Dit verhaal is er ook als audio.

Twee jongens proberen elkaar zo hard mogelijk te slaan in een lokaal van een Friese middelbare school. De 13-jarige Patryk begint. In tien klappen moet hij van zachtst naar hardst. De 14-jarige Milan beschermt zich met een rechthoekig kussen. ‘Eén’, telt gymdocent Oane Westra aan de zijlijn. Zachte boks tegen het kussen. ‘Twee.’ Flinke stoot. ‘Drie.’ Nog harder. Bij de zes zit Patryk al op zijn max.

Milan moet ‘stop’ roepen wanneer het te veel wordt. Maar ook bij de tien houdt hij zijn kaken op elkaar. De jongens, vrienden in het dagelijks leven, begonnen met hangende hoofdjes aan deze les, maar hebben nu een verbeten glimlach op hun gezicht. Nadat ook Patryk alle klappen van Milan schijnbaar moeiteloos heeft opgevangen, legt meneer Westra de bedoeling van de oefening maar eens uit: grenzen aangeven.

Dit lesuur mogen Patryk en Milan, niet hun echte namen, een klein beetje over elkaars grenzen heengaan, zodat ze daarna beter weten waar die liggen. ‘Een docent in de klas heeft ook grenzen. Daar kun je overheen gaan,’ zegt Westra. De jongens belandden recentelijk in gevechten (‘ze begonnen over m’n moeder’) of zijn onlangs geschorst (‘best fijn om thuis te zitten’). Westra gaat weer ‘voorbeeldige leerlingen’ van ze maken, zegt hij tegen ze.

mannenproblemen

Dit is het tweede deel in een onderzoeksreeks van journalist Menno Sedee over mannenemancipatie. Lees hier het eerste deel, ‘De man als probleem: op zoek naar een nieuwe definitie van mannelijkheid’.

Van alles geprobeerd

Oane Westra is naast een energieke gymdocent ook ‘jongenscoach’ op RSG Simon Vestdijk, een openbare school voor vmbo tot atheneum met ruim 1200 leerlingen, naast het station van Harlingen. Een kilometer verderop vertrekt de boot naar Terschelling. Met nog drie andere jonge leraren begeleidt Westra jongens die worstelen met school. Het zijn leerlingen die er vaak worden uitgestuurd, hun huiswerk niet maken of zelfs blijven zitten. De docenten gaan een stukje met ze wandelen, naar het centrum of naar het strand, en voeren ondertussen gesprekjes: waarom mis je de motivatie om te leren? Wat wil je bereiken in het leven? Soms helpen de jongenscoaches met een planning. Soms gaan ze fitnessen. En soms gaan ze rammen.

Na het slaan komt het schoppen. Milan begint, Patryk houdt het kussen op z’n heup. ‘Eén’, zacht tikje. ‘Twee’, harder. Bij ‘vijf’ trapt Milan Patryk uit balans. ‘Stop maar,’ zegt Patryk zachtjes. ‘Ik kreeg toch wel last.’

Er zou eigenlijk nog een derde jongen bij zijn, maar die is vandaag geschorst.

Ze hadden ‘van alles’ geprobeerd met gedemotiveerde jongens, zegt rector Gerald Schutte even later in zijn werkkamer. ‘Echt heel veel.’ Ze na laten komen. Een ‘herstelmoment’ op de vrijdagmiddag, waarin ze het huiswerk dat ze te lang hebben laten liggen alsnog kunnen maken. Maar ze kregen ‘het rendementsprobleem’ niet opgelost. Dat is inspectie-taal voor zittenblijvers, en dat zijn met name jongens op de havo. ‘En in 2019 dachten we: misschien is coaching wel wat.’

‘We werken uitsluitend in de natuur, in een heel groot park. Met jongens van 7 gaan we vlotten bouwen, in bomen klimmen. Jongens zijn van nature heel beweeglijk.

