Kalasjnikovs, voetbal en Rolls Royces: enkele Tsjetsjeense ervaringen van schrijver Pieter Waterdrinker.

Persoonlijk wist ik het al op 9 november. Om precies te zijn in de pauze van het galaconcert ter ere van onze koning en koningin in de Grote Zaal van het Tsjaikovski Conservatorium in Moskou, na het door het Concertgebouworkest wervelend uitgevoerde derde pianoconcert van Beethoven.

‘Je mag het tegen niemand zeggen, maar de jongens en meisjes van Greenpeace komen nog vóór het nieuwe jaar vrij.’ Dat het hier mogelijk koehandel betrof, kwam geen seconde bij mij op.

Wie mij bovenstaande vertelde, kan ik helaas niet zeggen, zoals de parlementaire journalisten van NRC Handelsblad en De Telegraaf ook hun bron niet konden noemen toen ze onlangs onthulden dat de gevangenschap van de Greenpeace-activisten een rol heeft gespeeld bij de Nederlandse afvaardiging naar Sotsji. Het kabinet zou al in het najaar een zware delegatie hebben beloofd aan het Kremlin om de Russen met het oog op een vrijlating gunstig te stemmen. NRC sprak van ‘betrokkenen die niet met naam genoemd willen worden’.

Het regeringsbesluit werd meteen door hevige verontwaardiging en kritiek getroffen. De homobelangenorganisatie COC verklaarde ‘diep, diep teleurgesteld’ te zijn en probeerde, in haar verbijstering, het tij te keren met een petitie; die kreeg meteen een lawine aan handtekeningen.

Arthur Japin smeekte in een open brief aan premier Rutte in de Volkskrant om mee te mogen naar Sotsji. ‘Opdat ik straks met een gerust geweten kan roepen: “Leve Sotsji!”’ Sympathiek. Ik ben altijd een warm voorstander van de dialoog geweest. Maar dat in de delegatie dan ook op zijn minst één Nederlandse kansarme Marokkaan zal moeten worden opgenomen (hun lotgenoten in Rusland worden dikwijls als menselijk vee mishandeld en gedeporteerd) en zeker ook één kind met het syndroom van Down (nog steeds worden duizenden Russische kinderen met deze geboorteafwijking als beesten weggeborgen) vergat Japin helaas te melden. De schending van de mensenrechten betreft in Rusland namelijk niet alleen homo’s, maar talloos veel miljoenen anderen. Ik werp me bij dezen, beste Mark Rutte, op als tweede romancier ter verluchtiging van uw zware delegatie, om niet alleen de homorechten maar ook die van andere Russen in Sotsji te bepleiten. Ik kan putten uit ruim een kwart eeuw bittere ervaring en betrokkenheid.

Op hoog niveau
Koning, koningin, premier en minister van Sport staan op 7 februari dus bij de openingsceremonie in de stralenkrans van tsaar Vladimir Poetin op de tribune van het Olympisch stadion in Sotsji, de subtropische parel van deze Russische Sierra Nevada, waar de ogen van de wereld op zullen zijn gericht. En misschien nu dus ook Arthur Japin en ik.

Is de hoge delegatie naar Sotsji, voor zover de samenstelling althans bekend is, werkelijk het resultaat van de onder meer door NRC gesuggereerde koehandel op hoog niveau? Premier Rutte, die meteen door de Tweede Kamer ter verantwoording werd geroepen, ontkende het. Zijn koene kompaan op Buitenlandse Zaken, Frans Timmermans, eveneens. We kunnen hen slechts op hun woord geloven. En dat doe ik ook. Mijn indruk intussen is dat we veel dingen niet weten en nooit zullen weten. Tenzij het toeval een rol speelt. Ik doe een graai in de trommel van mijn persoonlijke ervaringen.

‘We schieten jullie dood en we begraven jullie, begrepen?’

