Actrice Kitty Courbois overleed in 2017. Uit het archief: het interview met Bibib uit 1979, over onder meer haar getroebleerde jeugd en haar affaire met Hugo Claus. ‘Ik schijn het bloed onder je nagels vandaan te halen.’

‘Ik zei tegen Lodewijk de Boer (Nederlandse theatermaker en musicus, 1937-2004, red.): “Als Bibeb maar niet over het feminisme begint.” Toen zei Lodewijk: “Dan zeg je maar: feminisme, wat is dat?” Ik heb alle heren op de knieën gekregen. Ik ben in Amerika geweest bij m’n zusje. De mannen die ik daar ontmoet heb, nou jongen, doodzielig, zitten totaal onder de plak bij hun wijven. Zijn alleen goed voor het geld! Ik ben op feestjes geweest, mijn geschreeuw viel daar helemaal niet op. Zo krijsten die vrouwen. Maar allemaal met mekaar, met de mannen wordt niet gepraat. Die hingen aan m’n lippen, trouwens ook bij m’n zusje. Ze wisten niet wat ze overkwam. Ik heb me nooit gediscrimineerd gevoeld, in mijn vak is het onbelangrijk of je vrouw of man bent. Ik ben van kind af aan door de jongenswereld geaccepteerd. Wel wou ik toen liever jongen zijn. Ik vond dat meisjes ’t erg lastig hadden met die tieten en ongesteldheid.’

Wilde, donkere ogen, klein, koppig gezicht, ontwapenende handen, hartstochtelijke,
erotiserende jongensstem.

‘Foto’s van vroeger? Massa’s, wacht effe.’ Snel overeind en de trap af naar het ruim van haar woonboot. Terug met een enorme doos stampvol foto’s en plakboeken. Kwakt de hele zaak op de vloer en begint op de hurken zittend met beide handen tussen de foto’s te graaien. De meeste zijn in vrij groot formaat, waren voor publicatie bestemd, maar wat ze zoekt blijkt een kleintje. ‘Dit ben ik met m’n rechthouder,’ zegt ze. Een krampachtig lachend kind. Twee vlechtjes, pop op schoot. ‘Zie je dat riempje om m’n nek? Ik wou altijd hoog gesloten jurken maar toch kan je het duidelijk zien. Twee bredere riempjes over m’n schouders en langs m’n oksels, waren net als dat nekriempje, verbonden met een ijzeren stok, zo dik als die van een bezem en omkleed met zeemleer. Die reikte van m’n taille tot de laatste nekwervel om m’n rug recht te houden.’ Ze gaat weer tegenover me zitten, achterin de boot met uitzicht op de Amstel. Steekt een Gauloise op. Nikkelen gespen op haar zwarte overall, witte letters op haar zwarte trui.

Ik had ook een bit, een beugel, m’n tanden stonden dwars in m’n mond. En ik had hoeven. Metalen steunzolen met daaronder een pen.‘Pierre, m’n jongste broer, noemde me Paard want ik had ook een bit, een beugel, m’n tanden stonden dwars in m’n mond. En ik had hoeven. Metalen steunzolen met daaronder een pen. Ik had hele grote platvoeten.’ Linkergelaarsde voet op de rechterdij. ‘Nee hoor, nergens last van. Ik buitte het verschrikkelijk uit. Was het meest interessante kind van de hele straat. Was ontzettend lastig, dat ben ik nog steeds.’ Luid lachend. ‘Volgens Pierre kon ik hem ontzettend treiteren. Als hij me een lel wou geven liet ik mij voordat hij me kon aanraken, op de grond vallen, schreeuwend: “Je hebt me geschopt. Nou kan ik niet meer lopen.”

De beugel vond ik wel vervelend. De rechthouder deed ik vaak stiekem af, gooide hem achter de wc-pot en dan gauw naar school. Ik weet niet precies meer wanneer… Ik ben in de oorlog met m’n moeder naar de kliniek gegaan voor m’n rug en voeten, daar was iets mis mee. Na de oorlog, mijn vader was net gestorven, kreeg ik de rechthouder en hoge schoenen. Op m’n dertiende ben ik geopereerd. Ik moest uitgegroeid zijn en ik was toen al heel lang. Een erg ingewikkelde operatie, pezen doorgesneden en aan mekaar geknoopt. Ik heb maanden tot m’n liezen in het gips gelegen en moest daarna opnieuw leren lopen. Ik had schoenmaat drieënveertig, na de operatie negenendertig.

Ik wist dat ze zou doodgaan bij mij

Mijn moeder was ontzettend trots dat ze de operatie had doorgezet. Die was namelijk niet zonder risico en we kenden een kind daar had het niet bij geholpen. Mijn moeder heeft het verhaal aan de Libelle willen schrijven toen haar dochter aan het toneel succes had. Dat is niet doorgegaan. Ik wou dat niet.’

Duistere ogen wijd open, vol woede. Sexy jongensstem op grote kracht.

‘Mijn moeder was een heel lastig mens. We hadden geen enkel contact, nooit. Pas op haar sterfbed… Ze had al jarenlang kanker, lag in het ziekenhuis. Vaak was ze er zo slecht aan toe dat we werden gewaarschuwd. We hebben ettelijke keren afscheid genomen maar dan leefde ze weer dermate op dat we zeiden: eigenlijk moet ze naar huis. Toen ze weer es erg slecht was, kwam Elly, m’n zusje uit Indonesië over. Wat gebeurt er. M’n moeder herkende zelfs mijn oudste broer met wie ze helemaal geen contact had. Ze kijkt naar mij. Ik had een erg leuk jakje aan.

Ze steekt haar hand uit, neemt de zoom van m’n trui tussen duim en wijsvinger, langzaam en op een manier die me de rillingen over de rug jaagt. Mijn moeder zegt: “Elly, wat zie jij er mooi uit.” Nou (loeihard), Dat Zat Me Niet Lekker.

Op de dag dat Elly terug zou gaan, zei mijn broer: “Wij gaan mee naar Schiphol, ga jij nou voor een keer alleen naar het ziekenhuis.” Ik reed van Amsterdam naar Arnhem. Veel te hard. Ik ben bang voor de dood, ik wil er niks mee te maken hebben, van die angst moet ik af.

Laat ze in godsnaam niet doodgaan, dacht ik. Maar ik wist dat ze zou doodgaan bij mij.