De docenten volgden een cursus in Sneek, bij KICK Jongenscoaching van Jan Stenekes. Hij komt uit het speciaal basisonderwijs, waar ‘80 procent’ jongen was. Daarom besloot hij acht jaar geleden een coachingspraktijk op te zetten. ‘Ik was de eerste in Nederland die het jongenscoaching noemde. We werken uitsluitend in de natuur, in een heel groot park. Met jongens van 7 gaan we vlotten bouwen, in bomen klimmen. Jongens zijn van nature heel beweeglijk.’ Stenekes is zich gaan verdiepen in ‘bio-energetica’. Door lichamelijke oefeningen probeert hij ‘blokkades’, ontstaan in de vroege jaren, op te heffen, zodat de ‘energie beter kan stromen’. Van hem komen ook de bokslessen.

En de meiden dan? ‘Dan moet je eigenlijk m’n vrouw spreken. Zal ik vragen of ze beschikbaar is?’ Even later komt Lisanne Stenekes aan de telefoon. Zij neemt de meisjescoaching voor haar rekening bij Expertisecentrum Stenekes, waar KICK onder valt. ‘Bij meiden zie je dat ze zich zo goed kunnen aanpassen, dat school er nauwelijks onder lijdt, in elk geval niet wat betreft prestaties,’ zegt ze. ‘Aan de andere kant hebben ze last van perfectionisme, prestatiedruk en stress.’

Het is niet zo dat meisjes met problemen op RSG Simon Vestdijk nergens terecht kunnen. Zij kunnen naar mentoren. De school heeft ook experts op het gebied van prestatiedruk. Er is een meidencoach. Maar de jongens vielen bij het docententeam gewoon meer op. De drie jongenscoaches worden betaald uit het potje dat elke school kreeg om corona-achterstanden weg te werken. Rector Schutte schat dat het hem zo’n 25.000 euro per jaar kost – de coaches worden enkele uren per week vrijgeroosterd.

Bepaald niet uniek

Het rendementsprobleem onder jongens is bepaald niet uniek voor RSG Simon Vestdijk. Uit het rapport De Staat van het Onderwijs 2019 van de Onderwijsinspectie bleek dat van de jongens met een havoadvies vijf jaar later slechts 35 procent een havodiploma heeft. Bij de meisjes is dat 50 procent.

Van de vwo-leerlingen is 53 procent meisje. Dat overwicht lijkt misschien niet zo groot, en het percentage is al jaren stabiel, maar er speelt meer dan prestaties: de Onderwijsraad schreef in 2020 dat jongens drie keer zo vaak worden geschorst en vier keer zo vaak van school worden gestuurd als meiden. Jongens zitten twee keer zo vaak op het speciaal onderwijs, waar veel leerlingen zitten met gedragsproblemen. De aandacht voor het jongens-meisjesverschil is ook niet nieuw. Al sinds 1995 zitten er meer meisjes dan jongens op het vwo, sinds 1999 melden zich meer meisjes aan op de universiteit, en niet lang daarna verschenen de eerste rapporten, al dan niet in opdracht van de overheid, over wat vaak een ‘jongensprobleem’ wordt genoemd. Media smullen ervan, zoals in 2011, toen een bestuurder van een vereniging met meer dan 2200 christelijke scholen voorstelde om meisjes en jongens met taal en rekenen apart les te geven. Wekenlang ging het over de ‘jongenscrisis’.

De achterstand speelt op alle niveaus, en wereldwijd. In IJsland zijn er inmiddels twee keer zo veel vrouwen die een universitair diploma halen als mannen. Zelfs in Saoedi-Arabië zijn nu meer vrouwelijke dan mannelijke studenten. In het Nederlandse hoger onderwijs worden de verschillen nog elk jaar groter. De afgelopen vijf jaar steeg het aandeel vrouwen op de universiteit jaarlijks met een half procentpunt, tot bijna 54 procent in 2021/2022.

Is dat een probleem? Demissionair onderwijsminister Robbert Dijkgraaf zal de eerste zijn om het idee te bestrijden dat iedereen altijd maar een zo hoog mogelijke opleiding moet genieten. Hij wil het stigma op het mbo tegengaan door niet meer van ‘laag-’ of ‘hoogopgeleid’ te spreken. En is ‘theoretisch’ altijd beter? Jongens doen het misschien minder goed op school, maar meiden hebben meer last van prestatiedruk. En mogen meiden niet ook gewoon beter zijn in iets? Mannen halen hun achterstand op de arbeidsmarkt wel weer in.