In gijzeling genomen
Op een dag in de zomer van 2011 werd ik vanuit de Tsjetsjeense hoofdstad Grozny gebeld door twee vrienden die al vele jaren in Rusland zaken doen. Nederlanders, beiden vloeiend Russisch sprekend. Het type ondernemer waarop de vorige premier Jan-Peter Balkenende het keurmerk ‘VOC–mentaliteit’ zou hebben geplakt. En aardige gozers bovendien. Ze waren in Grozny als uitvoerder betrokken bij een mega-bouwproject, maar ze waren in de problemen gekomen. Dat wil zeggen: met letterlijk het pistool op de slaap werden ze gedwongen hun oude contract te verscheuren en een nieuw contract te ondertekenen, waarbij ze er een klein fortuin bij zouden inschieten. ‘We schieten jullie dood en we begraven jullie, begrepen? My vas streljajem i zakapajem. Ponjatno?’

Ze boden weerstand aan deze psychische terreur; ze weigerden het nieuwe contract te ondertekenen. Toen waren zekere maffiose kringen in Grozny overgegaan tot een andere maatregel: hun paspoort werd afgenomen, hun flat dag en nacht bewaakt door gewapende boeven, ze konden nergens naartoe. En al helemaal niet ontvluchten naar het vliegveld. Ze waren – om het anders te zeggen – in gijzeling genomen. Via Skype op hun laptop hadden ze nog wel contact met de buitenwereld. ‘Pieter, Petja, je moet ons helpen,’ sprak één van de vrienden, ‘we zitten al weken vast. We kunnen geen kant op. Kun jij bepaalde types niet eens gaan bellen? En je praat er toch met niemand van de pers over hè? Als die er lucht van krijgen, dan gaat onze kop eraf.’ Ik vroeg of ze contact hadden opgenomen met de ambassadeur in Moskou, Ron Keller. Dat was het geval. Ze gaven me een lijst van telefoonnummers van lieden over de gehele Kaukasus die ik namens hen zou moeten benaderen. Zo kreeg ik zomaar een soort bemiddelingsrol. Ik weet niet wat u zou doen, maar ik ben gewend mijn vrienden in nood te helpen.

Eerst besloot ik echter de ambassadeur te bellen. Toen ik met hem werd doorverbonden schrok Keller (thans onze eerste man in Ankara) aan de andere kant van de lijn hoorbaar. Dat najaar zou premier Rutte naar Moskou komen, met in zijn kielzog een zware handelsdelegatie. Behalve dat er miljardendeals zouden worden gesloten (zoals die voor de bouw van een olieterminal in de haven van Rotterdam) zouden tijdens het bezoek de puntjes op de i worden gezet over het naderende Neder­lands-Russische Vriendschaps­jaar. Kort ervoor was er in het diepste geheim een Nederlandse diplomaat Moskou uitgezet. Een kidnapzaak van Nederlanders in Tsjetsjenië zou het bezoek met bittere gal overgieten.

‘Hoe weet je dit allemaal?’ vroeg de ambassadeur.

‘Het zijn mijn vrienden,’ zei ik. ‘Ik zal er alles aan doen om ze te helpen. Nee, jullie hoeven niet bang te zijn dat ik erover schrijf. Het zijn mijn vrienden. Ik ben daar verdomme toch niet gek!’

Het multifunctionele cultuurpaleis in Grozny in aanbouw. De twee gegijzelde Nederlanders bouwden aan het park eromheen. Foto: Said Tcarnaev/HH
Het multifunctionele cultuurpaleis in Grozny in aanbouw. De twee gegijzelde Nederlanders bouwden aan het park eromheen. Foto: Said Tcarnaev/HH

De hele Tsjetsjeense junta
Drie maanden ervoor, half maart, was ik voor een privébezoek naar Grozny gevlogen, waarbij ik de bewuste Nederlanders had opgezocht. Ik had hun bouwactiviteiten aanschouwd, ze waren bezig aan een park rond een paleis. Wat ik daarvan persoonlijk vond en vind, of je wel kan werken voor een lokale autocraat als Kadyrov die mensenrechten vertrapt en overduidelijk bloed aan zijn handen heeft, doet hier nu even niet ter zake. Maar ik wil u niet onthouden wat aan hun rondleiding vooraf ging.

