Het is vroeg in de ochtend als een lange, donkere man aan tafel schuift in de studio van radiostation 100% NL en met enige moeite een koptelefoon over zijn imposante bos dreadlocks hevelt. De slaap staat nog in zijn ogen. Maar Lex Gaarthuis, presentator van het programma Goeiemorgen Lex, is klaarwakker. ‘Het is tien minuten over acht. We schrijven maandag 20 april. En hij is er! Mensen vroegen me: komt Obama of zo? Nou, het zit wel in die categorie! Maar nu eerst: Jan Smit!’

De gast aan ‘de ontbijttafel van de sterren’ heet Kenny B. Hij is de zanger van het nummer ‘Parijs’, de onbetwiste lente-hit, stijf bovenaan elke hitlijst in Nederland en inmiddels ruim vier miljoen keer gestreamd. En je moet wel heel kleurenblind zijn om zijn aanwezigheid in deze studio niet een klein beetje grappig te vinden. 100% NL is bij uitstek het radiostation dat het gezellige Hollandse volksgevoel vertegenwoordigt. Aan de muur in de ontvangstruimte is een eregalerij gemaakt met platenhoezen van sterren als Wim Sonneveld, Koos Alberts, André van Duin en Gerard Cox. De studiomuren worden gesierd door manshoge portretten van Guus Meeuwis en Roel van Velzen.
Met veel charme slaat Kenny B zich door de ‘dilemma-vragen’ die bij het programma horen. Een duet met Bløf-zanger Paskal Jakobsen of een avond jammen met Bob Marley? Eitje. ‘Marley man. Ik bewonder Paskal, maar ik droom niet over hem. En wel over Marley.’ Tien keer de Ziggo Dome uitverkopen, met als consequentie dat hij zijn fans in Suriname kwijtraakt? Ook simpel, dat doet hij niet. De twee bandjes om zijn pols met ‘I Love Su’ zeggen genoeg over hoe verbonden hij zich voelt met zijn geboorteland, ook al woont hij al bijna vijfentwintig jaar hier.
Maar grappig of niet, zodra Kenny B zijn liedjes live begint te spelen, gesteund door een gitarist en een achtergrondzangeres, klopt het allemaal weer wel. Met ‘Als je gaat’, zijn eerste single, werd hij door zijn platenmaatschappij TopNotch omschreven als ‘de Surinaamse André Hazes’. Een kwalificatie waar hij zelf nogal voor terugdeinst (‘Ik dacht: de mensen gaan me doodmaken hier,’ zei hij in RTL Late Night), maar die wel degelijk hout snijdt. Het nummer heeft dezelfde soort ontwapenende oprechtheid die de muziek van Hazes kenmerkte, maar dan met een reggae-beat. ‘Parijs’ is een subtiel liedje en tegelijkertijd een meezinger van jewelste, vanwege de hoogst aanstekelijke refreinregel die Kenny B eigenlijk als geen ander geschikt maakt voor juist deze zender: ‘Praat Nederlands met me, even Nederlands met me’.
In het lied zingt hij het tegen een meisje dat hij op de straten van Parijs aanspreekt in het Frans, terwijl ze – what do you know? – Nederlandse blijkt. Maar het zinnetje spookt al door Kenny B’s hoofd sinds hij vorig jaar benaderd werd door Kees de Koning, baas van platenmaatschappij TopNotch. De Koning was op muzikale ontdekkingsreis in Suriname geweest, waar hij uit vrijwel elke winkel en passerende auto dezelfde warme, soepele stem hoorde galmen. Reggaenummers met titels als ‘A sama de’, ‘Wai gwe’ en ‘Yu faya’, waar hij geen chocola van kon maken. Toen hij hoorde dat de zanger al sinds jaar en dag in Tilburg woonde, benaderde hij hem na terugkomst of hij er niet voor voelde om in het Nederlands te zingen.
Een aanlokkelijk voorstel, dacht Kenny B. Hij mocht dan de afgelopen negen jaar maar liefst elf nummer één-hits hebben gehad in zijn geboorteland, allen gezongen in het Sranantongo of het Aucaans, de taal van de Marrons, maar vanwege het ontbreken van zoiets als een Surinaamse Buma Stemra leverde dat hem financieel niks op. Iedereen draait er illegale kopieën. Artiesten worden geacht hun geld te verdienen met optredens. Vier, vijf keer per jaar vliegt hij er heen voor ‘een showtje’. Hij is er een grote ster, maar een vetpot is anders.