Maar het een hoeft niet ten koste te gaan van het ander. Sterker nog: onderzoek laat zien dat als jongens beter presteren op school, meisjes óók beter presteren. Hoe dan ook is er sprake van kansenongelijkheid; jongens zijn even intelligent als meisjes.

Dus ja, er is een probleem, maar wat de beste oplossing is, daarover bestaan verschillende visies, blijkt uit gesprekken met deskundigen en uit het doorspitten van de grote onderzoeksrapporten van de laatste decennia. Die oplossing blijkt afhankelijk van de oorzaak die men aanwijst voor de jongensachterstand. Daarin blijken twee smaken: of je vindt dat jongens moeten veranderen, of het onderwijs moet anders.

Feminisering

Aan verklaringen voor de problemen van jongens geen gebrek. De eerste en meest populaire van allemaal: de vele vrouwen voor de klas. In 2004 noemde driekwart van het personeel in het basisonderwijs ‘de vervrouwelijking van het onderwijs’ een probleem, in een enquête van de Algemene Ondewijsbond. Maar wat dat probleem precies was, daarover verschilden de meningen. Juffen zouden jongensgedrag eerder bestraffen. Hun autoriteit zou minder worden geaccepteerd door allochtone leerlingen.

Respondenten maakten zich vooral zorgen om het gebrek aan mannelijke rolmodellen, voor jongens én meisjes. Zeker als je bedenkt dat kinderen na een echtscheiding bijna altijd bij hun moeder blijven wonen. Leren kinderen nog wel dat mannen met kinderen kunnen omgaan? (Op mijn basisschool was de enige meester zowel gymdocent als directeur.)
‘Een vrouw kan een jongen veel leren, maar niet hoe je man moet worden,’ zegt Lauk Woltring bij hem thuis in Utrecht. Woltring is als docent, jongenscoach en adviseur al decennia op zoek naar een ‘positief verhaal voor jongens’.

De strakke indeling in jaarlagen, curricula en leeftijden knelt volgens Woltring voor veel jongens, die zich onregelmatiger zouden ontwikkelen. ‘Jongens gaan zich daarom misdragen en worden harder gestraft.’

Met oud-docent Dick van der Wateren stelde hij het boek De ontwikkeling van jongens in het onderwijs (2019) samen, en hij schreef ook enkele hoofdstukken. Woltring en Van der Wateren pleiten voor een onderwijsomgeving waarin meer ruimte is voor risico, fouten, creativiteit, complimenten, beweging én mannelijke leraren. Dat zou jongens allemaal ten goede komen. Ook de strakke indeling in jaarlagen, curricula en leeftijden knelt volgens Woltring voor veel jongens, die zich onregelmatiger zouden ontwikkelen. ‘Jongens gaan zich daarom misdragen en worden harder gestraft.’

In 2008 besteedde het Centraal Bureau voor de Statistiek in zijn Emancipatiemonitor aandacht aan de feminisering van het onderwijs, maar het vond in bestaand onderzoek geen bewijs dat het geslacht van de leraar van invloed was op de schoolprestaties of het welbevinden van leerlingen. De Onderwijsraad herhaalde dat nog eens in 2020. Bovendien lopen de schoolresultaten pas uiteen op de middelbare school, waar evenveel mannen als vrouwen werken. (Inmiddels werken er meer vrouwen, maar het aantal fte’s is zo goed als gelijk.)

