Bijna twintig jaar maakte de vorige week overleden Peter van Straaten elke week op de achterpagina van de Republiek der Letteren van Vrij Nederland een tekening over Het Literaire Leven. Schrijvers, uitgevers, critici, boekhandelaren en lezers kwamen zichzelf daar tegen.

‘Nu ga je toch wel je nieuwe boek aan mij opdragen, hé?’, vraagt het frisgekrulde meisje in het omgewoelde bed, verwachtingsvol opkijkend naar de zich in tevreden sluimer bevindende schrijver. Die sluimer behoedt hem voor een rechtstreeks antwoord. Dat is te zien op een van de tekeningen die Peter van Straaten vanaf 1985 wekelijks onder de titel ‘Het literaire leven’ maakte voor de achterpagina van de Boekenbijlage en later de Republiek der Letteren van Vrij Nederland. Wat het is om boeken te schrijven, ze uit te geven en ermee te leven werd door Van Straaten in geestige, wrange, droeverige en melancholische situaties getoond. Zelfs wanneer een schrijfster op een tekening euforisch haar vriend toejuicht ‘Willem!, mijn boek is af!’, zie je de volgende tekening al aankomen, met als onderschrift: ‘Eerst maar eens zien of het wat voorstelt’, zegt een uitgever langs zijn neus weg tegen iemand die naast hem zit.

Van Straaten zorgde ervoor dat schrijvers, uitgevers, critici, boekverkopers en lezers afwisselend een spiegel voor werd gehouden. Zijn personages waren elke week – jammer van het cliché – uit het leven gegrepen. Zo uit het kantoor van de uitgever geplukt, zo overhoord achter het bureau van de schrijver, zo opgevangen aan de toonbank in de boekwinkel (‘Waarom ligt mijn boek niet naast de kassa??’).

Van Straaten tekende het allemaal alsof hij er met zijn neus bij had gestaan. Met zijn soepel krassende pen kon hij alles oproepen (al bleef hij moeite houden met de lach van vrouwen). Alle houdingen, alle stemmingen: verslagenheid, latente hysterie, nietzeggende saaiheid, opgewonden standjes: ze ontstonden als geplukt uit de werkelijkheid. Omdat Van Straaten nooit met waterverf werkte of iets grijs maakte, moest hij al het contrast met zijn zwarte lijnen en arceringen aanbrengen. Daar was hij heel bedreven in, moeiteloos fijnzinnige en zware lijnen afwisselend. Achtergronden kon hij met wat argeloos eenvoudige lijntjes suggereren. Alle denkbare interieurs tekende hij uit zijn hoofd. De bureaus van de uitgevers hadden altijd iets onheilspellends, alsof het slachtbanken waren waarop de schrijvers zouden worden geofferd. Ook de zitbanken in de huiskamers waaraan zo vaak ontmoedigende gesprekken werden gevoerd tussen de schrijver en zijn vrouw, of door de schrijfster en haar man, zijn omineus aanwezig (‘Blijf je me wel lezen?’, of: ‘Ik schrap je uit mijn memoires, trut!’).

Van Straaten tekende het allemaal alsof hij er met zijn neus bij had gestaan.

Het kwam allemaal uit Van Straatens hoofd. Wellicht is hij nooit bij een echte schrijver thuis geweest, bezocht hij boekwinkels alleen als hij zijn eigen boeken kon ontwijken, en heeft hij nooit een andere uitgever in het echt gezien dan die van hemzelf, De Harmonie. Toch zorgde hij in de loop der jaren voor een compleet literair leven waarin alles aan bod kwam. Het werd een vreemd vertrouwde wereld, met een ereplaats voor het omgewoelde echtelijk (of niet echtelijke) bed waarin zich veel schrijversperikelen voordeden. Zoals de schrijver die uit een nachtmerrie ontwaakt en zich rechtop zittend in paniek afvraagt: ‘Moet ik het eind niet veranderen?’ Of de vrouw die languit ligt te telefoneren en zegt: ‘Maar er zijn zo weinig écht lieve schrijvers!’. En, een variatie op de vrouw die vraagt of de schrijver zijn volgende boek nu aan haar gaat opdragen: het meisje dat op de rand van het bed verschrikt het laken tegen zich aandrukt en de schrijver vertwijfeld vraagt: ‘Ga je hier nou over schrijven?’ Of de schrijver die zich na het vrijen realiseert: ‘Nu weet ik nog steeds niet wat je van mijn gedichten vindt!’ Ook worden in Van Straatens literaire bedden door de vrouw van de schrijver soms incriminerende vragen gesteld, zoals: ‘Aan wie dacht je toen je die erotische passage schreef?’ En met uitzicht op een mooie blote vrouwenrug op de rand van het bed zegt de man: ‘Spijt? Morgen ben ik de hele dag weg, kun je rustig aan je roman werken.’