Dus Nederlands? Het was het proberen waard. Maar dit had hij zeker niet verwacht, zegt Kenny B lachend, als hij na de show een broodje eet. Een monsterhit, een debuutalbum waar reikhalzend naar wordt uitgekeken, en de vreemde gewaarwording dat hij van de ene op de andere dag op straat steeds maar weer herkend wordt. ‘Ik kan het allemaal nog niet echt plaatsen,’ zegt hij. ‘Dat ik opeens overal gevraagd word en nu weer hier bij Lex aan tafel zit. Het is bizar. Zeker als je wist aan welke tafels ik allemaal gezeten heb.’
‘Ik kan niet meegaan in black power. Dat is niet mijn ding. Ik geloof niet in het benadrukken van verschillen alleen op basis van kleur’
Over die tafels vertelt hij de volgende dag, in de Arnhemse studio die hij deelt met zijn muzikale partner Joost Jellema. Tenminste, dat was de bedoeling. Maar vooralsnog eist het rudimentaire reggae-riddim dat uit de speakers komt al zijn aandacht op. Het is het begin van een nieuw nummer, niet meer dan een opzetje nog, maar vanwege de kaalheid ervan doet het hem denken aan de militante reggae uit de jaren tachtig – groepen als Black Uhuru, met de beruchte ritmesectie Sly en Robbie. ‘Dit is niet: la la la, maak je niet druk man. Dit is: maak je druk! Combattant. Don’t let the system get you down.’ Achter de mengtafel barst hij grinnikend uit in een reeks nummers van Black Uhuru, die allemaal wonderwel op het akkoordenschema blijken te passen. Hij kent ze uit zijn hoofd. Maar na een paar minuten kapt hij het resoluut af. Vanuit het niets: ‘Ik kan niet meegaan in black power. Dat is niet mijn ding. Ik geloof niet in het benadrukken van verschillen alleen op basis van kleur. Ik geloof dat we in de kern allemaal op elkaar lijken. Sterker: we verschillen ook niet zoveel van dieren. Wat heb je nou écht nodig? Je wilt eten, slapen en een beetje seks. Voor de voortplanting, haha. Nou, vraag het een slang, en hij gaat je hetzelfde zeggen.’

Maar goed, die vele tafels dus. 53 jaar is hij al. Een laatbloeier, met een veelbewogen leven achter zich. Hij stelt voor de straat op te gaan. De zon schijnt, en dat praat makkelijker. Al moet hij er duidelijk aan wennen dat een Nederlandse journalist hem zijn levensverhaal probeert te ontfutselen. En trouwens: waar te beginnen? Bij zijn tijd in het Surinaamse leger? Bij de politieke rol die hij een paar jaar vervulde? Bij de periode dat hij deel uitmaakte van het Junglecommando van zijn neef Ronnie Brunswijk? Of toch bij de maanden die hij doorbracht in een asielzoekerscentrum in Zeewolde? En hoe moet dat allemaal als zijn telefoon om de haverklap blijft piepen, met berichtjes van mensen die hij helemaal niet kent? ‘O man, wie is dit nu weer? Fans, vrouwen… Daar moet ik ook opeens mee leren dealen. Ik snap het wel, hoor. En je kan niet boos worden, hè.’
Kenny B werd in 1961 geboren als Kenneth Bron, in Paramaribo. Maar als hij over ‘thuis’ praat, doelt hij op Mongotapoe, een dorp in de binnenlanden waar zijn ouders vandaan komen en een groot deel van zijn familie nog steeds woont. Marrons zijn ze, wat in zijn jeugd in de hoofdstad volgens hem bepaald geen voordeel was. ‘Ik was een plattelandsbewoner, praatte anders. Mensen zagen je als een outcast, en dat was geen leuke positie. In mijn eigen straat viel het nog wel mee, maar zodra ik daarbuiten kwam, gingen mensen me uitlachen. Krom praten, oerwoudgeluiden maken. Zo ging het toen, ik wist niet beter. Ik had geleerd respect te hebben voor andere creolen, Javanen en hindoestanen. Soms kwamen mijn neven uit het bos op bezoek, en die snapten niks van dat uitlachen. Waar zij vandaan kwamen, waren ze net zoveel mens als elk ander. Zij hadden geen idee waarom ze onder zouden moeten doen voor de stadsmensen. Dus als iemand dan raar tegen me deed, was het gelijk: bám, er bovenop. En dan werd iedereen stil, hoor.’