Hoewel voetbal mij volledig koud laat, was ik wel benieuwd naar de drijfveren en de persoon van Ruud Gullit, die toen aan het begin stond van zijn carrière als trainer van Terek Grozny. Lokale kennissen hadden vervoer voor me geregeld en zo reed ik van het vliegveld in een auto, langs een haag van pantserwagens en sluipschutters meteen naar het Bilimchanov-stadion, de plaats waar op 9 mei 2004 de vader van de Tsjetsjeense leider Ramzan Kadyrov tijdens de parade ter gelegenheid van de Dag der Overwinning op het Fascisme werd opgeblazen. Door een bom die al tijden eerder onder zijn stoel was vervat in licht beton. Als er iets is dat het Kremlin nu vreest in Sotsji, dan is het wel dit: dat explosieven niet door islamitische bomgordelvrouwen of andere terroristen een stadion, treinstation of andere openbare locatie worden binnengesmokkeld, maar dat deze ondanks de draconische veiligheidsmaatregelen (iedere vrachtwagen ging bij de Olympische bouw door een reusachtige poort met een X-ray) er reeds liggen.

Hoe precies, dat voert hier te ver, maar een uur nadat ik in Grozny was geland, stond ik in de presidentiële skybox. Daar zat Ruud Gullit, gulzig etend van een tros blauwe druiven, naast de lokale potentaat Ramzan Kadyrov te kijken naar een oefenwedstrijd; op dezelfde plek waar acht jaar eerder de bom was afgegaan. De volgende dag zou Gullit als coach van Terek zijn debuut maken tegen Zenit uit Sint-Petersburg. Het is maar goed dat hij toen niet hoorde wat er allemaal over hem werd geroepen in het geval hij de pot zou verliezen. ‘De Russen noemen ons “zwarten”, maar hij daar, voor de duivel, is pas écht zwart,’ mompelde een hoge militair met een zonnebril op. De hele Tsjetsjeense junta stond er. Ik moest plots denken aan de vader van Edwin Rutten, alias Ome Willem, wiens vader in nazi-Duitsland een beroemd cineast was en die op een dag zomaar in één kamer stond met Adolf Hitler. Het kwam hem later nogal op kritiek te staan. Zou nu ook mij hoon in Nederland geworden?

Gullit glimlachte voortdurend. Hij had geen idee waar hij verzeild was geraakt

Zeven Rolls Royces
Ik voelde me vies in dit gezelschap, maar vond het tegelijkertijd interessant. Op een gegeven moment vroeg een vriendelijke grijze man waar ik overnachtte. Ik zei dat ik nog geen hotelkamer in Grozny had. De man bleek de Tsjetsjeense minister van Sport. En zo kreeg ik de ministeriële suite in het nabijgelegen spelershotel, waar ook Gullit en zijn manschappen sliepen. Gullit glimlachte voortdurend. Hij had geen idee waar hij verzeild was geraakt. Van hem leerde ik toen dat het beste antwoord op totaal onbegrip van de wereld om je heen is: de glimlach.

Hij glimlachte ook toen ik even later met hem en nog een paar lieden aan tafel werd genood, vol thee, bronwater, lokale lekkernijen en een overdaad aan zoetigheden. Aan het hoofd zat de tweede of derde man van wat officieel heet de Russische deelrepubliek Tsjetsjenië. Hij was een oud-guerrillastrijder die er prat op ging dat hij honderden Russen persoonlijk koud had gemaakt in de Tweede Tsjetsjeense oorlog tegen Moskou rond 2000. Dezelfde Russen die nu het regime waarvan hij deel uitmaakte in het zadel hielden, met letterlijk vliegtuigen vol baar geld vanuit Moskou. Hij bezat naar eigen zeggen zeven Rolls Royces, liet zijn zijden kousen (met initialen) vervaardigen in Florence en vroeg elke disgenoot hoeveel auto’s die had en hoeveel hij verdiende.

‘En jij daar! Hé, professor!’ vroeg de geheel in zwart geklede voormalige krijgsheer mij als laatste. ‘Hoeveel auto’s heb jij?’

‘Drie,’ verzon ik, hoewel ik überhaupt geen auto heb.

‘En wat verdien je in de maand?’

‘Dertig…’ Ik wilde wederom niet bij de rest van het gezelschap achterblijven. ‘Ik verdien dertigduizend dollar in de maand.’

‘Wat? Zo weinig?’ De hoge Tsjetsjeen keek me medelijdend aan. Hij liet een doos komen met een poes erin. De poes was voor Gullit, als mascotte. En o wee – de staatsman maakte een gebaar naar zijn heupen, waar zijn pistool in een holster zat – als hij er in de competitie met zijn elftal een potje van maakte. Ze hadden niet voor niets miljoenen voor hem betaald!