Ik dacht, heel hoerig: dat moet ik onthouden, die opgetrokken schouder, dat kan ik es gebruiken.Ik zit daar in die kamer. Ze zag er heel eng uit. Een oog dicht, het andere heeft ze nooit goed kunnen sluiten. Het leek of ze me door die kier begluurde. Haar ene schouder opgetrokken. Ik dacht, heel hoerig: dat moet ik onthouden, die opgetrokken schouder, dat kan ik es gebruiken. Maar ik was bang. Ik dacht: ik moet iets doen. Durfde haar niet aan te raken. Op een gegeven moment begint ze heel vlug te ademen. In m’n paniek ga ik praten: “Weet je mam,” zeg ik, “je bent een grote meid.” Wat gebeurt er? Ze doet haar ogen open? Kijkt me aan? Laat een boer en gaat dood. Ik zat als versteend, gloeiende pijn, grote vlammen in m’n kop. Wat gebeurt er? Ik begin te lachen. Ik voelde een diepe triomf. Ik ren de gang op. Kom een schoonzusje tegen en zeg heel trots: “Mama is dood.” Ik heb de hele familie opgebeld. Ik schreeuwde: “Mamma is dood.” Ik was trots dat ze bij mij was doodgegaan.

Toen de inboedel verdeeld werd heb ik alles geweigerd. Ik walgde van het “dat wil ik” en “ik wil dat”. Ik heb alleen het kruisje van mijn vaders doodkist. Kijk, dat hangt daar.

Terugslaan deed je niet

Ik was een erg lastig kind, hartstikke gesloten. Had een verschrikkelijk afweermechanisme. Als mijn moeder me sloeg en dat deed ze vaak, gaf ik geen krimp. Daarna liep ik naar buiten, ik wist dat ze keek, vlakbij het raam draaide ik me om en lachte uitdagend. Terugslaan deed je niet. Als je je hand opheft tegen je moeder kom je in de hel. Verdomde katholieke opvoeding. Pierre zegt: “Dat jij alles geloofde wat mamma zei…” Toen dat rotboek van Hugo uitkwam (Hugo Claus, Het jaar van de kreeft, red.), waarin hij me laat sterven aan darmkanker, dacht ik: Hugo weet dat ik kanker heb. Hij heeft zulke antennes. Ik heb vaak meegemaakt… als ik hem nodig had, dook hij plotseling op. Precies in dat deel van de stad waar ik paniekerig rondliep, stapte hij uit een taxi. Pas toen uit de foto’s bleek dat er niks met m’n darmen aan de hand was, trok de angst weg. Mijn moeder had darmkanker. Dat wist Hugo. Ik heet in dat boek Toni, mijn moeder heette Tony en mijn tweede naam is Antonia.

Ze was een erge zielepoot. Dat zie ik nu heel goed al vergeet ik niet de rottige kanten. Doodongelukkig was die vrouw. Oudste van dertien kinderen, toen een vijftien jaar oudere man getrouwd. En nadat die dood was, vijf kinderen om voor te zorgen. En altijd pleegkinderen. Dan kwam de pastoor weer aanzetten met twee kinderen uit een of andere inrichting.

In die pan vloog een stuk van een teen. Echt jongen! Een man was uit mekaar gespat en dat stuk teen was door het keukenraam als een biljartbal tegen het plafond geketst en zo in de pan.In mijn herinnering was mijn vader een tiran die me sloeg. Maar als ik de verhalen van m’n zusje hoor, denk ik: wat een enig mens. Ik herinner me ontzettend veel dingen niet. Black-outs. Ik pieste in bed, dat heb ik heel lang gedaan. Het bed werd met het voeteneinde op hogere poten gezet maar niks hielp. Ik durfde op het laatst niet meer te slapen. Een erg neurotische familie. Daarbij woonden we vlakbij het viaduct bij Nijmegen, een strategisch punt dat constant gebombardeerd werd. Op een keer, er stond een pan met vet op de kachel in de keuken. We zaten altijd in de keuken want dat was vlak bij de kelder. In die pan vloog een stuk van een teen. Echt jongen! Een man was uit mekaar gespat en dat stuk teen was door het keukenraam als een biljartbal tegen het plafond geketst en zo in de pan. De plek op het plafond heeft er de hele oorlog gezeten.

Mijn moeder en zusje zijn onder behandeling geweest van psychiater Ter Ruwe. Mijn zusje woont in Amerika, is gelukkig getrouwd, heeft kinderen en is weer gaan studeren. Zij is er nog het best afgekomen. Mijn middelste broer was horlogemaker, net als m’n vader. Hij riep toen m’n moeder gestorven was: “Zo, die is ook dood. Ik ben blij dat ze dood is.” Een half jaar daarna is hij ingestort, heeft de zaak verkocht. Hij kon geen horloges meer zien. Mijn oudste broer is gestorven. De jongste, Pierre, mijn lievelingsbroer is een begaafde drummer. Hij drinkt niet. kletst niet. Hij drumt.

In dit vak moet je rijpen. Hoe ouder je wordt hoe meer je dat beseft.De sterfscène van de moeder in Baal van Brecht… Er werd gezegd: “Fantastisch, wat een vondst, dat trekken met je schouder en dat boeren.” Ik zei: “Dat deed mijn moeder. Mijn moeder boerde toen ze doodging.” Dan kijken ze je aan… Ik weet waar het vandaan komt. Ik pluk dat van heel dichtbij, uit mijn eigen leven. Zo reageer ik af. In dit vak moet je rijpen. Hoe ouder je wordt hoe meer je dat beseft.

‘Ik lok iets uit, maak het steeds erger’

Ik kon vroeger nooit over me zelf praten. Ik lulde iedereen de oren van de kop maar nooit over mezelf. Ik maakte een heel aardige indruk, ontliep me zelf voortdurend. Van Hugo heb ik geleerd… ’t is een beetje vreemd gegaan, maar ik heb van hem geleerd… Zeg, wil je nog koffie?’

Stapt naar de keukenhoek, klein, wit krullerig hondje achter haar aan. Blijft doorpraten met kordate stem. ‘Hugo zei: “Je hebt nare eigenschappen.” Die moest ik van hem uiten. Nou, dat heeftie geweten. Mijn rotte eigenschappen van dertig jaar heb ik op Hugo afgereageerd’. Als het hem te gek werd, schreeuwde ik: “Dat mocht ik toch.”

Ik wek agressie op,’ zegt ze de mokken koffie op tafel zettend en de schotel met moorkoppen verplaatsend want het is gaan regenen en het dak lekt precies op die plek. ‘Ik lok iets uit, maak het steeds erger,’ zegt ze en schuift de vaas met seringen onder het lek. ‘Ik schijn het bloed onder je nagels vandaan te halen. Zelfs met Marina en dat is een zeldzame vriendschap, heb ik zeker eens in het jaar gigantische ruzie, altijd in de vakantie.

