij als saai, niet op de hoogte van de lichte kant van het leven.’

En?
‘Dat lijkt me een misverstand.’

‘Natuurlijk interviewen Jeroen en ik afzonderlijk beter’

Uit zijn eigen kring kwam veel kritiek op zijn carrièrestap. ‘Toen ik bij P&W begon, was ik dé nieuwsinterviewer van Nederland. Mijn omgeving was niet mild en waarschuwde me dat P&W mijn reputatie zou schaden. Dat veranderde bij een miljoen kijkers, maar de mensen die me goed kennen, zoals mijn kinderen (drie uit twee vorige relaties, red.) zeggen nu nog: blijf bij je kwaliteiten van serieuze journalist. Zij denken dat ik er gelukkiger van word en meer bijdraag aan de kwaliteit van de journalistiek.’

Hij haalt zijn schouders op. ‘Tegen hen zeg ik: er is meer dan de Nipkowschijf winnen, namelijk leuk werk. Ik ben niet zo nobel dat ik alleen een betere samenleving of journalistiek nastreef. Het was verfrissend om eens andere gasten aan tafel te hebben dan topbestuurders. Ik heb nooit spijt gehad van mijn keus.’

Achter de schermen poogde Witteman de journalistieke ethiek te bewaken, beschrijft redacteur Rachel Franse in haar onlangs verschenen boek De slag om de gast. Zo sprak hij zijn veto uit tegen de komst van agressieve voetbalhooligans naar de studio, om uiteindelijk alsnog overstag te gaan. ‘Mijn grens was bereikt,’ zegt hij daarover. ‘Had ik het programma in mijn eentje gemaakt, dan was dat niet doorgegaan. Een item moet niet te ordinair zijn en naast effect ook inhoud nastreven.’

Toch was het de politieke redactie die Pauw en Witteman meer dan eens preste om politici steviger te ondervragen, schrijft politiek redacteur Peter Kee in Het briefje van Bleker. Maar Witteman blijft erbij dat het alsmaar doorvragen of iemand minister-president wil worden als je toch geen antwoord krijgt zo’n talkshow voor een breed publiek niet erg interessant maakt. Dat zijn befaamde interviewkwaliteiten soms minder uit de verf kwamen, nam hij op de koop toe.

‘Natuurlijk interviewen Jeroen en ik afzonderlijk beter,’ zegt hij. ‘Dat is de prijs die je betaalt voor een duo-presentatie. Dan moet je vooral op elkaar reageren, tempo maken en zorgen dat de sfeer erin zit. Voor Buitenhof bereid ik me met mijn redactie dagen van tevoren voor op de uitzending. Als ik de redactie van P&W ’s ochtends belde, was het vaak: we hebben nog niks, maar het komt goed. Dan las ik ’s middags een boek of keek ik een dvd en dat was de voorbereiding. Je begrijpt: dat kan niet elke keer een Pulitzer-prijswinnend interview worden.’

Is dat uw streven, zo’n prijs?
‘Nou, ik heb prijzen genoeg gewonnen. Maar waardering blijft belangrijk, in welke vorm dan ook.’

Is die van uw familie en vrienden na de prijzenregen niet voldoende?
‘Daar zeg je wat. Mijn familie is niet zo onder de indruk van wat ik doe. Of zij zich straks aangesproken zullen voelen door mijn muziekprogramma dat als mainstream wordt aangeduid… Ze weten zoveel meer van muziek, ik heb ze niet zoveel te vertellen.’

Op zijn columns en boeken over klassieke muziek kwam zelden respons, zegt hij. Scheutiger was zijn familie met commentaar op tv-optredens. Zo liet Witteman eens als gast in De Wereld Draait Door een concertfragment van Ravel horen: eerst een inleidend stuk piano, dan een adembenemend lange stilte en plotseling, uit het niets, de heel hoge noot van een fluit. ‘Dat vind ik de mooiste noot van de muziek,’ zegt hij aangedaan. ‘Zó ongehoord, zo bevrijdend.’

Maar het pianospel werd in DWDD aanzienlijk ingekort, wat het effect van de fluit teniet deed, tot afgrijzen van zijn familie: ‘Je had mijn broer moeten horen.’ Hij imiteert hem met luide stem: ‘Waardeloos, dat je hebt toegestaan om zoiets moois zo te verpesten! Ik zei: wees blij dat anderhalf miljoen mensen iets van Ravel horen. Waarop mijn broer antwoordde: kan me niet schelen, je gaat ook geen drum onder de Matthaüs Passion zetten! Daarin heeft hij gelijk. Ik ben benieuwd wat hij van mijn muziekprogramma zal vinden.’