‘Ik was zo rood als ik maar zijn kon. We waren tegen het decadente Westen, weet je wel’
Hij herinnert het zich niet als een zware tijd, zegt hij. ‘Als kind ervaar je het anders, ik vond het gewoon. Logisch. Ik was Marron, dat was mijn plek, and so be it. Mijn moeder zei: ook al krijg je klappen, je moet altijd proberen terug te vechten. Nooit weglopen. Uiteindelijk zullen ze te moe zijn om je in elkaar te slaan. Haar devies was: liever een vrije magere wolf dan een vette kettinghond.’ Hij glimlacht: ‘Ja, man, ik had een supermama.’
Zijn moeder zong de hele dag, altijd nummers van zangers als Nat King Cole en Brook Benton. En dat wilde hij ook: muziek maken. Toen hij negen was, las hij in de Bijbel het verhaal waarin Abraham zijn zoon wil offeren en God hem in plaats daarvan een lam stuurt. ‘Ik dacht: ik ga ook iets offeren aan God, en vraag hem of ik net zo’n mooie stem kan krijgen als mijn moeder. Maar ja, ik had geen lam. De buren hadden een geit, maar dat was me te link.’ Hij maakte een katapult, ging het bos in en mikte op de eerste de beste vogel die hij zag. ‘Mijn kogel ging helemaal de verkeerde kant op. Ik keek hem na en dacht: waar ga je? Dáár is die vogel! Maar met een grote bocht belandde hij recht op zijn borst. Serieus: mijn eerste schot.’ Thuis bouwde hij een altaartje, en terwijl de vogel in rook opging, beloofde hij God altijd voor Hém te zullen zingen, als hij maar die fraaie stem zou krijgen. Lachend: ‘Maar ik weet niet zeker of ik dat helemaal meende.’
Van de muziek zou het voorlopig nog niet komen. Toen zijn ouders scheidden, kwam hij op zijn elfde terecht op een internaat in de binnenlanden. Of het er streng was? ‘Nou ja, alles moest. Om zes uur dit, om acht uur dat. Leuk was anders, maar zo was de situatie. Het lastige was dat ik ook daar uit de toon viel. In de stad was ik een Marron, maar voor de Marrons uit het bos was ik een stadscreool geworden. Het was weer niet goed, zeg maar. Ik was een soort vleermuis: geen vogel, en ook geen muis.’
Op zijn achttiende moest hij in militaire dienst. Het waren de eerste dagen na de coup van Desi Bouterse en Roy Horb. ‘In het begin vond ik het geweldig man! Revolutie, nationalisme. Het was een nieuw Suriname, waarin werd verkondigd: dit is óns land. In het leger verdwenen alle verschillen waar ik daarvoor last van had gehad. Het maakte niet meer uit van welke bevolkingsgroep je was, er was geen discriminatie, het ging om wat er op je uniform stond. Ik was jong, en blij dat ik ergens voor kon staan. Mijn land verdedigen, de wacht houden aan de grens. Als je het wachtwoord niet kende, dan was je van mij, hoor.’
Vanwege ‘bepaalde klachten’ kwam hij in een ziekenhuis terecht, en daar ontmoette hij Chas Mijnals, een hoge militair die op dat moment door het regime verdacht werd van het plannen van een coup. ‘We klikten goed samen. In een ziekenhuis doen rangen er niet meer zo toe. Hij vond mij een slimme jongen, en leergierig. Als hij vrijgepleit zou worden, beloofde hij, kon ik voor hem komen werken. Een paar maanden later zag ik hem vrij rondlopen in de kazerne. Ik herinnerde hem aan zijn belofte en hij gaf me een briefje dat ik naar mijn commandant moest brengen. Die las het en zei: o, je gaat nu politieke broodjes bakken?’
Het regime had de politieke koers verlegd in de richting van het socialisme, en Kenneth Bron werd ‘politiek commissaris’ – een functie die rechtstreeks was gekopieerd uit de Sovjet-Unie. ‘Een soort spokesman was ik, die het beleid van de legerleiding moest vertalen naar de mensen. Waarom doen we dit? Waarom is dat belangrijk? Ik las de socialistische literatuur uit het archief, wilde alles weten. Over marxisme, leninisme, historisch dialectisch materialisme… ‘ Hij grijnst breeduit. ‘Mán, ik was zo rood als ik maar zijn kon. We waren tegen het decadente Westen, weet je wel. Maar ik wist nog niet echt veel van de wereld.’