Ik ben nou ruim twee jaar met Ernest. We zoeken een uitweg, ik bedoel om dit niet te kappen. Omdat we er iets volwassens van willen maken. De moeilijkheden komen zodra ik me gebonden voel. Ernest laat me verschrikkelijk vrij, dat gevoel van gebondenheid maak ik zelf in m’n kop.

Seks was vies en smerig. Ontmaagd worden, daar was ik zo bang voor gemaakt. Wat bleek…’t deed helemaal geen pijn. Maar pang, ik was meteen zwanger. Hugo heeft nooit begrepen hoe vast ik aan Rik zat (Rik van Bentum, kunstschilder, 1936-1994, red.). Waarschijnlijk omdat Rik de eerste was die wezenlijk aandacht voor me had. Hij heeft me ontmaagd. Een half jaar heeft hij erover moeten doen om me in bed te krijgen. Wat dacht je jongen, katholiek opgevoed. Mijn moeder had me zo bang gemaakt! Daarbij ben ik toen ze me niet meer aankon, bij de nonnen op kostschool gedaan. Seks was vies en smerig. Ontmaagd worden, daar was ik zo bang voor gemaakt. Wat bleek…’t deed helemaal geen pijn. Maar pang, ik was meteen zwanger. Gek, ik wist het meteen. Maar wat moest je? Durfde er met niemand over te praten. Vanaf die dag is mijn paniek begonnen.

Zwanger

Zwanger, het kon natuurlijk. Ik was net op de toneelschool na een jaar lang stille strijd met mijn moeder, die had gewild dat ik een baan nam, en dat had ik ook gedaan, op een reclamebureau. Ik dacht dat ik daar kon tekenen want dat doe ik wel aardig, maar ik moest hoofdzakelijk koffiezetten. Na een jaar lang apathisch zwijgen, diepe melancholie, gaf ze toe.

Zwanger, dat kon niet. Ik naar Amsterdam, was er nog nooit geweest. Geen dokter te vinden. Toen kreeg ik het adres van een verpleegster in IJmuiden. Die vrouw deed het met de zeepspuit. Ze vroeg vijftig gulden en dan kon ik net zo lang komen tot het weg was. Zes keer heen en weer naar IJmuiden gelift, ’t Was al drie maanden. Ik wist niet dat het gevaarlijk was. Doodsbang, ik dacht: ik moet nou doorzetten. Er is al iets verpest. Straks zit er een armpje los. Op een na de laatste keer leek het of het loskwam. Het viel me zwaar mee. Deed geen pijn. Maar toen werd ik misselijk, begon het overgeven. Er is vast iets blijven zitten, dacht ik. Naar de dokter van de toneelschool. Die zei vijandig: “Je hebt zeker iets gedaan, hè. Wat ben je, katholiek? Je moet maar weer katholiek worden.”

Ik ben een levend voorbeeld van iemand die net nog niet dood is gegaan na een clandestiene abortus. Verschrikkelijke pijn. In paniek naar IJmuiden, dit keer met de trein. Op de terugreis zweten en trillen. In Arnhem strompelde ik het station uit. Kwam Mark Brusse tegen, die pakte me bij een arm: “Kom op,” zei hij, “doorlopen.” Die kuttekoppen van politici, weten zij veel. Ik ben een levend voorbeeld van iemand die net nog niet dood is gegaan na een clandestiene abortus. Verschrikkelijke pijn. Annemarie Prins heeft de dokter gebeld. Annemarie, Mark Brusse, Johan van de Rest waren allemaal op de toneelschool en we woonden op kamers in het huis van Felix Valk.

Ik ben onmiddellijk opgenomen, ’t Kwam er meteen uit. Ik was wel blij, maar toch was het een klap. Ik had het idee dat ik zwaar gestraft zou worden. En mijn eileiders bleken ontstoken. Ik was door alle ellende zo afgeknapt, ’t heeft veel verziekt. Ik wou Rik niet meer, wilden van geen man meer iets weten. Ik was heel dun geworden, dat vond ik wel leuk. Hoe dunner, hoe meer botten je zag, hoe beter, dacht ik toen.’ Schallend lachend. ‘Op de toneelschool had ik meteen te horen gekregen dat ik te dik was. En nog wordt er tegen me gezegd: “Wat ben jij dik geworden.” Dat is de groet, haha, maar altijd van vrouwen. “God ja,” zeggen ze dan, “je bent nu weer slanker, ik had het laatst niet willen zeggen maar dat dikke maakt je zo oud, hè.”

Gijsje is geboren

Rik is getrouwd met Titi, de vriendin van Mark Brusse, ze zijn naar Amerika gegaan, daar ging Rik lesgeven aan een academie in Californië. Grote brief geschreven waarin ik van alles beloofde, ’t Had meer te maken met hem gauw achterna hollen omdat iemand anders hem had… Maar toen hij weg was ben ik aan hem blijven denken. Ook in de twee jaar dat ik met Gerben Hellinga was. ’t Was een onafgemaakte zaak en daar kan ik niet tegen. Na vijf jaar kwam hij terug, gescheiden. Ik had iemand anders, die heeft hij toen ik in Londen was de deur uitgezet. We zijn getrouwd en Gijsje is geboren.’

Plakboek met bladen vol foto’s, brieven, kaarten. Geboren: Gijsje van Bentum, dochter van Kittie Courbois en Rik van Bentum, 16 november 1968.

Kitty blij en mooi met Gijsje, drie dagen na de geboorte. Rik met Gijsje. Kitty met Gijsje. Brieven van vrienden en familie: ‘Wat heerlijk Kit, terug naar je eerste liefde.’

Nou ja, Hugo, jongen, ik was al zenuwachtig voordat ik hem ontmoette. Als kind kende ik hem al van foto’s, ’t Is toch een man waar een jong meisje op valt.Na: ‘Gijsje acht maanden’ zijn er geen foto’s meer opgeplakt. ‘Toen kwam Hugo. ’t Was zo’n schok, niks klopte meer. Hij regisseerde zijn nieuwe stuk Vrijdag. Hij kende me niet. Ik had een rol die eigenlijk niet zo geschikt voor me was. Ik ben niet zo goed in die Vlaamsachtige taal. Daarbij moest ik op de tafel dansen om Fons Rademakers op te geilen, dat lag me niet zo. Ik ben niet dol op Fons. Ik heb nooit goed met hem kunnen werken. Als hij regisseert doet hij je alles voor. Daar kan ik niet tegen. Nou ja, Hugo, jongen, ik was al zenuwachtig voordat ik hem ontmoette. Als kind kende ik hem al van foto’s, ’t Is toch een man waar een jong meisje op valt. Prachtig somber gezicht. Je denkt meteen: Die man heeft ’t moeilijk. Daar val ik op. Ik dacht altijd, waarom kom ik die man toch nooit tegen!