Paul Witteman groeide op onder de bruine vleugel van zijn moeder. Daar zat hij te luisteren of de Donald Duck te lezen terwijl zij speelde. ‘Veel anders zat er voor mij niet op. Ik was een nakomertje van zeven. Mijn oudere broers waren niet geïnteresseerd in zo’n jongetje, ik deed niet mee aan de gesprekken.’

Hij herinnert zich eigenlijk alleen de muziek van zijn katholieke jeugd in Overveen, ‘toen een armzalig dorp’ bij Haarlem. Op zondag zong hij er als koorknaap in de kerk waar hij de orgelwerken van Bach hoorde – zijn god. Zijn vader behoorde als advocaat en KVP-politicus (hij was kort minister van Binnenlandse Zaken) tot de notabelen. Zijn moeder, een Andriessen, voedde zeven kinderen op en speelde op haar vleugel alles wat voorhanden was. De Andriessens kwamen vaak over de vloer: oom Hendrik en oom Mari, Pauls neven Louis en Jurriaan, later bekende componisten. Verder waren er geen invloeden van buitenaf. Alle kinderen musiceerden. Voor muziek was alle ruimte, voor woorden des te minder. ‘Er werd gezwegen, ook aan tafel tijdens het avondeten. Dan stond de grammofoon met klassieke muziek aan. Relativering en humor waren royaal aanwezig, maar ik herinner me weinig warmte of emotie. Het was ieder voor zich. Pas toen ik op mijn vijftiende bij vriendjes thuis kwam, realiseerde ik me hoezeer ik een gezinssfeer miste.’

‘Dat Mozart een genie werd, kwam vooral doordat zijn vader hem vanaf zijn geboorte met muziek bestookte’

Muziek smoorde elk verdriet en elke vreugde. En er viel nogal wat te smoren. De oorlog, waar Witteman als nakomertje weinig van heeft meegekregen, maar vooral de suïcide van zijn grootvader: ‘De vader van mijn vader was schoenmaker. Onder in zijn huis aan de Nieuwendammerdijk in Nieuwendam maakte hij schoenen. Op een dag stond het IJ zo hoog dat de kelder onderliep en al het leer bedierf. Hij ging failliet en pleegde zelfmoord, volgens sommige broers en zussen.’ Zijn vader moest op zijn 23ste financieel zorgen voor al zijn broers en zussen. ‘Hij nam zijn moeder bij ons in huis, een catastrofe. Ze pestte de kinderen aan wie ze een hekel had en helaas zat ik daarbij. Vanaf haar etage boven ons wierp ze een schaduw over mijn moeders leven en dat van ons. Ze stierf pas toen het gezinsleven grotendeels voorbij was.’

Dat Witteman op de hbs tweemaal bleef zitten, daar waar in het intellectuele gezin alleen gymnasium telde, bevorderde de band ook niet. ‘Mijn vader vond me een mislukking, althans, zo voelde ik dat. We hadden geen contact. En ik slaagde ook al niet als musicus. Dan viel je bij ons thuis al af en deed je er niet toe.’

Zijn positie als muzikaal buitenbeentje blijft hem bezighouden. In zijn Boekenweekessay Erfstukken uit 2006 ontrafelt hij de mythe van het wonderkind. Aanleiding is de discussie die hij met een broer voert over de erfelijkheid van muzikaliteit. ‘Mijn muzikale broer is ervan overtuigd dat muzikaliteit erfelijk is. Daarmee zegt hij eigenlijk dat hij de ontvanger van de heilige muziek is, en ik, met mijn dyslexie voor muzieknoten, afwijkend ben. Onzin. Dat Mozart een genie werd, kwam vooral doordat zijn vader hem vanaf zijn geboorte met muziek bestookte.’ Na een stilte: ‘Mijn ouders hoefden niet erg hun best te doen om me de schoonheid van het klassieke repertoire bij te brengen, dat ging spelenderwijs.’

