Jonah leest ook zelf voor.

Tussen de gebruikelijke drukte van Station Antwerpen-Centraal staat Joke onverstoorbaar naar de hemel te kijken. Een eindeloze stroom mensen glijdt langs haar heen – toeristen, scholieren, zakenlui, orthodoxe Joden en diamantenhandelaren.

De laatste keer dat ik Joke zag, had ze een winkelwagen bij zich waar al haar bezittingen in zaten. Nu heeft ze zich omringd met negen boodschappenkarretjes.

Ik had verwacht dat het lang zou duren om haar te vinden op straat, maar ze blijkt nog geen honderd meter van mijn hotel te staan. Wie niet in toeval gelooft, gelooft in God, maar hopelijk zit er nog iets tussenin.

Kleuterjuf

Vorig jaar verbleef ik de hele maand juni in Zundert, de geboorteplaats van Vincent van Gogh, om daar schilderijen te maken als artist in residence in het Van Gogh huis. In diezelfde tijd vroeg Vrij Nederland me of ik een artikel over armoede in Nederland wilde schrijven. Een paar dagen later kwam ik Joke tegen op straat. Het eerste wat ze tegen me zei was: ‘Jij bent de kunstenaar. Heb je al spijt dat je hier zit?’ Ze keek me helder en vriendelijk aan. Het bleek makkelijk om eerlijk te zijn tegen een onbekende. Ze noemde me een aartsengel en kuste me. We werden vrienden.

Joke werd geboren in Zundert, was ooit kleuterjuf maar sinds 1989 leeft ze op straat. De demonen nemen het soms van haar over; al jaren is ze voor premier Rutte onderzoek aan het doen.

Ik heb sindsdien niet vaak teruggedacht aan Zundert, maar wel aan Joke. De directeur van het Van Gogh huis vertelde me dat Joke het afgelopen jaar meermaals naar het museum kwam om te vragen waar ik bleef. ‘Ze is een beetje verliefd op je,’ zei hij.

Genoeg reden om haar weer eens op te zoeken.

‘Ik omhels haar en herinner meteen weer hoe indringend ze ruikt: een mengeling van oud zweet, ongewassen kleren en iets onbestemd zoets.’

Van haar verliefdheid lijkt nog maar weinig over. Laconiek zegt ze: ‘Hé, daar ben je.’ Alsof we elkaar gister nog zagen. Ik omhels haar en herinner meteen weer hoe indringend ze ruikt: een mengeling van oud zweet, ongewassen kleren en iets onbestemd zoets.

‘Ik sta te balen,’ zegt ze. ‘Ik mocht niets drinken op dit terras zonder QR-code en niet naar het toilet. Dus ik heb het hier, achter m’n karretjes, gedaan. Zo loopt de beek,’ zegt ze al wijzend naar de grond. Ik sta er met mijn voeten in.

Ik stel voor om verderop een koffie te drinken en neem de ene helft van de karretjes. Zij neemt de andere helft. ‘Die karretjes zijn een soort imago,’ zegt ze. ‘De meeste daklozen hebben een rugzakje, maar ik wil iedereen laten weten dat ik voor Rutte aan het werk ben.’ Mensen kijken naar me als ik met de karretjes over de Keyserlei loop, met een blik die ik niet ken maar wel meteen begrijp: je bent gedegradeerd en mensen kijken bangig vanuit hun ooghoeken, alsof je besmettelijk bent en om geld gaat vragen.

‘Ik moet wel een beetje in de buurt blijven, want er komt zo een Duitse meneer terug die medicijnen ging halen en dertig euro moest betalen aan de gemeente. Hij heeft zijn accordeon moeten inleveren. Ik heb hem geld geleend. Hij heeft die trekzak nodig om zijn kostje te verdienen.’

Zonder agenda

Afgelopen zomer verliet Joke Zundert en ging ze naar een huisje in Etten-Leur. ‘Maar daar word ik iedere keer ziek. In dat huis is Paus Paulus Johannes ook heel ziek geweest. En er moesten tachtig psychiatrische patiënten uit hun huizen. Daar waren ook bedlegerigen bij, mensen in rolstoelen, sommigen waren gevangenen, denk ik. De politie zei dat ik ze maar moest meenemen. Ik voorop en die tachtig mensen achter mij aan? Ze hebben niet geluisterd.’