‘Wat zegt-ie?’ Vol gespeelde vrolijkheid keek Gullit me aan.

‘Hij zegt dat je goed voor de poes moet zorgen,’ zei ik.

Zoals de voetbalminnaars onder u ongetwijfeld weten verloor Terek Grozny de volgende dag de eerste wedstrijd uit de competitie van Zenit met 0-1. Scheldend en tierend droop Kadyrov snel af uit het stadion, zijn zwarte gepantserde Mercedes in. Hij werd gevolgd door zwarte Jeeps met zwaarbewapende militairen, alsof het oorlog was. Ik ontsnapte meteen aan het gekkenhuis, naar mijn ministeriële suite in het spelershotel, waar Gullit en zijn team die nacht niet meer zouden slapen. Ze vlogen meteen door naar Kislovodsk, het Russische Baden-Baden in de Kaukasus.

Ze blaften dat ze een vrijbrief hadden om iedereen hier neer te knallen

Waar lul je over?
Om twaalf uur werd ik wakker van een vent met een Kalasjnikov die op de drempel van mijn kamer stond. Ik schreeuwde wat, geschrokken. Meteen was de schim weer weg. Exact hetzelfde herhaalde zich even later. Ik sliep in. Toen ik de volgende ochtend vroeg opstond en naar beneden ging voor het ontbijt, bleek het hele spelershotel verlaten. En erger: het was potdicht afgesloten. Op de balie naast de telefoon stond een bordje. Op het bordje stond: ‘In geval van nood bellen: 999.’ Ik belde de drie negens. In een kabinet, vijf meter verderop, ging de telefoon over. Nergens was een sleutel te bekennen. Toen ik uiteindelijk in de keuken van het hotel een raampje vond dat open was, liep ik terug naar mijn kamer en wurmde me even later met mijn rolkoffertje naar buiten.

‘Voor de duivel, klootzak! Wat doe je daar!’ Drie jonge Tsjetsjenen in gevechtstenue, op een binnenplaats waarvan de metershoge muren met prikkeldraad waren afgezet, hielden hun mitrailleurs op mij gericht. ‘Hé, klootzak, wie ben je? Wat doe je hier?’ Ze waren nerveus. Van mijn oorlogservaring weet ik (ofschoon zelf een zenuwpees) dat nervositeit met kalmte tegemoet dient te worden getreden. Ik vertelde wie ik was: een kennis van Gullit, van hun nieuwe ster! De kersverse trainer van Terek!

‘Wie? Waar lul je over?’ Ze hadden geen idee wie Gullit was. Ze blaften dat ze een vrijbrief hadden om iedereen hier zomaar neer te knallen. Dit was zwaar bewaakt terrein. Ik wist toch wel wat hier acht jaar geleden was gebeurd? ‘En wat praat je raar voor een Rus! Wie ben je?’

Er werd een commandant bij gehaald; na een half uur soebatten werd ik vrijgelaten.

Terek Grozny-Zenit Sint Petersburg: 0-1. Kadyrov droop na de wedstrijd woedend af. Foto: Mikhail Galuston/Redux/HH
Terek Grozny-Zenit Sint Petersburg: 0-1. Kadyrov droop na de wedstrijd woedend af. Foto: Mikhail Galuston/Redux/HH

Maanden pizza’s
Zo kwam ik veel te laat aan op de bouwplaats van mijn Nederlandse vrienden, die het verhaal geamuseerd aanhoorden. ‘Ach, in de jaren negentig,’ zei één van hen, ‘werden buitenlanders buiten de stad onthoofd teruggevonden. Het is hier nog steeds moeilijk werken hoor. Maar er valt mee te leven. Tsjetsjenië maakt honderd procent deel uit van de Russische Federatie. Een land waarmee Nederland honderd procent diplomatieke banden heeft. We zijn dus beschermd. Bovendien hebben we goede contacten met De Chef. Alles gaat hier via De Chef…’
De Chef, dat was Kadyrov.