Een heel mooi liedje
We zijn inmiddels neergestreken op een terras, waar hij gretig verhaalt over zijn reizen naar de landen waarmee Suriname in die tijd innige banden onderhield. Hij was op Cuba, bij de Sandinisten in Nicaragua, en zelfs in de Sovjet-Unie. Midden in een anekdote over zijn bezoek aan het ‘twaalfde anti-imperialistische tribunaal’ aldaar staat er opeens een beeldschoon donker meisje aan ons tafeltje. ‘Ik vind het een heel mooi liedje,’ zegt ze. ‘Mag ik met je op de foto?’
‘Natuurlijk,’ antwoordt hij. ‘Waar kom je vandaan? Ik zou zomaar zeggen dat je uit mijn dorp komt.’
Ze komt oorspronkelijk uit Senegal, giechelt ze. ‘Maar we zijn allemaal hetzelfde toch?’
‘Zo is het,’ knikt Kenny B.

Vredesonderhandelaar
Na een paar jaar hield hij, ditmaal vanwege ‘bepaalde omstandigheden’, het leger voor gezien, en ging werken voor het houtbedrijf van zijn vader. Inmiddels was de Binnenlandse Oorlog tussen het Bouterse-regime en het Junglecommando van Ronnie Brunswijk uitgebroken. ‘Hij is mijn neef, maar ik bemoeide me er niet mee. Ik was klaar met oorlog en het leger en alles. Totdat ik opeens te horen kreeg dat twee van zijn lijfwachten op het Kabinet in Paramaribo waren doodgeschoten. Een van die mannen was mijn lievelingsneef. Ik werd helemaal gek. Ik heb meteen mijn koffer gepakt, ben naar Mongotapoe gegaan, en heb me aangemeld bij het Junglecommando.’
Plotseling is hij op zijn hoede. ‘Je moet goed begrijpen: ik was kwaad. Mijn neef en ik, we leken op elkaar. Ik hield van die man. Maar ik wist toen niet precies hoe het allemaal zat. Sowieso wil ik niemand beschuldigen. Er is in die tijd zoveel gebeurd. Dit is maar een deel van het verhaal. En ik wil verder niet teveel ingaan op details.’
Brunswijk benoemde hem tot woordvoerder van het Junglecommando, en kort daarna als vredesonderhandelaar; Bouterse had dit laatste al eerder voorgesteld vanwege z’n ervaring in het leger. Ze vonden hem allebei de juiste persoon om deze taak uit te voeren.
‘Politiek was het enige waar ik me in had bekwaamd, en dat is nou niet iets waar je op kan solliciteren. Dus heb ik kasten gebouwd, taarten gemaakt, dingen aan elkaar gelast’
‘Ik kende beide partijen en had een beetje politieke weet. Een jaar lang ben ik als enige naar de stad gegaan, met lijfwachten. Ik probeerde ook voor de andere kant begrip te tonen, want zo werkt het. Aan beide zijden zijn slachtoffers gevallen, beide zijden hadden wraakgevoelens. En ik dacht: zolang we in gesprek blijven, schieten we niet.’
Sinds hij met onderhandelen begon is er geen schot meer gelost, zegt hij. ‘En tja, misschien kan je dat zien als iets wat ik bereikt heb. Ik weet het niet. Ik kan alleen maar zeggen dat ik zelf gelukkig niemand iets heb misdaan, niet in mijn tijd bij het leger en niet bij het Junglecommando. Ik heb geen moord gepleegd, niemand mishandeld, en daar ben ik blij om. Het had ook anders kunnen aflopen. Als je militair bent, voer je opdrachten uit. Zo is het nou eenmaal.’
Het tekenen van het uiteindelijke vredesverdrag maakte hij niet meer mee. Toen Brunswijk zelf aan de onderhandelingstafel plaatsnam, trok hij zich terug en vroeg een visum aan om naar Nederland te gaan. Zijn toenmalige vrouw, die ziek was, was hem al vooruit gereisd. ‘Ik wilde eigenlijk niet weg uit Suriname, maar ik wilde haar daar niet alleen laten. Bovendien had ik niet meer het gevoel dat ik in Suriname nog echt iets kon betekenen, om het zo maar te zeggen. Dus ik dacht: ik ga naar Nederland, en eindelijk muziek maken. Ik heb het nu lang genoeg uitgesteld.’
