Johan Cruijff is overleden. Hij werd 68 jaar. Uit ons archief: een portret van het fenomeen JC, door Ilja Leonard Pfeijffer.

Dit stuk stond in 2012 in de papieren Vrij Nederland.

Stel dat je geboren bent in Palestina in het jaar 23. Vanaf je geboorte doen verhalen de ronde over een jonge wonderdoener, een charismatische hippie met de initialen JC, van wie sommigen beweren dat hij de Messias zou zijn. Maar dat begrijp je allemaal pas later, veel later. Je bent te jong om de gesprekken van de volwassenen te verstaan. De eerste keer dat het bestaan van de Messias bewust tot je doordringt, is wanneer het te laat is en iedereen het over hem heeft omdat hij er niet meer is. Op dat moment ben je tien jaar oud.

Ik ben geboren in het jaar 1968. De eerste keer dat ik mij bewust werd van het bestaan van Johan Cruijff, was in 1978. Iedereen had het over hem vanwege de nationale actie ‘Trek Cruijff over de streep’. Als tienjarig jongetje vatte ik dat erg letterlijk op. Kennelijk was er ergens een streep. Dat kon ik mij voorstellen. En Cruijff moest daar overheen getrokken worden. Daar kon ik me dan weer niets bij voorstellen. Maar uit het feit dat de volwassenen het een erg belangrijk thema vonden, leidde ik af dat het van het grootste belang was dat dat zou gebeuren en vooral dat die man die Cruijff heette, de belangrijkste man van Nederland was.

Morele wereldkampioen

Later, veel later, begreep ik dat Johan Cruijff vier jaar eerder, toen ik zes was, Nederland wereldkampioen had gemaakt. Want daar kwam het, hoewel de wereldbeker uiteindelijk is uitgereikt aan West-Duitsland, volgens alle Nederlanders toch wel op neer. Dankzij het oogstrelende en revolutionaire totaalvoetbal dat het Nederlands elftal in 1974 onder de bezielende leiding van Cruijff aan de wereld had vertoond, waren we op zijn minst toch wel de morele wereldkampioen. En dat de Duitsers ons de eindzege wederrechtelijk hadden ontfutseld, was een typisch Duitse daad van misdadige agressie die op één lijn werd gesteld met de invasie van 1940 en het bombardement op Rotterdam. Voor mijn generatie, die ver na de oorlog was geboren, was 1974 misschien nog wel erger dan 1940, hoewel we tijdens de geschiedenisles heus wel leerden dat ze toen ook niet echt lieverdjes waren geweest. En van haar diepgewortelde haat jegens de Duitsers werd mijn generatie pas bevrijd op 21 juni 1988 om 21.58 toen de aangenomen zoon en enig ware erfgenaam van Johan Cruijff, Marco van Basten, veertien jaar na dato zijn adoptiefvader wreekte door de winnende treffer te scoren tegen West-Duitsland in de halve finale van het Europees Kampioenschap en de Duitsers in eigen huis, in het Volksparkstadion in Hamburg, te vernederen in een wedstrijd die het exacte spiegelbeeld was van de WK-finale van 1974, waarna in heel Nederland een volksfeest losbarstte dat zijn weerga niet kende en uitsluitend te vergelijken was met het feest van de Bevrijding op 5 mei 1945. Alles zoop en naaide. Heel Nederland was één groot matras. Dat we vier dagen later ook nog de finale wonnen tegen de Sovjet-Unie, was eigenlijk een bijzaak.

Zwembadincident

Maar ik loop op de zaken vooruit. De hoop op wraak en gerechtigheid leefde al tien jaar eerder. Nederland, de vice-wereldkampioen van 1974, had zich in 1978 opnieuw gekwalificeerd voor de eindronde van het wereldkampioenschap voetbal. Het toernooi zou plaatsvinden in Argentinië. De generatie van 1974 was nog grotendeels intact. En het belangrijkste was dat we Cruijff hadden, die volgens vaderlandse kenners voorzichtig werd gekenschetst als de beste voetballer van het universum aller tijden. Maar Cruijff zegde af voor het toernooi. De officiële reden was dat hij het moreel onverantwoord vond om te voetballen in een land dat onder controle stond van een gewelddadige dictatuur.

