Geruststellende gedachte: Paul Cliteur, hoogleraar rechtsfilosofie in Leiden, voorzitter van het Renaissance Instituut, het wetenschappelijk bureau van het piepjonge Forum voor Democratie en een van de samenstellers van de bundel Cultuurmarxisme. Er waart een spook door Europa is geen complotdenker. Althans, dat zegt Paul Cliteur.

De rechtsgeleerde gelooft niet dat op linkse topconferenties geheime afspraken worden gemaakt over het omverwerpen van de democratie, dat de publieke omroep en de grote kranten bewust Geert Wilders en Thierry Baudet in een kwaad daglicht stellen en dat vaststaat dat de P.C. Hooft-prijs moet worden uitgereikt aan NRC-medewerkers als Bas Heijne. Het is eigenlijk veel erger, betoogt hij: er is een sluipende ontwikkeling gaande waardoor een monsterverbond van marxisten en islamisten de macht dreigt over te nemen op de universiteiten en in de media. Gevaarlijk, want dat kan het einde van de democratie inluiden. Wie dat opmerkt, ‘is niet paranoïde, maar beter ziende’.

Ik ken Paul Cliteur al een jaar of wat. We komen elkaar weleens tegen in Amsterdam-Zuid en mijn dochter Natascha heeft vroeger nog op zijn dochter Valery gepast. Hij is een interessante gesprekspartner en het zij hem vergeven dat hij het partijcongres van het Forum voor Democratie in de RAI toesprak met een vergiet op zijn hoofd (uit protest tegen politieagentes die een hoofddoekje mogen dragen, als ik het goed heb begrepen).

paul cliteur
Foto: Bram Petraeus / HH

Maar het boek dat hij samen met uitgever Perry Pierik en filosoof en antifeminist Jesper Jansen heeft geredigeerd, las ik met stijgende verbazing. In Cultuurmarxisme komen namelijk wel degelijk heel wat complotgekkies aan het woord. Het is driehonderd pagina’s lang van dik hout zaagt men planken.

Groteske vormen

Een polemiek tegen het ‘cultuurmarxisme’ is een gewaagde onderneming omdat ik eigenlijk niemand ken die zich ‘cultuurmarxist’ noemt. Het is een containerbegrip, van toepassing op zulke uiteenlopende groepen als babyboomers die in de jaren zestig de verbeelding aan de macht wilden brengen, feministen die zich niet verzetten tegen de vrouwvijandige islam en zwarte activisten die ons Sinterklaasfeest om zeep willen helpen. Je hoeft jezelf geen ‘cultuurmarxist’ te noemen om er toch één te zijn.

Soms neemt die neiging van alles en nog wat onder de noemer ‘cultuurmarxisme’ te brengen groteske vormen aan. Zo verklaart historicus en oud-VVD-raadslid in Duiven Sid Lukassen de toename van het aantal echtscheidingen uit het communistische streven om het familiegevoel te ondermijnen, wat me een tikkeltje vergezocht lijkt. Derk Jan Eppink (oud-Europarlementariër en oud-rechterhand van Frits Bolkestein) noemt de Europese Unie een cultuurmarxistisch project – ik vermoed dat de gemiddelde wegbezuinigde Griekse vuilnisman daar toch heel anders tegenaan kijkt.

Volgens socioloog Eric Hendriks houden linkse babyboomers maar ook antiracisme-activisten als Gloria Wekker en Sylvana Simons er even totalitaire ideeën op na als de Rode Gardisten die in het China van Mao Zedong dood en verderf zaaiden. Een vergelijking waartegen ik als oud-studentenactivist in Amsterdam toch echt protest moet aantekenen. Er vloog hier weleens een steen door de ruit van een Amerikaans bedrijf, maar miljoenen doden hebben we, anders dan Mao, echt niet op ons geweten.

Het spijt me voor Paul Cliteur maar voor het grootste deel van zijn bundel geldt: paranoia strikes deep.

Paul Cliteur, Jesper Jansen en Perry Pierik (red.), Cultuurmarxisme. Er waart een spook door Europa, Aspekt, 305 p., € 18,95