Even een handje geven
Maar van de muziek zou het voorlopig nog niet komen. Omdat hij een ‘politieke spil’ was geweest, werd hij een aantal maanden in een asielzoekerscentrum geplaatst, gescheiden van zijn vrouw, die ergens anders zat. ‘Met plate, mok en beker in de rij staan. Elke dag vijf sneetjes brood, niet meer. Ik zat er vooral met mensen die de oorlog in Joegoslavië waren ontvlucht. Doktoren, wiskundeleraren, mensen die alles kwijt waren. Soms gingen we aardappels stelen bij de boeren. ’s Avonds kwamen we dan bij elkaar: wat heb jij? Ik heb nog jam. O, ik heb boter. Zo zag mijn eerste kennismaking met het rijke Westen eruit.’Na drie maanden werd hij met zijn vrouw herenigd en kregen ze via Vluchtelingenwerk een woning in Tilburg. Toen wachtte de fabriek. ‘Ik had geen vak,’ zegt hij. ‘Politiek was het enige waar ik me in had bekwaamd, en dat is nou niet iets waar je op kan solliciteren. Wilde ik ook helemaal niet. Dus heb ik kasten gebouwd, taarten gemaakt, dingen aan elkaar gelast. Ik heb in een aluminiumsmelterij gestaan waar het heter was dan het in Suriname ooit geweest is. Gewoon: the hard knock life.’

Zo halverwege de jaren negentig vond hij het wel mooi geweest. Hij zegde zijn baan op en begon een sound system. Een dj draaide reggaebeats, hij zong er overheen. ‘Ik speelde in kraakpanden en zo. Er zat geen geld in, maar ik kon mijn ei kwijt. Een soort strijdliederen maakte ik, vooral over sociale onrechtvaardigheid. One love, against opression.’ Hij zucht. ‘Ja man, toen droomde ik nog. Toen dacht ik nog dat ik de mensen bij elkaar kon zingen, op een heel andere manier dan ik nu doe.’
In financieel opzicht, zegt Kenny B, had hij tot voor kort eigenlijk gewoon ‘een rotleven’. ‘Thuis hadden we alleen de elementaire zaken, en ik ben bijvoorbeeld nooit op vakantie geweest. Maar weet je: ik ben toch blij met alles wat ik heb meegemaakt. Het heeft me een groot empathisch vermogen opgeleverd. Ik kan goed praten met mensen van hoge stand, maar ik ben al gauw één met de zwervers. Ik kom uit de goot, en ik ken er de weg. Rijk zal ik waarschijnlijk nooit worden. Dat is ook nooit mijn doel geweest. Maar het is me uiteindelijk wel gelukt om van muziek mijn leven te maken.’ Hij lacht: ‘Geef toe man, het is wel een raar verhaal, dat leven van die zanger van “Parijs”.’
Aan de overkant van het inmiddels bomvolle plein is er opeens rumoer. Twee obers in witte overhemden stellen zich op aan de rand van hun terras en beginnen wild met hun armen in de lucht te zwaaien. Binnen wordt er een volumeknop helemaal opengedraaid, en dan golft het over de hoofden, die allemaal zijn kant opdraaien. ‘Práát Nederlands met me,’ zingt de stem van Kenny B. ‘Even Neéééderlands met me.’ Zodra het is afgelopen staat hij op, zijn gezicht een en al grijns. Even een handje geven en dankjewel zeggen. Want zo doe je dat, als ster.
De Surinaamse hits van Kenny B
Fatale vrouw
Met ‘Paramaribo-o-o’, ‘Als je gaat’ en nu ‘Parijs’ scoort Kenny B monsterhits in Nederland, maar in Suriname is hij al jaren een bekende naam in de hitlijstjes. A Sama De (2008) stond er maar liefst drie weken op nummer 1. In het lied zingt Kenny B. over een fatale vrouw, met zinnen als ‘Joe o ki mie, a so mie sie’ (‘Je gaat me dood maken, zo zie ik het’)
Regenachtig landschap
Een andere Surinaamse hit was Bosi Me. In de videoclip rijdt Kenny B. als een soort poldercowboy op een paard door een regenachtig Hollands landschap, terwijl een paar schapen hem verschrikt nakijken.
Mengelmoes
Tjaipi Lobi (‘heel veel liefde’) uit 2013, dat Kenny B. samen met Suripop-zangeres Takesha Abel maakte, is een vrolijke mengelmoes van Sranantongo, Engels en Nederlands.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.