Hugo Claus

’t Begon al gauw. Gijsje was een jaar. Ik dacht, ’t gaat wel over. ’t Werd zwaarder en zwaarder. Ik beleefde echt de tijd die ik had over geslagen, ’t Was zo overdonderend, iemand op wie je verliefd was en waarmee je ook nog kon praten over jezelf. Met niemand, niemand had ik dat ooit gedaan.

Als meisjes het hadden over klaarkomen, dan deed ik net of ik daar alles van wist. Door Hugo ben ik uit m’n geslotenheid gekomen. Wat hebben we afgepraat. Uren aan de telefoon. Maar door m’n schuldgevoel kon ik niet ophouden met zeuren. Het was een slechte kaart.

Door Hugo ben ik uit m’n geslotenheid gekomen. Wat hebben we afgepraat. Uren aan de telefoon.M’n hele leven zat me niet lekker meer, m’n kind niet, niks. Toen liep Hugo weg bij Elly en ging alles verkeerd. Ik raakte in paniek. Ik wou helemaal niet bij Rik weg. Gaf Hugo van alles de schuld. Toen hij dat huis kocht aan de Raamgracht, daar wou ik niet in. Zo’n huis, die veiligheid, dat past helemaal niet bij mij. Terwijl ik hem zelf die advertentie gegeven had.

De seks, dat was een heel groot probleem.’ Voor het eerst merkbaar onzeker. donkere ogen, kinderlijk verlegen: ‘Ik ben opgevoed met neuken-is-vies. Ik ben nog niet zo… Ik bedoel, ik heb vlagen. Elke dag, daar moet ik niet aan denken. Hugo heeft me een behoorlijk eind op weg geholpen. Ik dacht: klaarkomen is niks voor mij. Totaal gefrustreerd. Nooit geleerd echt te knuffelen, te aaien en te strelen. Vriendinnen zeiden: “Die kerels willen iedere vrouw meteen grijpen.” Dat was bij Rik niet zo maar Hugo was een stuk ouder, die heeft me veel dingen verteld. Klaarkomen zag ik als het enig zaligmakende en omdat ik dat niet kon… Ik geloof toch dat ik erotische gevoelens vaak omzet in agressie.

Er is iets verschrikkelijks gebeurd. Toen ben ik met Gijsje bij Marina en Peter gaan wonen (Marina Schapers, actrice, 1938-1981 en Peter Schat, componist, 1935-2003, red.) en daarna met Gijsje naar een flat in Buitenveldert. Ik moest alleen zijn, had zelfs geen telefoon. Met Rik kon het ook niet meer. Ik kon niet met hem praten, dat kunnen we nu pas. Toen begon ik zelfs tegen de psychiater na twee minuten te schreeuwen.

Een vreselijke wraak

Toen dat boek (Het jaar van de kreeft, red.) uitkwam was m’n moeder net gestorven. Ik was zo razend, vooral om dat interview met Hugo in De Telegraaf en al die fragmenten uit het boek erbij. Hij heeft het me daarmee wel makkelijk gemaakt… Ik heb hem verschrikkelijk gehaat. Als ik hem tegenkom, dacht ik, snij ik een stuk van z’n lijf.’

Maar de hoofdpersoon Pierre is van de eerste tot de laatste pagina verslaafd aan Tony.
‘Maar hij laat Gijsje op mijn begrafenis zijn! Ik heb dat laatste hoofdstuk altijd als een vreselijke wraak gevoeld. En die is inderdaad heel hard aangekomen.’ Met heftige stem over Van der Meyden die het manuscript bij haar in de bus stopte en per telefoon haar mening vroeg, ze kon in de zaterdagkrant reageren. ‘Dat heb ik natuurlijk niet gedaan. Maar ik werd pas razend toen ik van Ischa hoorde dat er een laatste hoofdstuk was dat ik niet had gekregen (Ischa Meijer, 1943-1995, red.). Ischa is me het komen brengen.

Ik wist altijd wel dat Hugo zo’n boek zou schrijven maar niet dat hij me zou laten sterven. Hij zei altijd: “Dat komt in mijn klachtenboek.” Zat elke morgen in zijn klachtenboek te schrijven. Welnee, hij verandert niks. De mensen die ik ken, praten allemaal zo. Je hoort het ze allemaal zeggen. Alles, iedereen komt er in voor. Dat antieke bed dat we uit elkaar haalden, ’t Is letterlijk zo gebeurd.’ Tegen mij zei hij in een interview: Kitty is veel mooier en intelligenter dan Tony in Het jaar van de kreeft.’ ‘Hij wou dat ik een belangrijk actrice werd. Hij zei, met dat spontane gedoe loop je vast, je moet op de techniek werken. Techniek vond ik niks. ik had techniek altijd gehaat. Hij wou me een totale opleiding geven. Ten slotte zei ik: “Oké, als ’t niet lukt, hou ik ermee op.”

‘Hij wou dat ik een belangrijk actrice werd. Hij zei, met dat spontane gedoe loop je vast, je moet op de techniek werken. Techniek vond ik niks.Ik ben spraaklessen en bewegingslessen gaan nemen. Hugo heeft me daartoe de mogelijkheden gegeven. Ik weet nog dat Hans van den Berg, van wie ik altijd slechte kritieken kreeg in Het Parool, na mijn rol in Teresa schreef: “Ik heb nooit begrepen waarop de populariteit van Kitty Courbois berustte. Maar er is iets met haar gebeurd. Ze kan ineens praten en zich bewegen.” Hugo had dat stuk voor me uitgekozen, hij had de regie, ’t was een soort monoloog. Een vrouw plaatste een advertentie omdat ze niet alleen kon zijn, daar komt iemand op. Ze begint te praten, en houdt niet meer haar mond! Dat stuk speelde ik toen onze verhouding al was geëindigd. Een vreselijke situatie. Ik wou weg bij het toneel. Zat ook op het dieptepunt wat mijn vak betreft. Hugo had me willen helpen. Maar ik accepteer heel moeilijk hulp van anderen. Terwijl als ze niks doen, denk ik: waarom doen ze verdomme niks. Ik had het gevoel dat hij me wou veranderen, daar ben ik allergisch voor. Mijn moeder wou me altijd al veranderen.’