VN Boekenbijlage, 15 augustus 1987.

Door de jaren heen ontstonden categorieën in de literaire levensgebieden die Van Straaten bestreek . Zo is er de categorie ‘meeleven’ door de geliefde van de schrijver of schrijfster. Of een meelevende de uitgever, dat komt ook een enkele keer voor. Er is een uitgever bij die op een prachtige eenvoudige tekening een schrijver met een roeiboot afzet bij een steiger. Links is een houten huisje te zien. De uitgever vaart weg met de woorden: ‘En ik kom je pas weer halen als je roman af is, begrepen?’ Het meeleven van de vrouw van een schrijver kan aandoenlijke vormen aannemen, zoals op de tekening waarop ze tegenover zijn afhangende hoofd zit en zijn handen vasthoudt: De vrouw zegt: ‘Jij bent een vertéller, Anton, en daar is nog steeds behoefte aan.’ Tot dezelfde familie behoort het meisje dat haar arm om haar vriend heeft geslagen en zegt: ‘Jij bent een díchter, Tom, vergeet dat nooit.’ Dit getuigt van veel begrip, maar er zijn ook vrouwen die helemaal niets begrijpen van het schrijversleven: ‘Dan schrijf je toch wat minder gedichten dit jaar, wat maakt het uit.’ Of: ‘Dan schrijf je dat boek toch niet, gekkie!’ Aan een bar zegt een vrouw onomwonden tegen een schrijver: ‘Vroeger schreef je voor je plezier, Jan, nu schrijf je alleen nog maar om de AKO-prijs of de Libris-prijs te winnen.’

Er is natuurlijk een aparte categorie tekeningen over uitgevers die alleen maar aan de centen denken en via omwegen, sluiproutes en listige complimenten tegen een schrijver zeggen dat het zo niet door kan gaan: er moet ook geld verdiend worden. ‘Waarom al die moeite van het eerst als boek uitgeven? Het kan zo verfilmd worden’, zegt de uitgever tegen een verbouwereerde schrijver. Van pure uitgeverslist getuigt de suggestie aan een kinderboekenschrijfster: ‘Je schrijft zo beeldend, dus voor “Konijntje Snuffel” kunnen we met maar een paar illlustraties volstaan.’ In de deuropening van de kamer van de uitgever staat een timide schrijver met zijn handen in de zakken van zijn regenjas. De uitgever heeft ook zijn handen zijn zakken, maar heel wat zelfverzekerder. ‘Alweer?’, vraagt hij de schrijver, ‘Wat doe je in godsnaam met al die voorschotten?’

VN Boekenbijlage, 13 mei 1989.

Naast het bed is een terugkerende lokatie voor Van Straaten de zaal waar een dichter zal spreken. Wanneer er nog maar één bezoeker is zegt de organisator ‘Het is nog lang geen acht uur’. Of hij zegt tegen een dichteres bij het zien van het schamele aantal belangstellenden: ‘Ik zou het niet te lang maken.’ In deze categorie behoren ook de tekeningen die zich afspelen in de boekwinkel, in het bijzonder wanneer er gesigneerd moet worden. Dan is Van Straaten op zijn vileins. Er zit een nors kijkende schrijver achter een stapel boeken. Op de achtergrond zegt een vrouw tegen haar vriendin: ‘Durf jij?’ Gedempt hilarisch is de tekening waarop een boekhandelaar tegen een schrijver die nauwelijks een boek heeft hoeven signeren zegt: ‘Wat ons betreft mag u straks wel een uurtje eerder weg.’ Ook kan een schrijver in deze situatie een mevrouw aan zijn tafeltje krijgen die hem toebijt: ‘Vroeger heb ik u vreselijk bewonderd!’