‘Vrouwelijke’ competenties

Maar met ‘feminisering’ wordt ook de nadruk op ‘vrouwelijke’ competenties bedoeld. ‘Alle onderwijsvernieuwingen van de afgelopen dertig jaar kwamen meer ten goede aan meisjes,’ schrijft Maarten Huygen, oud-onderwijsredacteur bij NRC, in zijn boek Het nut van de man (2020). Het onderwijs zou zelfstandiger, taliger en ‘anti-autoritairder’ zijn geworden, wat volgens Huygen allemaal in het voordeel is van meisjes. Zo moeten er meer werkstukken worden geschreven en presentaties worden gegeven. Bovendien bevatten zelfs natuur- en wiskundeboeken tegenwoordig grote lappen tekst, en meisjes kunnen beter lezen. In het PISA-onderwijsonderzoek, waarin vijftienjarigen in ongeveer tachtig landen met elkaar worden vergeleken, scoren meisjes, zowel in Nederland als daarbuiten, consequent hoger dan jongens op het gebied van leesvaardigheid.

Het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt van de Universiteit van Maastricht zag in 2010 dat de invoering van de ‘tweede fase’ eind jaren negentig gunstiger heeft uitgepakt voor meisjes. Studievaardigheden die voor de tweede fase belangrijk zijn, zoals zelfstandig werken en plannen, zouden bij meisjes beter zijn ontwikkeld. Ook op het mbo en hbo blijken meisjes het beter te doen dan jongens als er een zelfstandige, actieve rol wordt verwacht van de student, bleek in 2015 uit onderzoek van de Universiteit Maastricht.

Maar de inhaalslag van meisjes begon al vóór de invoering van de tweede fase, en is bovendien een internationale trend, terwijl niet in alle landen dezelfde onderwijsvernieuwingen zijn doorgevoerd. Dat meisjes beter presteren, is zelfs van alle tijden. Tijdens een lezing in 2014 liet hoogleraar Greetje Timmerman een grafiek zien over de periode 1895-1928, waaruit bleek dat meisjes toen ook al minder vaak bleven zitten dan jongens. Alleen viel het minder op: er gingen toen veel minder meisjes naar school.

Dat meisjes het beter doen op school, betekent bovendien niet dat jongens het nu slechter doen, schreef het CBS al in 2008. Vergeleken met begin jaren negentig volgden steeds meer jongens het vwo, maar bij meisjes was die groei nog sterker. ‘[Jongens] zouden altijd al minder geschikt zijn geweest voor het statische en talige schoolsysteem. Dat viel echter niet op omdat voor meisjes ambities minder belangrijk werden gevonden, en zij om die reden onder hun kunnen presteerden,’ schreef het CBS. ‘We kunnen dus concluderen dat de feminisering van het onderwijs niet van invloed is op de schoolprestaties van jongens.’

Na 2008 zette die groei van het aandeel leerlingen op het vwo verder door, bij meisjes én jongens. Onderwijsminister Jet Bussemaker (PvdA) vroeg zich in 2013 dan ook af of er sprake was van een ‘jongensprobleem of een meisjessucces’.

Een luisterend oor

Toen de docenten van RSG Simon Vestdijk de flyer over jongenscoaching op LinkedIn zetten, kregen ze vanuit alle hoeken van het land enthousiaste reacties. De lokale krant kwam langs, en de regionale omroep. Ze werden uitgenodigd voor de heidag (en WhatsApp-groep) van Jongens in Balans, een platform van een aantal mannen die al decennia met jongens werken, onder wie initiatiefnemer Lauk Woltring, en al net zo lang pleiten voor een beter op jongens aangepaste onderwijsomgeving.

Oane Westra had vroeger zélf wel een jongenscoach willen hebben, vertelt hij aan tafel met twee andere coaches: ‘Iemand die af en toe vraagt: wat is er aan de hand? Dat je even een connectie hebt.’ Westra haalde nipt de havo en maakte twee studies niet af. Na een jaar werken voor weinig geld wist hij weer waarom hij een vak zou leren. Coach David Feenstra was zelf ‘ook enorm lastig vroeger. Ik wil nu diegene zijn die ik zelf had willen hebben. Een luisterend oor, iemand die handvatten geeft.’

‘Ik weet dat ik dat wel miste. Een mannelijk rolmodel, die gewoon tegen mij zei: maak je maar geen zorgen, het komt allemaal goed.’