Zegt woedend dat Hugo wilde dat ze zich anders kleedde. ‘Nam me mee naar Hirsch. Ik schreeuwde: “Alleen als Marina ook een jurk krijgt.” Goed, Marina ook. Maar ik zette in de mijne de schaar. Je krijgt mij niet in een jurk van Hirsch. Ik zag alles in een verkeerd licht. Hij wou me iets laten proeven, een ander soort leven. Nooit at ik in een restaurant, toen voortdurend, met dure wijn erbij, die klokte ik zo achterover. Hij was tegen mijn stijl van leven. Die was hem te slordig. “Als je steeds omgaat met mensen, die niks willen,” zei hij, “kom je geen stap verder. Waar je mee omgaat raak je mee besmet, je pikt er dingen van mee.” Ik moest een stapje naar boven. Maar dat chaotische was voor hem toch een aantrekkingskracht. En ik ben niet eens zo chaotisch.’ Duistere glinsterende blik. ‘Ik moest aan sport doen. Hij kocht een hele tennisset. Nou, dat gedoe met die witte sokjes, wit rokje, die salonsport ligt me helemaal niet. Ik heb vroeger wel hevig gehockeyd en gevolleybald.

Ik kan heel slecht tegen kritiek, en bovendien heb ik altijd m’n eigen geld verdiend. Vaak was ik in een relatie de enige die geregeld geld inbracht.

Toen dat rotboek verfilmd zou worden heb ik George Sluyzer gevraagd of hij er alsjeblieft van af wou zien. Maar het ging door. Herbert Curiël had de regie en kwam me vragen voor de hoofdrol. Ik heb hem de boot afgescholden. Maar hij was zo aardig, had er alle begrip voor. Andrea Domburg zei: “Doe het nou. Beschouw het als therapie.” “Als ik dat speel,” zei ik, “ben ik echt een hoer.”

Alleen leven wil ik niet

Ik heb door die hele geschiedenis een vertekend image. Als ik verliefd ben, ben ik monogaam. Als ik vreemd ga is er iets aan de hand. Ik stort me in iemand en dan loop ik met open ogen m’n ongeluk tegemoet. Dan treed ik buiten m’n oevers. Nu heb ik steeds het voorjaar achter in m’n kop. Lente, tijd voor een nieuwe liefde. Als de knoppen nog net niet open zijn, worden de meeste mensen opgenomen, krijg je een piek in de zelfmoorden. Hugo was verschrikkelijk jaloers. Daar kan ik niet tegen. Ik heb moeite met een vaste relatie. Maar alleen leven wil ik niet.’

Snel met grote opwinding over haar behoefte aan veel mensen om zich heen. Roos, de overbuurvrouw die vaak komt. Het terras op de boot, dat zomers stikvol mensen is. ‘Maar ik kan er niet tegen dat iemand aan m’n voeten ligt. Die trap ik. Er is es iemand geweest, die alles voor me deed. Nou. daar heb ik een misbruik van gemaakt, jongen.

Meiden vragen vaak: “Hoe deed jij dat nou als je een vriend had?” Mannen zijn vaak jaloers op een kind. En zo’n kind gaat daardoor ook extra aan je trekken. Gijsje is veel liever tegen Ernest als ik er niet bij ben en Violet heeft ze twee jaar lang het leven zuur gemaakt. Kinderen willen altijd lijmen, toch heeft ze het veel leuker nu. Als ze naar Rik en Violet gaat heeft ze daar een grote eigen kamer met al haar boeken en spullen. Bij Rik kan ze over mij zeuren en bij mij over hem. Violet is een juweel, geduldig, aardig en bloedmooi. We gaan heel goed met elkaar om. Laatst zei iemand: “Dat jullie uit die puinhoop nog zoiets goeds hebben opgebouwd.”

Bij Baal kan ik alles kwijt

Sinds Leonard Frank Baal oprichtte ben ik erbij. In het eerste stuk dat we speelden, Baal van Brecht, was ik de oude moeder. Ik had zoiets nog nooit gedaan. Verschrikkelijk fijn, een stuk met die prachtige muziek van Willem Breuker.’

Terwijl ze op de rand van een krant reeksen bloemetjes tekent vertelt ze waarom ze destijds twee jaar niet speelde. ‘Gijsje klampte zich dermate aan me vast, ik vond dat ik moest thuis blijven. Daarbij was ik na de breuk met Hugo en Rik in een zak geraakt. Maar ’t is erg goed geweest dat ik er toen twee jaar uit was want Gijsje kreeg in die tijd ontzettend genoeg van me. Als je mij m’n gang laat gaan, kom ik de deur niet meer uit. Ik zat veel te dicht op het kind. Voor mijn werk was het ook goed. Ik kon niet tegen Peter Handke. Ik vond het een oplichter. Iedereen bij Baal snapte De rit over het Bodenmeer. Ik kon geen toegang vinden. Maar toen ik eruit was en in de zaal zat bij de première, zag ik het ineens. Had ik zin het zelf te doen. De hypochonder van Botho Strauss, daarin speelde ik de moeder die de jongen helemaal inkapselt. Een kreng van een wijf. Nou, dat pak ik dan even, dat heb ik naast de deur. Zo reageer ik af. Bij Baal kan ik alles kwijt. Je zit niet in het keurslijf van een rol. Bij Baal speel ik rollen die ik bij het gewone toneel nooit zou krijgen.

Ik voel me er thuis. Die jonge mensen zijn hartstikke goed. Mijn vertrouwen in mensen heeft veel klappen gehad maar de mensen van Baal vertrouw ik voor honderd procent. Je loop erbij zoals je wilt, vieze nagels, scheuren, ’t maakt niet uit. Zit ik in een zak dan schreeuw ik en dan weet ik toch dat ze me aardig blijven vinden. Als ik naar het gewone toneel zou gaan dan doe ik binnen de kortste keren mee, ga ik weer strijken, schoen poetsen.

In het begin was het wel ontzettend omschakelen. Bij het gewone toneel heb je zo’n last van de zaal. Je mag niet met je rug naar het publiek. Bij Baal zingen we zelfs als het zo uitkomt met de rug naar het publiek.

Het Publiekstheater, ik heb het gevoel dat ze daar nog precies zo spelen als twintig jaar geleden. Nu hebben ze een stuk over Pisuisse, Mensch durf te leven, van Gerben Hellinga. Ze hebben onze repetitor geleend en onze zangleraar. Ze zien toch dat wat wij doen goed is. Ze nemen zelfs een stuk dat wij ook gaan spelen, Gross und Klein van Botho Strauss. Ik ga nu George Sand doen. Lodewijk, die wordt naast Leonard Frank onze tweede regisseur, schrijft het scenario. Louis Andriessen de muziek. Met Kasper (van Peter Handke; regie Lodewijk de Boer) gaan we op reis. Eerst in het Hot in Den Haag. Iedereen herkent zo veel in Kasper. De concessies die je in het leven moet doen, hoe je langzaam aan verpest wordt. Ik vind het fascinerend, acht mensen op het toneel die allemaal Kasper zijn en hetzelfde denken over wat toneel moet wezen. Bij welk gezelschap krijg je nou de kans om bij voorbeeld aan acrobatiek te doen. Ik had waanzinnige hoogtevrees. Na twee weken stond ik soepel op de schouders. Als Frascati klaar is gaan wij dat bespelen en dus moeten we uitbreiden. We hebben meer subsidie nodig want we komen nu al te kort.’ Driftig over de verbouwing waaraan nog steeds niet is begonnen. Terwijl Baal het Shaffy Theater uit moet, want ‘ze zijn geen experimentele groep meer. We zijn een gezelschap.’