Op 6 maart 2002 boekte Pim Fortuyn een glorieuze overwinning bij de Rotterdamse gemeenteraadsverkiezingen. ’s Avonds was het historische televisiedebat met de lijsttrekkers voor de Tweede Kamerverkiezingen op televisie. Vol triomf blies Fortuyn de tot in zijn tenen getergde Ad Melkert omver. Paul Witteman stond erbij en keek ernaar, ook toen Melkert hem desperaat vroeg om in te grijpen. Witteman: ‘Zodra ik hoorde van Fortuyns zetelwinst, besloot ik: hij wordt de man van het lijsttrekkersdebat en ik laat hem flink aan het woord. Ik voelde dat er een aardverschuiving gaande was in de politiek, het einde van Paars was in zicht.’ Tussen Melkert en Witteman kwam het nooit meer goed, ook niet na twee lunchgesprekken. ‘Hij verwijt me nog steeds partijdigheid. Dat slaat nergens op.’ Het debat is hoe dan ook het belangrijkste moment in zijn carrière, zegt Witteman. ‘Of ik er trots op ben, weet ik niet, maar als je over vijftig jaar mijn naam intikt, dan kom je hier uit.’

Thuis had Witteman zijn vader geregeld met andere politici ‘begeesterd’ horen discussiëren. Hij zat er als jongetje met een ijsje naast te luisteren. Zodra hij journalist was, nam hij zich voor de politiek te verslaan. Het waren de jaren zeventig vol linkse idealen als spreiding van kennis, macht en inkomen, die in het notabelengezin weinig weerklank vonden. ‘De politieke bevlogenheid droop van me af,’ zegt Witteman. ‘Het was een inspirerende tijd, veel inspirerender dan nu. Wie had toen gedacht dat de VVD en de PvdA ooit samen zouden regeren? Er zijn nog maar weinig idealen over.’
Hij was een groot liefhebber van Hans van Mierlo, vertelt hij, ‘een muzische persoonlijkheid.’

Welke politicus inspireert u nu?
Hij barst in lachen uit. ‘Nou, jezus, haha!’ Stilte. ‘Cohen heeft die mildheid, afgezien van zijn gebreken. Ik heb nog altijd veel waardering voor politici, maar charismatische leiders als Bolkestein, Lubbers of Den Uyl zijn er niet meer.’ Bij iemand als Den Uyl voelde hij zich wel eens klein. ‘Vergeleken bij het intellectuele discours onder die generatie politici was mijn werk tamelijk opportunistisch. Den Uyl wilde de wereld verbeteren, en al wat ik deed, was mensen bij elkaar zetten en ervoor zorgen dat ze met elkaar in debat gingen. Op het scherp van de snede, dat wel.’

‘Voor iemand van de hbs en de stadskrant, van wie je je afvraagt of het nog goed komt, heb ik het niet slecht gedaan’

Gevraagd naar andere hoogtepunten in zijn carrière verzandt hij in twijfel. Was het zijn programma over de psychiatrie of toch de Zilveren Nipkowschijf? Elk wapenfeit weerlegt hij direct met zelfkritiek. Zijn gesprek met Gorbatsjov was mooi, maar ja, daar zat dan weer een tolk bij. ‘Ik beheers mijn talen onvoldoende, een belangrijke tekortkoming als interviewer. Ik heb wel eens gedroomd dat ik een interview plotseling in het Engels moest doen en compleet voor joker stond. Een nachtmerrie. Faalangst is mij niet vreemd.’

Adriaan van Dis met zijn diepgravende interviews en internationale gasten noemt hij zijn voorbeeld. ‘Zulke interviews zou ik natuurlijk heel graag gemaakt willen hebben,’ mijmert hij.

Dan: ‘Ik vind het maken van een dagelijkse late night talkshow voor zo’n breed publiek op zich een prestatie. Het was een reuze succes. Maar ja, dat wordt over het algemeen minder gevonden, en was ook het werk van een complete redactie…’ Stilte. ‘Nou ja, voor iemand van de hbs en de stadskrant, van wie je je afvraagt of het nog goed komt, heb ik het niet slecht gedaan.’

Kijkcijfers
In de boeken van ex-redacteuren is te lezen hoe gepreoccupeerd hij was met de kijkcijfers was. ’s Ochtends liep hij de getallen na. ’s Middags bestudeerde hij op de redactie ook nog de grafiek van het kijkersgedrag. Nee nee nee, zijn eigenwaarde hangt niet af van kijkcijfers, benadrukt Witteman. ‘Kijkcijfers zijn belangrijk voor het voortbestaan van je programma, ze geven zekerheid,’ zegt hij. ‘En het is vooral een digitaal compliment. Ik heb lang bovenin alle populariteitspolls gestaan als presentator, zelfs boven Hennie Huisman die toen furore maakte. Dat is niet meer zo, dat zou ook gek zijn. Ik lijd daar niet onder. Al kun je je, als je van twee naar drie zakt, wel afvragen: wat doe ik verkeerd? Maar als ik het in mijn hoofd haalde om er voortdurend aan te refereren, brachten de mensen om me heen de broodnodige relativering.’ Een tikje geërgerd: ‘Als ik hier als een mokkend iemand met heimwee zou terugkijken op de in tijdschriften verkondigde victorie, dan zou ik een sneu persoon zijn. En je wilt geen sneu persoon zijn.’