Tim Ravesloot was juist een onzekere jongen, maar ook hij had wel een ‘meneer Ravesloot’ kunnen gebruiken. ‘Iemand die mij gewoon even zag, dat je niet een nummer bent. En vooral ook een man. Ik weet dat ik dat wel miste. Een mannelijk rolmodel, die gewoon tegen mij zei: maak je maar geen zorgen, het komt allemaal goed.’

Ze filosoferen over de vraag waar de jongensachterstand vandaan komt. Alles komt voorbij: de feminisering van het lerarenberoep, het gebrek aan mannelijke rolmodellen, de zelfstandigheid van meisjes, het verschil in hersenontwikkeling. Ze merken op dat jongens met voetbal de beste willen zijn, terwijl op school van die motivatie niets overblijft. ‘Meisjes hebben meer ambitie,’ zegt Feenstra. Hij denkt dat dat onder meer komt doordat meisjes zich bewust zijn van de decennia-oude ‘strijd om gelijke kansen’.

Jinte (16) en Benthe (17) zitten in de mediatheek. Ja, ze vinden ‘goede cijfers halen ‘belangrijk’. ‘Als je hard hebt gewerkt, is dat gewoon een fijne beloning,’ zegt Benthe, die al weet wat ze wil worden (fysiotherapeut). Niet zozeer vanuit huis, maar wel van ‘sociale media’ krijgen ze mee: ‘mannen verdienen meer, mannen hebben een betere baan, bla bla bla. Dat is dan toch gewoon het doel als vrouw, dat overtreffen.’ Toch gaan ze beiden van 4 vwo naar 4 havo dit jaar.

Nature-nurture

Intussen blijft de nature-nurture-vraag. Zijn meisjes van nature zelfstandiger en gedisciplineerder, of wordt hun dat aangeleerd? Daar is nog altijd discussie over onder wetenschappers.

Volgens hoogleraar neuropsychologie Jelle Jolles kunnen meisjes en jongens in potentie hetzelfde. Tenminste, rond hun 25ste jaar. De volgorde waarin vaardigheden zich ontwikkelen, verschilt wel. Zo zijn jongens volgens Jolles ‘geprogrammeerd’ om te bewegen en ontwikkelen taalvaardigheden zich bij meisjes eerder. ‘Jongens stotteren op 4-jarige leeftijd vijf keer vaker dan meisjes. Maar met het taalvermogen van mannen is niks mis.’

Het betekent volgens Jolles dat jongens meer gestimuleerd moeten worden in hun taalontwikkeling, en meisjes om ‘op muurtjes te klimmen’, om ondernemend te zijn.
De ‘impulsremming’ ontwikkelt zich bij jongens bovendien later dan bij meisjes, volgens Jolles. Daardoor reageren ze sterker op prikkels. Door hun beweeglijkheid zou het volgens hem bovendien helpen als er tijdens lessen meer ruimte is om te bewegen, om op te staan. ‘Beweging is ongelofelijk belangrijk, voor jongens en meisjes, om je brein te ontwikkelen. Je moet na 25 minuten als het ware je brein uitschudden.’

Sommige scholen beginnen de dag al met een uur sport. Wiskundedocent Siep de Haan, die in Het Parool zijn zorgen deelde over de achterstand van jongens, laat weten halverwege zijn lessen te dansen met de hele klas.

Maar, zegt Jolles, biologie wordt ‘100 procent zeker’ beïnvloed door de omgeving, via cognitieve, sociale en zintuiglijke prikkels. Biologie en omgeving zijn continu met elkaar in gesprek. Hoe ouder het kind, hoe meer de fysieke hersenstructuren zijn beïnvloed door de omgeving. Dat maakt onderzoek ernaar ook zo lastig.

Een belangrijke conclusie van het boek Gender op school, waarvoor Vlaamse onderwijswetenschappers tientallen scholen en duizenden leerlingen onderzochten, is dat meisjes, die gemiddeld eerder in de puberteit komen, meer met identiteitsontwikkeling bezig zijn dan jongens. Jongens vermijden vragen als ‘Wie ben ik?’ en ‘Wie wil ik worden?’. Ze gaan toekomstvragen uit de weg. Dat werkt volgens de onderzoekers door in een slechtere leerhouding, omdat het belang van leren minder goed wordt gezien.