Bij welk gezelschap krijg je nou de kans om bij voorbeeld aan acrobatiek te doen. Ik had waanzinnige hoogtevrees. Na twee weken stond ik soepel op de schouders.Het gewone toneel waarbij je heel gauw ‘in een bepaalde hoek zit.’ En het toeval waardoor ze een paar keer ‘fantastische rollen’ kreeg. ‘Han Bentz van den Berg voelde niks voor een jongensachtige Viola in Driekoningenavond, dus koos hij Femke Boersma. Femke werd ziek en toen kreeg ik Viola toch. ’t Was een soort feestrol. Iedereen is je zo dankbaar dat je het aandurft. Ik speelde op de première met het draaiboek in m’n hand. Had de mazzel dat Ramses Shaffy Orsino deed. Ik ben stapel op Ramses. Ik heb nog nooit zo mooi gespeeld. Je treedt buiten jezelf, vergeet je angst. Ik had ook iets van: ik zal jullie es wat laten zien.

De Tomaat-acties

Toen we The Severed Head van Iris Murdoch deden was Femke Georgy. Ik dacht: vreemd. Georgy is het slordige type. Dat ben ik. Femke werd ziek, dus dat kwam weer goed. Het was een blijspel, maar met een tragische noot. Voor een echt blijspel heb ik mijn gezicht niet mee. De timing is ook heel moeilijk. Koot & Bie kunnen timen. En André van Duin. Toen ik die in Carré zag, ik was met Gijsje, ik keek m’n ogen uit.’ De Tomaat-acties: ‘Dat was in de periode-Hugo. Ik was toen al veel te warrig, het ging langs me heen. Ik hoorde natuurlijk wel bij de handel waartegen gegooid werd, maar toen Hugo er de lucht van kreeg dat ze bij onze voorstelling van Vrijdag kwamen, liet hij zijn broers komen. Die zaten als bodyguards in de zaal.

Een gevolg van de acties is dat wij van Baal er zijn, maar veel mensen zijn erdoor in de misère gestort. Met Guus Oster is het gelukkig weer prima. Ik kan geen kwaad van die man horen. Bij de Nederlandse Comedie hield hij al die ouwe mensen maar aan. De man is zo trouw en sociaal voelend. Een keer ben ik in opstand gekomen. Ik weet echt niet meer precies waarover. Ik was ontzettend kwaad. Ik ben in de pen geklommen. Geschokt belt hij me op. Kitty, wat is er aan de hand? Ik schrijf, zei ik, omdat ik je anders naar de keel vlieg. Toen hebben we gecorrespondeerd. Geachte mevrouw Courbois, geachte heer Oster.

Ik ben er weggegaan. Wou weg bij het toneel, maar ben toen gezwicht voor Leonard Frank, die gaf me in Het lied van de moordenaar niet de rol van de wilde meid, maar van Lisa, de barones. Iets totaal anders. Toch ben ik er heel kort geweest. Ontslag genomen na een ruzie over contractuele verplichtingen. Ik was zwanger, maar dat wist ik nog niet.

Toen zei hij: “Kit, ik pak je terug. Ik contracteer jou. Kom meteen morgen op kantoor.” Ik krijg nog tranen in m’n ogen. Wie zou zoiets doen!Op een dag, ik was werkloos, moest naar de WW, belt Guus Oster. “Kitty,” zegt hij, “wat doe je?” “Niks,” zeg ik, “Ik ben zwanger.” “Waar leef je dan van?” “Van de WW,” zeg ik. Toen zei hij: “Kit, ik pak je terug. Ik contracteer jou. Kom meteen morgen op kantoor.” Ik krijg nog tranen in m’n ogen. Wie zou zoiets doen! En die man heeft toch ook hele mooie rollen gespeeld, ook slechte, maar waarom verdomme, moeten ze vergeten wat hij wel goed heeft gedaan!?’

Ton Lutz: ‘Een erg goeie regisseur. Toen ik in Vrouwen van Troje speelde zei hij: “Dat je je kunt inleven, talent hebt, weten we wel, maar nu iets anders.” Ton begon over de vorm. Van Ton heb ik timing geleerd en dat ik met de vorm veel kan doen. Ik wist niet dat ik dat in huis had. Toneelspelen is luisteren naar anderen. Wat Ko van Dijk en Paul Steenbergen deden in Mooi weer vandaag, dat was hogeschoolrijden.

Ko van Dijk heeft mij mijn eerste kans gegeven in De getatoueerde roos van Tennessee Williams. Ik was daarin de wilde dochter Rosa. Ank van der Moer was mijn moeder. Ik kwam net van de toneelschool en smeet pang mijn hele aanwezigheid op het toneel. En dat met mijn stem! Heel hard en wild. Dat waren ze niet gewend, daardoor sloeg ik zo aan.’

Han Bentz van den Berg: ‘Een heel diepe, goeie vriend. Die man is door de tomatengooiers kapot gemaakt, en door de critici. Ze hebben De laatste trein, film van Eric van Zuylen waarin Han de hoofdrol had, in de pan gehakt, op een schandelijke manier. Vooral voor Han Bentz waren de kritieken vernietigend. Toen hij dood was schreef de NRC, die ook geen goed woord voor die film had overgehad: ‘Han Bentz van den Berg schitterde in De laatste trein.’ Verschrikkelijk! Een jankpartij.’

Een knipselboek (bijgehouden door haar moeder: ‘Kitty Courbois gaat in Italië filmen.’ Krantenpagina’s met veel foto’s van beeldschone Kitty, als ‘cowgirl’ in Helden op de schommelstoel van Frans Weisz. Als Het gangstermeisje, regie Frans Weisz.

Ik citeer Gijs van de Westelaken en Fred van Doorn, die haar terecht in Filmfan de favoriete actrice van jonge Nederlandse filmers in de jaren zestig noemden. Ze heette de Nederlandse Anna Magnani (na haar succes in De getatoueerde roos en de Nederlandse Anna Karina.)