Ze vertrok naar Breda om de arbitrage voor de horeca te doen en kwam in contact met een handelaar in mensenvlees. ‘Ik mocht geen worstenbrood en Chinees meer halen. Die handelaren blijken gewoon mensen van de GGZ te zijn!’

‘En toen besloot je dus naar Antwerpen te gaan?’

‘Ja, ik stond te lummelen op het station, dat deed ik een paar jaar geleden ook toen ik nog honden had om warm te blijven terwijl iedereen binnen zat met kerstmis. Dat treinen hebben we toch mooi vier weken volgehouden.’

Ze wilde eigenlijk naar Leuven maar het ondergrondse station van Antwerpen trok haar.

Alles lijkt toevallig te gebeuren in haar leven, zonder agenda maar op instinct. En ze verdoet haar tijd niet. ‘Ik ben nu in het Zuiden alles voor Rutte aan het uitzoeken. Mensen die voelen dat er in Nederland wat opkomst is, duiken onder in Antwerpen, daar is het een mooie stad voor. Hier word je geen zonde vergeven, je moet het goedmaken. In Nederland kun je tot na je dood blijven liegen, en dat is de reden van recessie.’

Ik knik, kan haar geen ongelijk geven.

‘Als Nederland ooit boven water komt van die corona en de recessie, dan hebben ze dat aan de Belgen te danken. De helden zitten onder de grens, het is slecht verdeeld.’

Handel doet leven

Aangezien er geen ober komt, sta ik op om binnen een koffie te halen. ‘Niet weggaan hè?’ Ineens overvalt me de angst dat ze straks verdwenen zou kunnen zijn en ik haar nooit meer zal zien. Ze schudt glimlachend van niet en zegt: ‘Ik ga nergens heen.’

Als het barmeisje me ziet aankomen, zet ze een stap achteruit. Ze zegt dat het een restaurant is, als ik iets eet kan ik ‘in principe’ ook wel iets drinken. Een slecht verborgen leugen, want achter haar staan hoog opgestapelde kartonnen meeneembekers.

Bij de volgende tent hebben ze mij misschien niet met Joke of de karretjes zien lopen, of vinden ze dat geen probleem.

Joke vraagt hoe het met mijn armoedeonderzoek voor Vrij Nederland gaat, wie ik spreek en wat ik doe. ‘De straat op met hulpverleners, praten met asielzoekers, ongedocumenteerden, dakloze jongeren, politici, de GGD, politie, beleidmakers enzovoorts.’ Ik hoor mezelf praten en denk: dit klinkt even onsamenhangend en vaag als Joke die voor Rutte aan het werk is.

Ze proost vrolijk met de koffie maar zegt dan ernstig: ‘In mijn huisje hebben ze alles kapot gemaakt. Ik weet niet waar de haat vandaan komt, hetzelfde als de Tweede Wereldoorlog, dat was een handelsoorlog. Maar toen bleef het buiten mij want toen hadden ze de jugendstil. Duur spul en onverslijtbaar zo mooi, daar ben je voorzichtig mee dus dan heb je geen handel meer en dan is er geen leven meer mogelijk.’

Een kernachtige formulering van wat het kapitalisme beoogt te zijn: handel doet leven. ‘Vervolgens is de constructie met de Chinese prullaria bedacht. Beatrix is altijd jaloers op me geweest, de Oostenrijkers hadden mij ook veel liever dan Bea.’

‘Beatrix zat in Soestdijk dichterbij alle informatie, en ik niet, daarna heeft ze Juliana gewipt in 1975. Ze hebben het allemaal zo willen draaien dat ik nooit op de wereld was.’

‘Waarom was Beatrix jaloers op je dan?’ vraag ik. De voormalige koningin interesseert me meer dan Chinese prullaria.

