Roy
Je bent acht als je moeder een nieuwe vriend krijgt. Jullie wonen in een dorp, in een klein huis, je moeder is arbeidsongeschikt, je nieuwe stiefvader zit in de ww. Eten komt van de voedselbank en je kleren van de kringloop.

Je biologische vader heb je nooit gekend, maar je stiefvader is al snel je grootste vijand. Je mag niet lezen van hem, dat vindt hij voor homo’s. Hij gooit de computer kapot als je van hem wint met een spelletje. Hij krijgt een dochter met je moeder en zegt: dit is wel mijn kind, en jij niet.

Jij sluit je af, gaat gamen en chatten in je kamer, alles om maar te ontsnappen aan die twee mensen op de bank. Ze schreeuwen tegen elkaar dat ze gaan scheiden, maar ze doen het nooit.

Jij wordt ouder, begint te puberen. De ruzies met je stiefvader worden heftiger. Hij is racistisch, boos op de wereld. Als op tv wordt verteld over een aanslag in een islamitisch land, zegt hij: zo worden ze mooi uitgeroeid. Jij zegt: het zijn ook mensen. Je stiefvader staat op om...