Negatiever over school

Volgens onderwijskundige Annemarie van Langen, die al decennia onderzoek doet naar de verschillen tussen jongens en meisjes in het onderwijs, zitten de verschillen niet zozeer in nature. ‘Meisjes worden opgevoed om te voldoen aan de eisen van de omgeving. Om ijveriger te zijn. Voor jongens is school not cool.’ Hoogleraar sociologie Greetje Timmerman haalde in haar lezing onderzoek aan waaruit bleek dat jongens populariteit verwierven als ze negatiever waren over school.

De Vlaamse wetenschappers schrijven in Gender op school dat de druk die jongens voelen om zich te conformeren aan stereotypen rond mannelijkheid toeneemt in het begin van het voortgezet onderwijs, terwijl bij meisjes diezelfde druk rond vrouwelijkheid juist afneemt. ‘Jongens hebben het vaker moeilijker dan meisjes om de inzet voor school te combineren met het streven naar populariteit.’

In 2010, toen Annemarie van Langen voor de Radboud Universiteit Nijmegen werkte, voerde ze een grote overzichtsstudie uit naar de verschillen tussen jongens en meisjes. Die bleken klein, en de ene keer in het voordeel uit te vallen van meisjes, de andere keer in dat van jongens.

De kleine biologische verschillen die er zijn, worden gedurende het leven van jongens en meisjes uitvergroot door ze anders te behandelen.

Tien jaar later liet de Onderwijsraad een meta-analyse uitvoeren van zo’n honderd onderzoeken. Opnieuw bleken de biologische en cognitieve verschillen klein, en de ene keer gunstiger voor meisjes (flexibiliteit, begrijpend lezen, sociale vaardigheden), de andere keer voor jongens (‘mentale rotatie’, een soort ruimtelijk inzicht).

De onderzoekers vonden opmerkelijk genoeg geen verschillen in planningsvaardigheden en risicogedrag. Eerdere metingen dat de hersens van jongens een jaar achterlopen in de ontwikkeling, bleken niet reproduceerbaar. De conclusie van de Onderwijsraad: de kleine biologische verschillen die er zijn, worden gedurende het leven van jongens en meisjes uitvergroot door ze anders te behandelen.

Tekenend is de inhaalslag die meisjes hebben gemaakt op het gebied van wiskunde. Enkele decennia geleden werd hun achterstand op dat gebied nog deels evolutionair verklaard: hadden mannen immers niet meer ruimtelijk inzicht nodig als zij op jacht gingen? Inmiddels is die wiskunde-achterstand verdampt, volgens de cijfers van PISA 2018. (De resultaten van PISA 2022 worden in december gepubliceerd.) Ook van die jagende-mannentheorie blijft steeds minder over: vrouwen jaagden wel degelijk mee, schreef The New York Times onlangs, zeker in gemeenschappen waar wild de belangrijkste bron van voedsel was.

‘Mijn wiskundedocent op de middelbare school zei ons dat het brein van meisjes nou eenmaal minder geschikt is voor wiskunde dan het jongensbrein,’ schreef pedagoog en Fontys-onderzoeker Antoinette Kroes laatst op LinkedIn. ‘Ik vond wiskunde al geen leuk vak, geloofde hem en gaf het min of meer op. […] Tot ik erachter kwam dat wat hij had gezegd helemaal niet klopte en dat hij steeds een schadelijk genderstereotype had herhaald. […] En nu kan ik mijn pas gepubliceerde artikel over statistiek met jullie delen!’

Stereotyperend

De jongens-meisjesverschillen worden verklaard door maatschappelijke en culturele factoren, aldus de Onderwijsraad. Om die verschillen te verkleinen, moeten dus genderstereotypen worden aangepakt. ‘Jongensculturen’ zijn minder op school gericht dan ‘meisjesculturen’; jongens zijn eerder bang om een ‘nerd’ te zijn; ‘doordat leraren (lage) verwachtingen hebben, zullen die ook uitkomen.’ Volgens Gender op school hebben leraren lagere verwachtingen van jongens, ook als ze dezelfde schoolresultaten halen.