‘Beatrix zat in Soestdijk dichterbij alle informatie, en ik niet, daarna heeft ze Juliana gewipt in 1975. Ze hebben het allemaal zo willen draaien dat ik nooit op de wereld was. Toen ik kinderen kreeg, is Beatrix ermee gaan handelen. Maar er zijn er teveel die me erbij willen houden en die hebben hun kinderen via mij.’

Ik knik instemmend en vraag hoeveel kinderen ze precies heeft.

‘Drie. Tijdens een operatie hebben ze gezegd dat ik dood was. Veertien dagen later zagen mijn kinderen me pas. Soms hoor ik ze zingen op de radio.’

‘Wie? Je kinderen?’

‘Ja, heel smartelijk.’

Joke zingt: ‘Ik hoor je stem, maar ik zie je nergens. Mama ik ben een kind van de duivel, maak je maar niet ongerust.’

‘Mis je ze?’

‘Jawel, en het gaat niet erg goed met ze. België is ook geen land voor gezinnen. Je wordt individueel begeleid. Je krijgt een flatje toegewezen maar je kunnen niet koken.’

Straatantropoloog voor premier Rutte

Ik bewonder haar talent om alles aan elkaar te knopen en logisch te laten klinken. Ik onderbreek haar dan ook nooit en neem de waan − voor zover het dat is − serieus. Dit leerde ik van een politieagent die met psychotische mensen werkt: ‘Als je ze niet serieus neemt, hebben ze het meteen door. Iemand zegt nooit zomaar wat. Er is altijd een link met de realiteit. Je moet luisteren en eigenlijk horen wat ze niet zeggen.’ Joke zegt veel en ik heb nog geen idee wat ze niet zegt.

Joke lijkt nu gelukkiger dan in Zundert, en dat beaamt ze. ‘Nederlanders zijn altijd kil en afstandelijk. Belgen zijn charmant, ze vragen niet of je geld, eten of drinken nodig hebt. Want als je in je hand kijkt, dan zit het er al in. Ze stoppen je vol! Als je het over de hemel hebt, dan is het hier. Ze eten van gouden bordjes.’

Ook haar nachten zijn aangenaam. Bang is ze niet, want ze werkt samen met de politie.

‘Maar is het niet te koud?’

‘Nee, hoor. Maar nu het kouder wordt, gaan de mensen ook hier meer naar binnen en vrees ik dat ze de lijntjes aantrekken, om het met kerstmis weer wat mooier te doen thuis. Ik heb me weleens afgevraagd of ze dat warme gevoel van de zomer kapot willen maken als je weer met mooie kleren en bestek aan tafel wilt zitten. Daar komt kilheid van, toch?’

‘Ja misschien. Wat ga jij doen met kerst? De opvang in?’

‘Nee, ik heb besmettingen op mijn rug en in zo’n centrum blijft dat hangen. In de herfst hoestte iedereen de corona bij elkaar in het smoel. De mensen hebben binnen gezeten en zijn niks meer gewend, ze hebben longen als kasplantjes.’

Bang voor corona is ze niet. Ze heeft alle behandelingen met een encyclopedie uitgezocht. Tot medicijnen aan toe. En ze is al dikwijls bij de dood geweest, dus bang, nee. ‘De mensen willen me niet kwijt hè? Alle zes miljard mensen zijn allemaal van mij!’ ze lacht er even vriendelijk als demonisch bij.

Voor de zekerheid vraag ik in welk jaar ze eigenlijk geboren is.

‘1949. Maar ik was er daarvoor ook al. Ze hebben me verborgen gehouden in kelders tijdens de oorlog en daarna als pasgeboren aangegeven. Wat een truc hè?’

‘Ja, nogal.’

Ook al is Joke van net na de oorlog, ze weet nog goed dat de verloedering begon met de schilderijen van Rubens. ‘Hij hing zijn prostitutie aan de muur in de kerk, de vrije levensmoraal.’ De verloedering ziet ze nu vooral in de McDonald’s. ‘Er wordt teveel eten gepresenteerd om met je handen op te eten. Het tafelkleed is verdwenen, bestek, glazen, de stropdas, door corona is iedereen al helemaal altijd in joggingpak. De modewereld ligt op z’n gat sinds de dood van Karl Lagerfeld. Mooie jurken voor vrouwen genoeg, maar wat moet de man aan?’