Maar ondanks deze goede contacten liep het enkele weken later alsnog fout. Kort nadat Gullit – na de zoveelste nederlaag – half juni door een woedende Kadyrov de laan werd uitgestuurd en via een schimmig figuur in Zwitserland de rest van zijn geld moest zien te krijgen, werden mijn twee Nederlandse vrienden in gijzeling genomen. Ze leefden maanden op pizza’s en illegaal naar binnen gesmokkeld lauw bier. Er was geen duidelijke eis. Het ging allang niet meer over het contract, ze werden gewoon gevangen gehouden, als represaille voor beledigde islamitische eer, wat de situatie alleen nog maar gecompliceerder maakte.

De Russische zomer dat jaar was heet en lang. Af en toe belde ik voor mijn vrienden per Skype met een paar Tsjetsjenen, om ‘namens de internationale media’ te vragen waarom ze precies vast zaten. En wanneer ze weer vrij kwamen. Maar het haalde niets uit. Ik stelde mijn collega’s Michel Krielaars, Arnout Brouwers, Kysia Hekster en Olaf Koens op de hoogte. Ik speelde open kaart: allen beloofden in het belang van de Nederlanders, die ook zij weleens in de kroeg hadden gezien, te zwijgen.

8 februari 2011: de Tsjetsjeense rebellenleider Doku Oemarov eist de aanslag op het Moskouse vliegveld Domodedovo op, waabij 36 mensen omkwamen. Foto: Itar-Tass/Corbis/HH
8 februari 2011: de Tsjetsjeense rebellenleider Doku Oemarov eist de aanslag op het Moskouse vliegveld Domodedovo op, waabij 36 mensen omkwamen. Foto: Itar-Tass/Corbis/HH

Jardin secret
De gijzelaars in Grozny, beiden met gezinnen en jonge kinderen in Nederland, werden stilaan wanhopig. Ze begonnen ambassadeur Keller ook ’s nachts op zijn mobiel te bellen. Dat vond hij natuurlijk niet prettig. Hij was terecht bevreesd dat de zaak uit de hand zou lopen, een schandaal zou worden, zeker toen The New York Times lucht kreeg van de kwestie; het bezoek van Rutte kwam steeds naderbij. Wat te doen? Onno Elderenbosch, de tweede man op de ambassade die ooit de gijzeling van Arjan Erkel in Dagestan succesvol had afgehandeld en die vorig jaar plots wereldnieuws werd toen hij in zijn appartement in Moskou werd gekneveld, deed goed werk op het Russische ministerie van Buitenlandse Zaken. Want ook daar zaten ze natuurlijk met de zaak in hun maag.

Ambassadeur Keller en Den Haag moeten koortsachtig overleg hebben gehad over de gijzelkwestie. Vlak voor het bezoek van Rutte aan Moskou in oktober werd de zaak opgelost. Poetin zelf schijnt de telefoon te hebben gepakt en Kadyrov iets te hebben toegevoegd in de trant van: ‘En nou is het afgelopen met die gekkigheid! Laat die twee Nederlanders onmiddellijk vrij!’ Een paar dagen later trof ik mijn vrienden, hevig aangeslagen en afgevallen, in Moskou in de kroeg. Na maanden afwezigheid keerden ze daags erna terug naar hun gezinnen in Nederland.

Zou Rutte Poetin destijds van tevoren hebben gebeld en hebben gedreigd niet naar Moskou te komen als de Nederlander nog in Grozny vastzaten? Het lijkt me zeer onwaarschijnlijk. Maar het zou kunnen. Het zou ook niet kunnen. We weten het eenvoudig niet, zoals de kwestie met Greenpeace en Sotsji ook veel blinde vlekken heeft. Maar heeft goede diplomatie (net als een goed huwelijk) om te kunnen functioneren niet een aantal blinde vlekken nodig? Een jardin secret, zoals de Fransen zeggen?

Het spel in de Kaukasus komt met Sotsji niet ten einde, het is nog maar pas begonnen

Twee vijanden
Nu het koningspaar binnenkort naar Sotsji gaat, zijn de ogen eens te meer gevestigd op de veiligheid in het gebied. Over de stuntelige pogingen van de AIVD – die kennelijk hierop vorig jaar al had geanticipeerd – om Nederlandse journalisten in Moskou te werven, die Den Haag op dit punt zouden moeten voeden, zal ik hier maar zwijgen. Het is aan de betrokkenen zelf om daar op een dag een boekje over open te doen.