De afdeling miskenning heeft natuurlijk een behoorlijke omvang binnen Het literaire leven. ‘Natuurlijk ben ik niet genomineerd’, zegt de schrijver tegen zijn vrouw, ‘Zo’n soort schrijver ben ik gelukkig niet’. Zo’n tekening bewijst ten overvloede hoe goed Van Straaten goed op de hoogte was van de nuances in de literaire reputatiekunde. Daaraan gerelateerd is de vraag of de uitgever zich wel voldoende uitslooft voor de schrijver. Heel herkenbaar moet de tekening geweest zijn die op 22 februari 1992 in de Boekenbijlage stond van een schrijfster die mokkend op een stoel heeft plaatsgenomen en tegen haar verschrikte uitgever zegt: ‘Ik wil niet bij Sonja, ik wil bij Van Dis.’

Van Straaten is een tekenaar die het nooit ingewikkelder wil maken dan het is.

Terugkerend thema in Van Straatens literaire leven is ook de vraag die schrijvers nogal eens moeten beantwoorden: wat is literatuur? Van Straaten is een tekenaar die het nooit ingewikkelder wil maken dan het is. Hij zag eens een film waarop Marten Toonder met een enorme omhaal van woorden uitlegde waarom hij dieren tekende die zich gedragen als mensen. Toonder ‘haalde alles over hoop’ terwijl het in de ogen van Van Straaten toch zo simpel was: vanwege de lichte vervreemding die een mens in een dierenlichaam veroorzaakt. Van Straaten laat een uitgever tegen een vrouw aan zijn bureau zeggen: ‘Literatuur, literatuur…Dat is zo’n rekbaar begrip.’ Een geslagen kijkende schrijver hoort zijn uitgever tegen hem zeggen: ‘’Begrijp me goed, dat is geen kritiek…maar vind je niet dat je soms een beetje véél van je lezers eist?’

VN Boekenbijlage, 12 augustus 1989.

Van Straaten kijkt naar het literaire leven alsof het zich in de coulissen van een theater afspeelt. Het Boekenbal is de ideale gelegenheid om tekeningen te maken over gasten die de hele avond hun literaire vijanden aan het ontwijken zijn. Een vrouw zegt op het Boekenbal tegen haar man dat hij moet ophouden met flirten: ‘je hoeft toch niet met al je lezers naar bed?’ In de ogen van Van Straaten is geen enkele uitgever bij zulke gelegenheden immuum voor het décolleté van een jong dichteresje. ‘Je past niet helemaal in mijn fonds, maar ik pers je er wel in’, zegt er een. Van Straaten maakt zich geregeld ook vrolijk over de bestseller waar elke uitgever op hoopt en die elke schrijver wil schrijven. ‘Laat je niks wijsmaken’, zegt een schrijver tegen een collega, ‘vorig jaar had ik een een bestseller geschreven…maar verkopen? Ho maar.’ Van dezelfde orde is het fenomeen van de ramsj-boeken. Behalve dat hij het over een schrijver heeft die het record gebroken heeft door in twaalf talen tegelijk in de ramsj te liggen, doet Van Straaten niet zo veel met het verschijnsel. Dat moet hem te veel een schot voor open doel zijn. Liever houdt hij het wat subtieler door een uitgever tegen zijn auteur te laten zeggen: ‘Ik geef het op, Paul. Je hebt weer een totaal verschillend boek geschreven. Kun je je nou nooit eens een keer herhalen?’ En op een ontspannen manier vraagt een uitgever aan een schrijfster in een café: ‘Liefde en seks spelen maar een bescheiden rol in je nieuwe boek. Waarom is dat?’

In de kleine twintig jaar dat Van Straaten Het literaire leven heeft getekend in Vrij Nederland is een complete comedy of manners van het schrijven, uitgeven, verkopen en lezen van boeken ontstaan. Er verschijnt mij nu geregeld een tekening van Van Straaten voor ogen wanneer ik een schrijver aan een signeertafel zie zitten, een debutant met poeha een voorschot op zijn beroemdheid zie nemen, of wanneer een uitgever beweert dat het boek dat hij nú in zijn handen heeft de bestseller van het jaar gaat worden. Of wanneer je twee schrijvers ziet lopen. Bij Van Straaten vraagt dan de een: ‘Ben jíj nog ergens voor genomineerd, de laatste tijd?’