‘Een pak?’

‘Ja, je zou de oude pakken weer aan kunnen trekken. Maar je gaat toch niet in een pak van Frank Sinatra lopen?’ Waarna ze ondeugend begint te lachen. Maar dan vraagt ze plots bezorgd of ik ook met de trein aangekomen ben hier.

‘Nou, dan weet je hoe diep het daar is. Ik pakte een keer de lift naar het diepste punt en toen stapte er een meneer met mij in en zei: “Er is niemand die het ziet als ik jou nu iets doe.” Hij stapte godzijdank uit, maar ik ben wel regelrecht terug naar boven gegaan en heb het aan de worstenverkoper op het station verteld. Ik hou niet zo van dat ondergrondse gedoe, hoor.’

‘En toch is het de hemel hier?’

‘Ja, je mag hier, en het wordt misschien ook wel van je gevraagd als je hier blijft, jezelf zijn. Wil je gek, kreupel, normaal, chic zijn? Je ziet hier alles onverbloemd, niemand verbergt iets. Dat kan in de rest van de wereld niet.’

De afgelopen dagen heeft Joke zich afgevraagd waar de mensen op straat vandaan komen, als onderdeel van haar onderzoek als straatantropoloog voor premier Rutte. Haar theorie is dat het mensen zijn die uitgezonden werden, als missionaris. ‘Misschien komen ze wel hier om bij te tanken en kunnen ze hun ervaringen met elkaar delen. Omdat ze hier allemaal van het individuele zijn, en toch bij elkaar staan te kletsen. Maar ik denk niet dat mijn vader priester wilde worden, hij had te slechte longen. Hij was van de ene kant verbonden met Vincent. Misschien heeft hij ook in de psychiatrie gezeten.’

Verstrikt geraakt in lijnen

Na twee uur ben ik verkleumd. Joke merkt dat ik aanstalten maak om te gaan. ‘Je moet echt een beetje langer blijven, of terugkomen, het is een boeiende stad hoor.’

Misschien is zij nu bang dat ze me niet meer terugziet. Ze zegt: ‘Heb je Alice in Wonderland al gezien in de dierentuin? Hier vlak achter het station?’

Ik schud van nee. ‘Of de bulten aan de Schelde? Daar zit een heel pijnlijk verhaal voor Antwerpen aan vast. Ik heb dat dagen bestudeerd. Het is helemaal opgebouwd uit driehoeken. Ik heb een trekkarretje met driehoekjes erop, en ze lieten me weten: “Die moet je ’s nachts niet in het zicht zetten. Want de mensen van Antwerpen voelen zich dan gekwetst.” Dus nu dek ik de kar af met een regenjas. En aan de Schelde ligt een gigantische afgescheurde stalen hand op de grond. Wist je dat?’

‘Daar komt de naam Antwerpen vandaan, toch? Van hand-werpen.’

‘Ja, als je koffie drinkt in sommige cafés krijg je er een koekje in de vorm van een hand bij.’

Ik sta op en zeg dat ik hoop dat haar vriend met zijn accordeon nog terugkomt. Ze haalt haar schouders op en vraagt of ik hier morgen ook in de buurt ben.

‘We hebben erg veel schizofrenen gehad. Door hun schizofrenie zijn ze zo verstrikt geraakt in lijnen dat ze zelf niet verder kunnen, maar ze kunnen een vliegtuig uit de lucht laten vallen.’

‘Ja, jij?’

‘Ik ben altijd wel ergens. Je moet echt even bij Alice in Wonderland gaan kijken.’

‘Wat ga jij doen vanmiddag?’

‘Ik ben met die flat bezig. Daar zijn mensen tussen etages in liften vastgeraakt. Ik wil het vanuit verschillende hoeken bekijken om te zien wat er gebeurt.’

‘Zullen we morgen om twaalf uur hier afspreken?’