Toen u begin veertig was, zei u in een interview dat u bang was dat het feest ineens zou zijn afgelopen, dat u als een jongetje naar binnen zou worden geroepen tijdens het buitenspelen.
‘Ik wilde het succes dat me kwam aanwaaien vasthouden. Maar dat was toen. Stel dat ik ontevreden zou zijn…’ Snel: ‘En ik ben niet ontevreden, want ik krijg meer kansen dan wie dan ook en ik kijk met grote dankbaarheid terug. Ik heb alle reden om tevreden te zijn.’

Foto: Alek
Foto: Alek

Hij zal het in het gesprek vaker herhalen, als een geruststellende mantra. Zijn doel als journalist heeft hij in elk geval bereikt: ‘Ik wilde dicht bij de macht komen en de parlementaire journalistiek was mijn manier. Ik vond het een eer om politici aan te spreken op hun verantwoordelijkheid, en mijn taak. Een kritisch vraaggesprek over het landsbelang van bepaalde beslissingen is relevant voor iedereen. Ik, die aan tafel nooit iets te zeggen had, telde eindelijk mee. Niet iedere journalist spreekt wekelijks de minister-president. En als interviewer in een primetime televisieprogramma heb je de grootste invloed op de politiek.’

Zouden uw ouders u als gevierd televisiejournalist nu wel hebben gewaardeerd?
‘Ehm, dat is moeilijk te zeggen. Mijn moeder stelde weinig eisen, die was al blij dat ik de hbs haalde en mijn brood verdiende. Mijn vader stelde intellectuele eisen waarvan hij ook nu nog zou vinden dat ik er niet aan voldeed. Hij had de hoop opgegeven dat er in mij een troonopvolger van hem zou schuilen, een advocaat of politicus. Televisie vond hij onzin.’

Vorige maand leidde Witteman ter nagedachtenis aan Harry Mulisch een rondetafelgesprek voor diens vrienden. Hij herinnerde zich de begrafenis met de emotionele speeches die vier jaar geleden rechtstreeks op televisie uitgezonden werd. ‘Ineens betrapte ik me op de gedachte: er zitten nu maar veertig mensen in die zaal.’ Stilte. ‘Zo gaan die dingen. Ik vind het een bedroevend idee om in de vergetelheid te raken. Zelfs als er een monument voor me zou worden opgericht, zou ik denken: ik wil geen monument, ik wil gewoon niet dood!’ Van een ‘alles doordrenkende hypochondrie’ heeft hij geen last meer sinds zijn prostaatkanker vier jaar geleden succesvol werd behandeld. Maar de doodsangst die hem achtervolgt sinds twee broers op hun vijftigste overleden, blijft, en is in deze levensfase misschien wel verhevigd. ‘Ik heb weerzin tegen de dood,’ zegt hij. ‘Ik zie de dood als een fout van de schepping, if any.’

‘Muziek helpt mij mijn stemmingen te verhevigen of juist te bestrijden’

Sommige mensen vrezen de dood hevig omdat de miskenning loert of iets onvoldaan is in hun leven, hoe prettig het ook lijkt voort te kabbelen.
Fel: ‘Nou, voortkabbelen vind ik een tamelijk denigrerende opmerking voor het meeslepende bestaan dat ik leid!’

Ik bedoelde het niet denigrerend. Hoe zou u het liever omschrijven?
‘Van het leven genieten. Dat is wat ik absoluut doe! Ik heb ontzettend leuk werk en daar geniet ik van, ik geniet van mijn vriendin die ook ontzettend leuk werk heeft, ik geniet van mijn kinderen en kleinkinderen, ik geniet van de muziek. Nou, dat tikt toch aardig aan?! Dat kun je niet groots en meeslepend vinden, maar dat kan zich ook in je hoofd afspelen.’

Ik bedoelde niet dat ik uw leven niet groots en meeslepend vind. Vindt u misschien uw eigen leven niet groots en meeslepend?
‘Nou, ik zag je wel zo kijken, van: is dit het dan? Ik verzet me tegen al die mensen die zeggen dat je pas leeft als je de halve wereld over bent gereisd. Het leven speelt zich in je hoofd af. Wat telt, is je intellect om dingen te begrijpen en je vermogen om gevoelens te hebben en te delen.’