De Onderwijsraad adviseerde om geen sekse-specifieke initiatieven op te zetten om de prestaties van jongens te verbeteren. ‘Het benoemen van bepaalde behoeften of kenmerken als “typisch” voor jongens of meiden kan stereotyperend werken.’

Grootschalig beleid van de overheid om de achterstand van jongens in te halen, is er dan ook nauwelijks. Het kabinet reageerde in 2022 op het rapport van de Onderwijsraad, met twee jaar vertraging wegens corona, en kwam niet veel verder dan het ‘aanpakken van genderstereotypen’, in leermateriaal, bij leerkrachten en bij leerlingen zelf.

‘Ik denk dat je niet zo veel beleid rond jongens ziet omdat er ook veel andere vormen van achterstand zijn,’ zegt onderwijskundige Van Langen, nu werkzaam bij het onderzoeksinstituut KBA Nijmegen. ‘Denk aan het opleidingsniveau van de ouders, migratieachtergrond, armoede. Die factoren hebben allemaal een veel grotere invloed op de schoolloopbaan. Het maakt niet zo veel uit of jij als jongen of meisje wordt geboren in een gezin. Wel in wélk gezin.’ Van Langen begrijpt dat jongenscoaching voor sommige jongens kan werken. ‘Ik denk alleen wel echt dat ook meisjes er baat bij kunnen hebben. En waar moet je de non-binaire mensen plaatsen?’

Verschillen in gedrag

Lauk Woltring vindt dat de onderzoeksrapporten van de afgelopen decennia zich te veel concentreren op meetbare prestaties, in plaats van op de (veel grotere) verschillen in gedrag. ‘Ik word er weleens wanhopig van, maar vind dan weer troost in wat sommige scholen en jongenscoaches wél doen.’

Welke onderwijsaanpakken goed werken voor jongens, blijkt overigens te zijn onderzocht. De Onderwijsraad herhaalde namelijk de conclusie van het onderzoek Succesvolle onderwijsaanpakken voor jongens in het vo [voortgezet onderwijs] van het Kohnstamm Instituut van de Universiteit van Amsterdam uit 2012. Daar was amper aandacht voor in de media.

De onderzoekers bezochten scholen waar de jongens relatief goede resultaten boekten. Wat hun opviel, was dat daar geen speciale aandacht aan jongens werd geschonken: ‘Men signaleert wel verschillen tussen meisjes en jongens, maar men probeert daar op individueel niveau mee om te gaan.’ Terugkerende elementen, zagen ze, waren ‘het belang van structuur, regels en duidelijkheid, van een veilig pedagogisch klimaat en persoonlijke aandacht voor leerlingen, en van een goede begeleiding en zorgstructuur voor leerlingen’.

De lees- en rekenvaardigheden van Nederlandse leerlingen hollen achteruit, van jongens én meisjes. Steeds meer leerlingen blijven zitten.

Er was ook veel keuzevrijheid: de onderzochte scholen boden de mogelijkheid om een vak op een hoger niveau te volgen, of een cursus Spaans, theaterlessen of sport na school. Leerlingen konden op de scholen bovendien allerlei taken vervullen, zoals in de leerlingenraad, de musical of het feestcomité. Hoe breder het aanbod, hoe beter, zo is er voor iedere leerling wat wils. Klinkt als: basaal goed onderwijs. En jongens blijken daar meer baat bij te hebben dan meisjes, aldus de Kohnstamm-onderzoekers. ‘Jongens moeten wat strakker worden aangestuurd op het plannen en organiseren van het schoolwerk, en begeleid worden in het ontwikkelen van deze vaardigheden en het reflecteren op eigen (leer)gedrag. Monitoren en persoonlijke aandacht is vooral belangrijk, omdat jongens minder geneigd zijn dan meisjes om hulp te vragen als ze problemen hebben.’

