Ilja Pfeijffer maakte het obligate van een schrijver die in een nabij stukje Europa gaat wonen om daarover te verhalen, tot onderdeel van zijn roman over Genua.

Zijn eigenlijke hoofdpersoon is de stad: Genua. Of liever: het historisch centrum daarvan, met die wirwar aan middeleeuwse steegjes. In die havenstad, waarvandaan eertijds zo veel Italiaanse paupers vertrokken om fortuin te maken in Amerika, in die stad die nu deels bevolkt wordt door migranten uit Afrika, resideert sinds vijf jaar de schrijver en dichter Ilja Leonard Pfeijffer (1968). Het lag in de lijn der verwachting dat hij daar zijn nieuwe roman zou situeren, want dat doen schrijvende expats nu eenmaal: na Adriaan van Dis over de reusachtige lichtstad (Parijs), na Geerten Meijsing over antiek Sicilië, nu I.L.P. Pfeijffer over Genua.

Illustratie: Siegfried Woldhek
Illustratie: Siegfried Woldhek

Het is je reinste ‘poëzie der tegenstellingen in het oude labyrint van Genua’ die Pfeijffers roman dynamiek verleent. Dynamiek die hij contrapuntisch ondergraaft door verhaal aan verhaal te rijgen, op het oeverloze af, want Genua is een levende stad vol verhalen, aan iedere passant kleeft wel een anekdote en anders is er de geschiedenis nog, met lustig inzoomen op de tijd van de builenpest of die van de kruisridders. Er wordt op terrasjes gedronken en verhaald, zekerheden wankelen, illusies sneuvelen, want leven in Genua, de hoogmoedige, is ánders. Het mooiste meisje van Genua, Cinzia, voegt de schrijver toe: ‘Wie denk je wel dat je bent? Je parachuteert jezelf met dat kolossale lijf in onze steegjes en vervolgens denk je dat je alles begrijpt. Je maakt nog steeds fouten met je conjunctivi en je begrijpt niets, Ilja. (…) Jij denkt dat dit Europa is, omdat je met EasyJet binnen anderhalf uur terug kunt zijn in jouw overzichtelijke vaderland. Je vergist je. Je bent in Genua. Dit is Afrika. Deze wereld is jou volslagen wezensvreemd.’

Naast de locatie is er een andere verbindende schakel in deze bonte werveling van uiteenlopende verhalen die het leestempo van de roman eigenzinnig stremmen: het verlangen dat de personages delen naar la dolce vita italiana. Allen verdwalen in hun fantasie van een echter en beter leven onder de zon, in ‘de fantasieën van geloof, hoop en liefde’, de schrijvende protagonist voorop, maar ook de aangespoelde Schotse alcoholist, de Marokkaanse rozenverkoper, de Senegalese illegaal. De werkelijkheid blijkt onsprookjesachtig rauwer en ‘papier is het enige wat telt’, uiteindelijk: voor schrijver Ilja de waarheid van een verzonnen verhaal, voor de Afrikaanse immigrant de benodigde verblijfsvergunning.

In zijn stijl waait de vunzige geest, gieren de emoties

Drinkebroer Don
Dit thema bepaalt de structuur van Pfeijffers romaneske spiegelpaleis, hij werkt met tegenstellingen, de idylle van schrijver Ilja in het begin van de roman, op jacht naar het mooiste meisje, slaat om in zijn werdegang tegen het slot, wanneer zijn identiteit vergruizelt en hij eindigt als een seksueel dienstbare, harige travestiet. Ook de twee schitterende intermezzi – verhalen over respectievelijk de gevierde Schotse drinkebroer Don en de Senegalese outcast Djiby spiegelen elkaar: in het eerste exempel loopt Pfeijffer de weg van de onbeteugelde verbeelding uit, hij toont de schoonheid van een geheel verzonnen leven (Don bleek een fantast), in de tweede regeert het realisme: de beproevingen van Djiby om het beloofde continent Europa te bereiken zijn zo gruwelijk en emotionerend, dat er niks aan toegevoegd (lees: verbeterd) hoeft te worden. Maar hun verlangen naar een zoeter leven delen de immigrant uit het noorden en die uit het zuiden. Zo’n rigide vertelstructuur past niet helemaal bij een ontregelende schrijver als Pfeijffer – de schrijver van La Superba – dus richt zijn gelijknamige protagonist zich op iemand die hij aanduidt als ‘goede vriend’; hij stuurt zijn ‘notities’ aan hem om er ooit een roman van te maken. Deze verteltruc om de lenigheid van de vertelling te bewaren, werkt na verloop van tijd averechts: we wéten ’t wel, en ook de herhaalde postmodernige verzuchting van de protagonist dat hij als schrijver nu eenmaal in zijn fantasie leeft en iedereen en alles verzint, zelfs Genua, werkt als opgelegd pandoer. Wat Pfeijffers vertelling spanning verleent, is hoe de pootjelichtende humor geleidelijk verkeert in geëngageerde seriositeit. Het menselijk drama waar hij tegenaan liep in zijn escapistische droom (la dolce vita in Genua) heeft de schrijver bij de lurven gegrepen.

Zo typeert de schrijver een noordelijke schone: ‘Geheel in overeenstemming met mijn poëtica accentueerde zij haar overdaad.’ Die overdaad schuilt vooral in Pfeijffers stijl en dat wérkt. Weliswaar leidt dat vaak weer af van het vertelde verhaal du moment, en de alweer enige tijd uit het oog verloren intrige – opeens blijkt dat geamputeerde been toe te behoren aan een travestiet – maar dat geeft niks. Het spijt me voor al die thematiek, met gelijkstrekkende verlangens van noord tot zuid, de immense verschillen tussen arm en rijk, de teloorgang van de fantasie als die het te echte leven in de ogen kijkt, maar het grote knalwerk in La Superba is stilistisch van aard. Daar waait de vunzige geest, daar gieren de emoties, daar davert de lach, daar trakteert Pfeijffer zichzelf en de lezer uit onuitputtelijke bron. Door bijvoorbeeld zomaar een alinealoze pagina te schrijven, om de sprookjesverbeelding van een Afrikaanse immigrant over Europa over te brengen: koeien zo groot als nijlpaarden, bier dat zomaar uit de kraan stroomt, en meer. Pfeijffer is eerst en vooral een dichter en zijn weldadig genotzuchtige proza lees je om je aan taal te laven: ‘Toverkollen sisten naar mij. Iemand die ik niet vertrouwde vroeg mij om een vuurtje. Een schurkje schaterde in een steeg.’ Bravissimo.