Volgens Filmfan zei je dat je type ’tenger, donker,’ geen mode meer was en dat er daarom aan die samenwerking een einde kwam. Maar je bent een fascinerende actrice.
‘Volgens die jongens van Filmfan hadden Frans Weisz en anderen met mij moeten blijven werken maar, zeiden ze: “Jij herinnert hen te stérk aan hun dromen die nooit uitkwamen. Ze hadden allemaal een Fellini en een Godard willen worden.”

Je noemde in dat interview de televisieserie ‘Een mens van goede wil’ een ontzettende doorbraak.
‘Ze zagen toen dat ik wat anders kon dan een plaatje wezen.’

Maar je had toch al een geweldig groot succes gehad op de televisie in Anouils ‘Antigone’.
‘Dat heeft haast niemand gezien, hoor. Natuurlijk, ik ben helemaal niet Het Plaatje, integendeel. Toen ik Het Gangstermeisje zag, was ik kwaad op Frans Weisz. Ik zei: “Je had net zo goed een fotomodelletje kunnen nemen.”

O, die rol lag zo naast mijn deur

Een echt grote, dramatische rol heb ik op film nooit gehad. Als Wim Verstappen es een keer Ibsen gaat doen, en hij vraagt me daarvoor, dat lijkt me fantastisch. Ik houd erg van toneel, maar na honderd keer spelen hangt een stuk me vaak de keel uit. Daarom, zo’n eenmalig iets. een echt goeie rol op film! In Antigone was ik echt goed. O, dat is zo’n prachtig stuk. Ik was zo blij met die rol! Op de toneelschool wist ik zeker dat ik de rol van Antigone nooit zou krijgen. Het leek zo’n onbereikbaar ideaal. Ik dacht toen: dat stuk gaat over ons. Dat is het probleem van het volwassen worden, het concessies moeten doen. De slechte broer mag niet begraven worden, wie hem begraaft moet sterven. Antigone wil hem begraven. Haar oom Creon probeert haar over te halen dit niet te doen. Praat over concessies.’ Ze springt overeind, roept met hevige stem, terwijl haar ogen lijken te groeien en haar gezicht, klein en bleek, erdoor overheerst wordt: “Moet U dat zeggen!”

Antigone weigert en ze gaat eraan. Ze neemt afscheid van haar zuster, blond en mooi. Het tegenovergestelde van wat ze zelf is, van Hemon en haar voedster, de enige die echt van haar houdt. O, die rol lag zo naast mijn deur. Ik ben gestopt tijdens de opnamen omdat ik zo ontzettend huilde. Ik versprak me door dat huilen, zag me op de monitor en dacht opeens: Antigone huilt niet op zo’n moment. Iedereen zei: waarom ben je gestopt. – De tweede keer was iets minder, toen heb ik het net niet helemaal gehaald. Maar het was toch een erg goeie rol. Gevoelsmatig dingen over laten komen, dat is mijn kracht.

De laatste trein: ‘Ik was daarin een eenzame, beetje droevige vrouw, die niet veel zegt. Op een gegeven moment doe ik de kast open, ik ben ouder en dikker geworden en alle kleren die ik bewaard heb geef ik aan het meisje, gespeeld door Monique van de Ven. Monique laat zich aankleden met de kleren uit de jeugd van de vrouw die voorbij is. Het is als het afstaan van herinneringen. Met Jan de Bont, cameraman, heb ik toen fijn samengewerkt. Je hebt soms dat je op iemand valt via de manier van kijken.

Ik ken dat venijn heel goed, die nare trekken van Rosa, die kon ik met enthousiasme brengen.Een mens van goede wil (van Gerard Walschap), televisieserie: ‘Daarin was ik Rosa. Ik wist dat het een ondankbare rol was, want Rosa doet alles wat fout is. Ik zei tegen Walschap toen hij op de set kwam: “Volgens mij was Rosa uw grote liefde, anders had u haar nooit zo slecht gemaakt.” Toen hij later de serie gezien had, heeft hij me opgebeld. Hij zei: “Ik kan mij geen betere Rosa voorstellen.” De kroon op mijn werk. Ik ken dat venijn heel goed, die nare trekken van Rosa, die kon ik met enthousiasme brengen. Als ze haar man heeft vermoord en ze staat in de verdachtenbank, zegt ze: “Meneer de rechter, ik dacht dat het iemand anders was.” En ze wordt vrijgesproken. De rol zat me als geramd.

Coba in De laatste trein is ook absoluut geen trut, maar daarna heb ik wel aldoor trutten te spelen gekregen. Nouchka van Brakel vroeg me in Het debuut. Eigenlijk was die doktersvrouw in die vreselijke kleren niks voor mij, maar de scène op Schiphol was steengoed. Ik wist zeker dat het heel sterk zou overkomen. Nouchka en ik hebben er veel over gepraat. Ik begreep haar bedoeling, vond het geweldig dat ze me zo vertrouwde. Je weet dat ze je niet laat zakken. Als ze zegt dat het goed is, is het goed.

In Twee vrouwen ben ik weer de moeder van de jongste vrouw. Vastgepind op moederrollen. Als het echte wijven zijn vind ik dat niet erg, maar ik heb besloten absoluut op te houden met die trutten. Ik zie er ook weer niet uit in Twee vrouwen. Ik zou erg graag een soort Blanche spelen, zo’n vrouw als in Tramlijn Begeerte van Tennessee Williams.’

Nouchka gaat ‘Edith’s Diary’ van Patricia Patricia Highsmith verfilmen. Edith zou jij moeten spelen. Edith verandert de teleurstellingen. tegenslagen, rotzooi in haar dagboek in triomfen. Ze wordt door haar fantasie meegesleept en…
‘Onder invloed van iemand komen,’ zegt ze gretig, ‘dat voel ik goed aan. Het overkomt mij zo vaak. Gemanipuleerd worden, totaal in een verkeerd spoor raken en dan omdraaien. Heel begerig iemand volgen en dan je ertegen verzetten. ’t Is ook heerlijk om je te laten meeslepen.

ik zeg nu alles meteen. Door dat liegen zijn we zo in de vernieling geraakt. Dat ik niet van twee mannen tegelijk kan houden, daar ben ik ook afMensen die gelijk met mij op de toneelschool waren hebben nu kanjers van hoofdrollen, zo had ik ook kunnen doorstoten. Femke Boersma heeft es tegen me gezegd: “Jij hebt te weinig ambitie en ik te veel.” Hugo wilde me helpen. Hij heeft van Elly ook een beroemde filmactrice willen maken. Elly was een fantastisch fotomodel, iedereen dacht in die tijd: ze gaat het helemaal maken bij de film. Hij was het ook van plan met mij, maar ik wou niet. Sylvia Kristel heeft het helemaal alleen gedaan. Hugo is een erg goeie begeleider, maar ze had het zonder hem ook voor mekaar gekregen. Ik ben door onze geschiedenis wel gaan inzien hoe betrekkelijk alles is. Onze verhouding heeft drie jaar geduurd. Hugo zei altijd: “Woensdag halfelf kan het afgelopen zijn.” Ik werd daar razend om. Ik vond: je houdt van iemand of niet. Daar ben ik voorgoed vanaf. Ook van het gelieg en bedrieg, ik zeg nu alles meteen. Door dat liegen zijn we zo in de vernieling geraakt. Dat ik niet van twee mannen tegelijk kan houden, daar ben ik ook af.