In de plooi
Zijn bedachtzame, neutrale uitstraling wordt geroemd. Ook vanochtend maakt hij een uiterst gecontroleerde indruk. Zijn gezicht blijft in de plooi, ongeacht wat hij vertelt. Zijn stem geeft meer prijs, als je goed luistert.

Foto: Alek
Foto: Alek

Het is niet zoals Witteman zichzelf graag ziet. ‘Zelf denk ik dat bij mij juist de emotie overheerst, al zullen een heleboel mensen zeggen: hij liegt! Dat komt door het soort vraaggesprekken dat ik op televisie voer. Want vertel ik in DWDD over muziek, dan hoor ik altijd: jeetje, nu zien we een heel andere kant van jou. Die emotionele kant is er dus wel.’

Volgens zijn broer is hij een echte Andriessen, en afgaand op Wittemans reactie is dat geen compliment. ‘Mijn broer zegt dat omdat de Andriessens volgens hem rationeel en afstandelijk zijn, meer dan de boerse Wittemannen. Ik lijk volgens hem op mijn moeder.’ Hij tuurt naar het borstbeeld van haar op de vleugel, door haar broer Mari Andriessen gemaakt. Maar het mooiste erfstuk is wel het beeldje in de boekenkast. ‘Dit vind ik een heel erg mooi beeldje,’ zegt hij plotseling zacht met het bronzen figuurtje in zijn handen. Zijn gezicht ontspant. ‘Het is mijn moeder die een boek leest toen ze zestien was. Het is zo klein, en toch herken ik haar. Door die blik. Die is strak. Ze hield niet van hoogoplopende emoties, van groot en meeslepend. Ze had een hekel aan pathetiek. Stel je niet aan, was haar onuitgesproken boodschap. Als ik een vriendin met korte rok mee naar huis nam, zei ze alleen: “Oe, kouwe klus!” Om haar te pesten, zei ik wel eens: vind je dat niet een ontzettend lekker wijf? Dan trok ze helemaal weg van ellende.’

Rubber zeventien
Hij lacht smakelijk. ‘Ik deed het vanwege dat gezicht, dat noemden we thuis “rubber zeventien”. Ze had voor elke gelegenheid een ander masker. Rubber zeventien betekende dat ze iets wat gezegd was niet tot zich wilde nemen. Dat masker zagen we het meest.’

Pas nadat zijn vader was overleden, lukte het hem meer contact met haar te krijgen. ‘Zolang hij leefde, was zij de vrouw van mijn vader, onzichtbaar voor ons. Onze opvatting is dat ze haar carrière als pianiste heeft opgeofferd voor het gezin, ook omdat ze geen uitgetekende moederkloek was. Ze kwam uit dat muzikale gezin dat barstte van het talent en ineens zat ze, veel te jong, in een groot, koud huis in Overveen met zeven kinderen. Je zegt natuurlijk niet als moeder als je doodgaat: ik had het liever anders gedaan. Maar ik sluit het niet uit.’

Als Paul Witteman niet geleefd wordt door de waan van de dag, trekt de muziek hem terug in zijn jeugd. ‘Ik hoef de radio maar aan te zetten of het klavier van de vleugel aan te raken – dat doe ik alleen als niemand me hoort, ik speel heel slecht – of ik denk aan mijn familie. Dan zit ik hier in gedachten met mijn overleden broer Frans te musiceren, haal ik herinneringen op.’

Laatst zette hij Schumanns Etudes Symphoniques op. ‘Pats! Daar zat ik weer met mijn moeder aan tafel te luisteren, zonder mijn vader. Ze had een biefstuk gebakken en ik dacht: wat een geweldig pianostuk. Er gingen gevoelens over en weer zonder dat we een woord spraken. Dat besef ik nu: er waren wél emoties. Ik heb geleerd ze in mijn eentje op te roepen en te beleven. Muziek helpt mij mijn stemmingen te verhevigen of juist te bestrijden. Dankzij de muziek kan ik tot de kern van mijn gevoelsleven komen.’

Afscheid van Pauw en Witteman

Na de laatste uitzending schreef onze toenmalige mediacolumnist Elma Drayer een kort eerbetoon. ‘Bij mij, ik verklap geen geheim, kon Pauw & Witteman geen kwaad doen.’ De hele column leest u hier.