Sybrand Buma die het over ‘de gewone Nederlander’ heeft, gaf Max van Weezel een déjà vu-gevoel. Dat roepen politici al járen, ook al voor de Pim Fortuyn-revolte.

Toen Sybrand Buma tijdens zijn H.J. Schoo-lezing in de Rode Hoed zijn gehoor uitlegde dat de boze burger eigenlijk een doodgewone Nederlander was, gaf me dat een déjà vu-gevoel. Uiteraard vroeg ik me af of de CDA-leider ook de demonstranten in Steenbergen die ‘Daar moet een piemel in’ scandeerden tot de gewone Nederlanders rekende, en of ook Turkse Nederlanders en Marokkaanse Nederlanders in zijn ogen gewone landgenoten konden zijn. Maar mijn gedachten dwaalden vooral af naar de vraag: hoe vaak eerder hebben Haagse politici nu al geprobeerd de gewone man c.q. de gewone Nederlander het hof te maken?

Volkskoffiehuis

In de regel wordt verondersteld dat het hier om een verlate erfenis van de Fortuyn-revolte van 2002 gaat. Dat is een misverstand. In werkelijkheid raakten de traditionele volkspartijen al tien jaar voor de opkomst van de Goddelijke Kale in paniek omdat ze het gevoel hadden het contact met de gewone man te zijn kwijtgeraakt. Tot de PvdA drong de kloof met de burger vlak voor de gemeenteraadsverkiezingen van 1990 door. Peilingen wezen uit dat de achterban de coalitie tussen Wim Kok en Ruud Lubbers niet pruimde. De arbeidersklasse (zo noemde je die toen nog) dreigde niet te gaan stemmen, net als de jongeren.

Wat ook uitkwam: bij de verkiezingen verloor de PvdA in de grote steden in één klap een derde van haar aanhang. Het partijbestuur wilde weten wat de oorzaak van de ontevredenheid was en verspreidde op braderieën en marktpleinen twee miljoen exemplaren van het Oor (‘ons belangrijkste partijorgaan’), een briefkaart waarop mensen hun klachten kwijt konden en die kon worden geretourneerd aan de PvdA. Wat kwam er een agressie los! Ouderen misten de strijdlust van vroeger, jongeren vonden de PvdA juist niet modern genoeg. Werknemers verweten de partij nog alleen oog te hebben voor de noden van de uitkeringsgerechtigden en andersom. Tweeverdieners uit Almere en Nieuwegein klaagden over de hoge autokosten. En natuurlijk waren er de bewoners van multiculturele wijken als Lombok die meldden dat ze hun straat niet meer herkenden.

Ook vóór Fortuyn vond men politici zakkenvullers en plucheklevers.Vanaf dat moment werd het usance dat partijen die de verkiezingen verloren, beloofden ‘meer naar de mensen te gaan luisteren’. Bij het CDA, dat in 1994 van 54 naar 34 Kamerzetels duikelde (nu zouden de christendemocraten een moord plegen voor zoveel zetels, maar toen kwam het als een grote schok), liet voorzitter Hans Helgers zich op het partijcongres zelfs twee grote plastic oren aanmeten. Het CDA moest de straat op, net als de SP, luidde zijn betoog.

De Fortuyn-revolte bracht de zoektocht naar de gewone man in een stroomversnelling. Iedereen wilde laten zien dat hij het Binnenhof niet als de navel van de wereld beschouwde. PvdA-leider Wouter Bos nam zijn intrek in volkskoffiehuis De Aanloop in het Haagse Laakkwartier en fulmineerde vanaf een zeepkistje tegen graaiende bankiers. Jan Peter Balkenende trok met zijn bewindslieden honderd dagen het land in om wijkbewoners te vragen wat het kabinet voor hen kon doen. Diederik Samsom werkte als straatcoach in Amsterdam-West en als assistent van wijkverpleegkundige Violieke in Spijkenisse. Maar de gewone man bleef de politici van de gevestigde partijen voor zakkenvuller en plucheklever uitmaken.

Mooi dat Buma de gewone Nederlander heeft ontdekt. Maar is hij niet bezig het wiel opnieuw uit te vinden?