In de jaren zestig was Rik de bink van Arnhem, had het gangsterachtige waar ik als een blok op gevallen ben. ’t Was een harde tijd, er werd niet gepraat zoals nu in al die praatgroepen. Je kon een dreun krijgen. Rik noemde zich Pyromaan, was bevriend met Klaas Gubbels, Mark Brusse en Jan Cremer. Jan had het niet op mij, in zijn boek heet ik Kitty Carrière.

Ernest speelt schitterend viool, klassieke zigeunermuziek en piano, is net zo donker als Gerben, heeft ook dat tedere en harde. Net als Hugo, alleen is die veel ouder. Hij had ook daardoor een flink overwicht. Alles uit mijn kinderdromen, daar staat Hugo voor, maar ik was niet rijp genoeg om het te pakken. Prachtige gedichten heeft hij voor me geschreven, die kreeg ik in een doosje van paars fluweel. Ze waren allemaal vierregelig. Hij is altijd magisch met getallen. Ik mocht de titel verzinnen: ‘Dag, jij.’ Als je ze leest, daarin herken je alles uit die periode. Ik was een warhoofd, hij ook. Hij wilde op dat doosje schaamhaar plakken. Razend was ik, vond het vies. Nu zie ik er de humor van in. Ik heb het door m’n truttigheid verpest. En omdat ik schrok van zo veel begrip. Dat moest ik kennelijk trappen. Het trap-element is nog zeer groot. Waarschijnlijk verzet ik me tegen het gevoel dat een verhouding bindend is. Nu ben ik bezig de vruchten te plukken van al die mislukkingen.

Hugo was de ideale vaderfiguur, de leidinggevende persoon. Mensen om me heen zoeken een leidende figuur en du moment dat ze die ontmoeten, stoten ze hem af. Ik ook, ik draai om, barst van de kritiek. Zo blijf je rondtollen.’

Er zijn vrouwen met de aantrekkingskracht van een moeras (Hugo Claus tegen mij destijds in Vrij Nederland).
‘Ik heb een negatieve invloed. Ik maak dat mensen dingen doen die ze anders nooit doen. Gerben smeet een jeneverfles tegen de muur. Hugo sloeg niet, maar hij wou wel slaan. Met slaan wil ik niks te maken hebben, heb ik al te veel van m’n moeder gehad, ’t is te vernederend. Wat sterk is, daar moet ik tegenaan. Ernest is een rots en ik doe alles om te maken dat de rots het begeeft. Iemand die ik niet aan kan, daar heb ik nooit een boodschap aan gehad. Ik lever echt gevechten maar alleen in intense verhoudingen. Dat betekent toch niet dat twee mensen niet bij elkaar passen! Waarom zou ik niet bij Hugo en Rik en Ernest passen?

Hugo sloeg niet, maar hij wou wel slaan. Met slaan wil ik niks te maken hebben, heb ik al te veel van m’n moeder gehad.Laatst zag ik op tv Simone Signoret in Dédé d’Anvers. Ze huppelt langs de kade, bloedmooi. Als je dat vergelijkt met die grandioze rol in La vie devant soi. God wat heeft die vrouw met de jaren gewonnen.’

‘Ik ben nu zo ver dat ik weet dat die situatie met Hugo dringend moest plaatsvinden, ’t gaat allemaal langzaam. ’t Heeft tijd nodig van iemand los te komen. Maar ik heb het geklaard. Ik ben nu zo ver dat ik erken dat Hugo voor mij belangrijk was. Daar vecht ik niet meer tegen. Dat blijft.’ BIBEB

 

Hugo Claus schreef ‘Dag jij,’ gedichten voor Kitty Courbois (die de titel bedacht). Maar ze wilde niet dat dit bekend werd, daarom zijn ze ook niet aan haar opgedragen. Dit is de eerste keer dat ze in een interview vertelt over Hugo Claus en de werkelijkheid van zijn roman Het jaar van de kreeft.

Zij staat weer in haar kleren. Wanneer weer?
‘Ik wil wel, maar ik moet kunnen.’
Zij leeft in een inventaris
van wat hier en van wat daar is,
wat van ons is en wat van hem is.

‘Hoe noem je het?’ — ‘Met iemand slapen.’
‘Hoe nog?’ – ‘Dat zeg ik niet.’ – ‘Dan niet.’
‘Hé, kijk eens even!’ – ‘Nee.’ –
Zij keek ernaast. Nog zeven jaren zal zij
het moeten leren, dan is zij wijs. En grijs.

Een Indiaan van veertien jaar.
Een geitje dat zich likt. Een hoer
van Marseille in 1920 & soms is zij
éénling, van haar ene monding
tot de lagere, zij.

‘Dit is de allermooiste nacht. Bedankt.’
Wel, streel mij dan, trut!
Zij krabt, aarzelt, vertraagt, dwaalt tussen lies en bil. En ik, ha!, blut!
Geen gil vannacht, geen goal!

Haha! Ik had een hart, ik zweer ’t je
lillend als elk ander. En ratelend.
Voorwaar, het lag daar klaar voor haar.
– Mevrouw heeft haar strijkbout
op mijn hart gezet en geplet, geplet.

‘Hij heeft mij ontmaagd,’ zei zij.
‘Ik ben elke dag bang voor hem,’ zei zij.
‘Ik vertrouw hem nooit,’ zei zij.
‘Ik snik urenlang,’ zei zij en snikte,
‘en jij, je bent alleen maar mijn liefde.’

Haar jurk vol vlekken, geschramde knieën
blauwe plekken, zwarte nagels (het vuil van een kind)
Heeft zij iets van marmer? Jazeker, dokter,
haar blik als zij kermt en hikt en vloekt.

Zeven van de zestig uit ‘Dag, jij’, Opgenomen in Hugo Claus, Gedichten 1969-1978 (De Bezige Bij)