Intussen dreigt de kwestie van de veiligheid in de Kaukasus in de internationale pers te worden afgeschilderd in bijna ondraaglijke stereotypen. Het beeld is grosso modo als volgt: aan de ene kant hebben we het Kremlin, dat de afgelopen jaren keihard heeft opgetreden tegen iedere vorm van separatisme in de Kaukasus, aan de andere kant de Tsjetsjeense rebellenleider Doku Oemarov, die streeft naar de stichting van een kalifaat in de Kaukasus. Vorig jaar al kondigde hij een terreurcampagne aan in Sotsji. ‘We zullen niet toestaan dat er wordt gefeest op de grond waarin de botten van onze voorouders liggen begraven.’ Het is dan ook niet vreemd dat meteen na de twee gruwelijke recente aanslagen in Volgograd, waarbij 34 mensen om het leven kwamen, wereldwijd met de vinger werd gewezen naar deze bloeddorstige islamitische bandiet, als zou hij proefdraaien voor Sotsji. Volgens sommige berichten is hij overigens allang door de Russen geliquideerd.

Maar niemand weet intussen wie er werkelijk achter de aanslagen zit. Ten eerste krioelt het in de regio, vooral in Dagestan, van elkaar bevechtende moslimleiders die hooguit hun koude haat voor Moskou met elkaar gemeen hebben. Nu het economische minder gaat en Rusland kampt met financiële tekorten, dreigt de geldkraan naar de Kaukasus stap voor stap te worden dichtgedraaid. Politicoloog Nikolaj Petrov wees er vorige week in de Russische pers op dat het heel wel mogelijk is dat personen die baat hebben bij deze geldstroom achter de aanslagen zitten. In dat geval zou Poetin niet te maken hebben met één binnenlandse vijand (het moslimseparatisme), maar met twee, namelijk ook met lieden binnen zijn eigen bestuurlijke elite.

Duivels dilemma
Helaas is het klimaat in Nederland op dit moment zodanig dat iedere poging tot nuance van het optreden van Poetin terstond wordt opgevat als een apologie. Toch doe ik een poging. Als de verwikkelingen rond de veiligheid van Sotsji één ding duidelijk hebben gemaakt, is het dat Poetin met de gehele Kaukasus eigenlijk behoorlijk in zijn maag zit. Het gebied is een erfenis van de Sovjet-Unie, of liever: van de tsarentijd. Het is geen geheim dat veel Russen de regio liever kwijt dan rijk zijn. Zou het Kremlin daaraan toegeven, dan is ook de deconfiture van andere delen van Rusland vermoedelijk een feit. Uit hoofde daarvan is de politiek van Poetin misschien niet te rechtvaardigen, maar wel te begrijpen.

In Amsterdam-West heeft het gemeentebestuur te kampen met enkele duizenden kansloze, slecht opgeleide en tot criminaliteit vervallende allochtone jongeren. Het welvarende Nederland slaagt er maar niet in die kwestie op te lossen. Poetin heeft in de zuidelijke Kaukasische onderbuik niet te maken met enkele duizenden, maar met enkele miljoenen kansloze, slecht opgeleide, naar de criminaliteit en de extreme islam neigende jongeren. De beroerde sociale en economische politiek van het Kremlin de afgelopen jaren in het gebied, alsook zijn excessieve militaire optreden tegen vaak onschuldigen in de Kaukasus, zijn daar zeker debet aan.

Maar niet alleen. Armoede en moslimextremisme zijn wereldwijde fenomenen. Het is voor Poetin een duivels dilemma. Zou hij de ruime financiële steun aan Ramzan Kadyrov volledig staken, dan staat binnen een half jaar de Kaukasus weer in de brand.

Het spel in de Kaukasus komt met Sotsji niet ten einde, het is nog maar pas begonnen. Kadyrov heeft intussen bezworen dat hij er met zijn speciaal getrainde Spetsnaz-eenheden alles aan zal doen om de veiligheid in Sotsji mede te garanderen. Wat dat betreft kan de hoge Nederlandse delegatie, en hopelijk dus ook mijn kunstbroeder Arthur Japin en ik, indirect van de Tsjetsjeense leider profiteren.

Wat er gebeurd is met de poes van Gullit weet ik niet.