‘Dat ligt eraan. Ik pak iedere ochtend een thema en laat het op me af komen. We hebben erg veel schizofrenen gehad. Door hun schizofrenie zijn ze zo verstrikt geraakt in lijnen dat ze zelf niet verder kunnen, maar ze kunnen een vliegtuig uit de lucht laten vallen.’

‘Ja, waarom ook niet eigenlijk,’ zeg ik gemeend.

‘Dat zou ook bij de Twin Towers het geval kunnen zijn geweest. Dat er zulke problemen van menselijke confrontaties zijn en een ontluistering van personen, dat de hele tent in elkaar zakt…’

Ik aarzel en zeg dan toch: ‘Tot morgen, Joke.’

Zo serieus als mogelijk

Ik loop de stad in en het kost me moeite om de realiteit te zien voor wat die is. Ik nam Joke zo serieus als mogelijk en ontwaarde soms een verwarde logica in de dingen die ze zei. Psychoanalyticus Adam Phillips schreef eens dat de gek geprivilegieerde toegang heeft tot essentiële waarheden en misschien altijd wel voor gek zal worden verklaard of moet doen alsof hij gek is.

Ik ga een boekhandel binnen om op te warmen. Joke’s indringende lichaamsgeur hangt nog om me heen.

Ik sla wel boeken open, maar niets bekoort me. Fictie schrijven lijkt me het kanaliseren van gekte, fantasie, of het beteugelen van de realiteit. Maar de scheidslijn is dun, en tijdelijk.

Een vriendin die met zware psychiatrische patiënten werkte, mensen die nooit meer in de samenleving zullen komen, zei eens: ‘Het zijn mensen zoals jij en ik. Soms werd ik zelf bijna gek. Dan lag er bijvoorbeeld iemand naast een prullenbak en dan kreeg ik aan het eind van een werkdag ook de behoefte om naast de prullenbak te gaan liggen.’

Als ik terugloop naar m’n hotel zie ik Joke nergens meer op straat. Wel hoor ik in de verte een accordeon.

Een soepje

De volgende dag vind ik Joke weer snel. Haar karretjes zijn opvallend en haar gebied is overzichtelijk; ze maakt van de stad een dorp. Op het terras van een café aan het busstation is haar woordenstroom weer even eindeloos als gisteren. Vandaag heeft ze het over Suske en Wiske, het tv-programma Ik vertrek (‘het is net alsof er in Zuid-Europa nog maar één beroep bestaat: een bed & breakfast bestieren’), en dat haar zoon een koperallergie heeft en zij een gouden muiltje is verloren.

Na een uur zeg ik dat ik een trein moet halen. Het is een leugen, een manier om weg te komen, want ik zou voor eeuwig kunnen blijven zitten en luisteren.

Aan de ober vraag ik om soep met brood voor haar. ‘Pompoensoep?’ vraagt hij. Ze steekt haar tong uit als een kind en zegt: ‘Ik hou niet van toveren.’

Ik vraag of ze nog iets nodig heeft. ‘Een soepje?’ zegt ze. Aan de ober vraag ik om soep met brood voor haar. ‘Pompoensoep?’ vraagt hij. Ze steekt haar tong uit als een kind en zegt: ‘Ik hou niet van toveren.’ ‘Bospaddenstoelensoep misschien?’ ‘Ah, nee, ik heb al zoveel in het bos gezeten.’ ‘Tomatensoep?’ ‘Ja, lekker.’

Nu ga ik echt. Joke staat op en we pakken elkaar vast en ze legt haar hoofd tegen m’n borst. ‘Aangezien ik overal geweest ben,’ zegt ze terwijl ik haar vasthoudt. ‘Voelt iedereen het wel als ik het ben, of niet. Goede reis. Bedankt en leuk je te zien.’

‘Ik kom je nog eens opzoeken,’ zeg ik.

‘Moet je doen. Als ik terug ben in Zundert, laat ik het weten.’

Als ik wegloop zie ik de dierentuin, en verdomd, ze zijn er een Alice in Wonderland-pretpark aan het opbouwen. Een reclamebord zegt: ‘Volg het konijn en duik in de heerlijke, knotsgekke droomwereld van Alice in Wonderland. Een wondermooi lichtfeest waar echt alles mogelijk is.’