Precies die persoonlijke aandacht komt op veel scholen in de knel, zegt hoogleraar Jolles. Door het lerarentekort zijn klassen van meer dan dertig leerlingen, waar nu vaak onbevoegde leraren voor staan, geen uitzondering meer. De lees- en rekenvaardigheden van Nederlandse leerlingen hollen achteruit, van jongens én meisjes. Steeds meer leerlingen blijven zitten. Corona hakte erin, vooral mentaal. ‘De coronaperiode heeft laten zien dat school niet alleen de cognitieve vaardigheden moet stimuleren,’ zegt Jolles, ‘maar ook de sociale.’

Lastig concentreren

‘Ik weet niet wat ik wel en niet moet leren,’ zegt Milan na het slaan en schoppen in kleermakerszit op de grond. ‘Omdat ik niet weet wat ik later wil worden.’ En even later: ‘Als het maar goed verdient.’

Milan en Patryk zijn geen praters, althans niet in dit Duits-lokaal. Ze kauwen continu op kauwgom. Vraag voor vraag peutert jongenscoach Oane Westra los wat er scheelt. Waarom ze steeds in gevechten belanden. Waarom ze niet opletten in de les. Hun boeken niet pakken als dat wordt gevraagd.

‘Snappen jullie waarom de docent jullie er dan uitstuurt?’
Milan: ‘Ja.’ Patryk: ‘Beetje.’
‘Waarom doen jullie dat dan?’
Milan: ‘Anders is het saai.’ Patryk: ‘Leren is niet leuk.’
‘Nee, maar het is zo wel lastig lesgeven.’
Milan: ‘Voor ons is het lastig concentreren.’ Patryk: ‘We moeten ook worden beloond als we huiswerk wél af hebben.’
‘Dat ben ik met je eens.’

‘Motivatie gaat over: heb ik controle over hoe mijn dag eruitziet?’ zegt rector Schutte in zijn werkkamer. ‘Als iemand goed is in Nederlands, hoeft hij dat niet vijf uur in de week te volgen. Zo iemand zou wat meer aan aardrijkskunde of natuurkunde kunnen doen.’ Schutte zit erover te denken om leerlingen te betrekken bij het aanbod van de schoolkantine. Sommige jongens zou hij best twee halve dagen per week willen laten werken bij de Jumbo om de hoek, als ze daar gelukkiger van worden. ‘Maar dat mag vast niet van de inspectie.’

Jongens lijken niet te weten waar ze het voor doen, zegt Oane Westra. ‘Ik sprak vandaag een mentorleerling uit 5 havo. Die doet vanmiddag examen, maar heeft zich nog niet ingeschreven voor een hbo-opleiding. Hij weet niet wat hij moet doen.’

De jongenscoaching lijkt in te gaan tegen het wetenschappelijke inzicht dat een seksespecifieke benadering niet helpt. Maar in de coaching zitten ook elementen die wel stroken met wetenschappelijke inzichten: gezien worden, een band opbouwen met leraren, persoonlijke aandacht.

‘We merken met deze stap dat we jongens een beetje kunnen sturen,’ zegt Oane Westra. ‘Dat je echt contact met ze krijgt.’ En dan gaat het volgens de gymdocent niet per se om goede cijfers. ‘Ik heb een leerling begeleid die niet lekker in zijn vel zat. Na een half jaar zeiden de ouders: Westra, fantastisch. Ik heb een heel ander kind thuis. Hij gaat weer met plezier naar school. Terwijl dat kind wel bleef zitten. De resultaten zijn dan even niet belangrijk.’

Zou Oane Westra weten dat Simon Vestdijk (1898-1971), de Harlingse schrijver waarnaar de school is vernoemd, de zoon was van een gymnastiekleraar? Vestdijk blonk dan ook uit in gymnastiek, aldus zijn biograaf. Verder haalde hij ook bijna alleen maar achten. Zijn hbs in Harlingen telde in 1912 veertig leerlingen en vijftien leraren.

Reageren? Mail Menno Sedee: [email protected]

Deze publicatie is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.