Er werd toen al gefluisterd dat de ware reden een andere was en die stemmen zijn nooit helemaal verstomd. Het zou allemaal te maken hebben met het vermaledijde zwembadincident, vier jaar eerder, aan de vooravond van de finale tegen West-Duitsland. Er waren blote, of in ieder geval zeer ontblootbare meisjes aangetroffen in het zwembad van het hotel van het Nederlands elftal en een aantal spelers was toen ook net toevallig even midden in de nacht een baantje aan het trekken. Johan Cruijff was een van hen. De affaire werd groot opgeblazen door het Duitse boulevardblad Bild. Ze zeggen dat Cruijff de hele nacht met zijn vrouw aan de telefoon heeft gezeten om het allemaal uit te leggen en dat hij daarom, vanwege het gebrek aan nachtrust en zorgen over zijn huwelijk, in de finale onder zijn gebruikelijke niveau heeft gespeeld. En zijn vrouw zou het hem nooit helemaal hebben vergeven. Dat zou de ware reden zijn dat hij afzegde voor het WK van 1978: hij mocht niet van zijn vrouw. Ze wilde niet hebben dat hij weer een maand van huis was in een hotel waar ongetwijfeld weer een zwembad bij was.

Maar wat de reden ook was, Cruijff dompelde het land in diepe rouw met zijn besluit niet mee te gaan. Zonder Cruijff maakten we geen schijn van kans. Dan had het eigenlijk nauwelijks nog zin om überhaupt naar Argentinië af te reizen. Zonder de messias was alle hoop vervlogen. En het volk zeeg neer op zijn knieën om hem te smeken om terug te keren uit de dood en ons land wederom, maar nu echt, wereldkampioen te maken. Maar Cruijff liet zich niet over de streep trekken.

Desillusie

Dat we zonder hem geen schijn van kans maakten, viel overigens in de praktijk reuze mee. We haalden zowaar wederom de finale. En wederom moesten we het opnemen tegen het gastland.

Ik herinner mij dat mijn moeder op de dag van de finale een officieel oranje Nederlands-elftalshirtje voor mij heeft gekocht met een mooie zwarte leeuw. Ik ben zelden zo trots geweest op een kledingstuk. En omdat ik een echt oranje shirt aanhad, mocht ik die dag, ook al was ik nog maar tien, voor één keer met de grote jongens meevoetballen op het veldje aan de Brouwerslaan met de echte doelen. Ik heb zelfs een doelpunt gescoord, dat zal ik nooit vergeten. Iemand schoot de bal uit een corner per ongeluk tegen mijn hoofd. Ik had nog geprobeerd weg te duiken, maar ik was te laat. De bal ketste van mijn achterhoofd het doel in. Ik voelde me een held. De pijnlijke bult nam ik op de koop toe.

En in datzelfde shirtje zat ik die avond op de bank. Ik mocht opblijven om de wedstrijd te zien. Ik had van een kladblaadje met viltstiften, plakband en een satéprikker een rood-wit-blauw vlaggetje gemaakt. Daarmee zwaaide ik zo hard als ik maar kon naar de televisie, want ik dacht dat dat daadwerkelijk zou helpen. Ik was al bij voorbaat totaal euforisch dat Nederland wereldkampioen zou worden.

Dat dat uiteindelijk niet gebeurde, was een van de grootste teleurstellingen uit mijn jeugd. Ik geloof dat ik zelfs heb gehuild. Of misschien was de desillusie te groot voor tranen.

Heiligschennis

Nu ik terugdenk aan die tijd en aan voetballen op veldjes in de buurt, besef ik iets opmerkelijks. Tijdens het voetballen moest je altijd iemand zijn. Dat sprak je van tevoren af. Iedereen wilde altijd Rensenbrink zijn, of Van Hanegem, maar het was ook volslagen acceptabel om Willy van de Kerkhof te zijn, of Ruud Krol of zelfs Wim Suurbier. Maar niemand was ooit Cruijff. Dat mocht niet. Dat was onacceptabel. Dat was te veel eer. Dat was heiligschennis.

En Cruijffs afwezigheid in Argentinië in 1978 was eigenlijk met terugwerkende kracht een zegen. Want we konden zeggen dat we de finale met Cruijff zeker zouden hebben gewonnen en dat we daarom dus eigenlijk de echte wereldkampioen waren. Die redenatie maakte althans veel opgang bij mijn vriendjes en klasgenootjes.

Cruijffs afwezigheid maakte zijn mythe alleen maar groter, zeker voor mijn generatie die zijn gloriejaren bij Ajax begin jaren zeventig niet bewust had meegemaakt en die hem eigenlijk alleen maar kende als Grote Afwezige. Cruijff speelde in die jaren al voor Barcelona, waar hij naar verluidde grootse wonderen verrichtte en werd vereerd als de Verlosser. Maar dat speelde zich allemaal buiten ons blikveld af. De Nederlandse televisie besteedde in die tijd nauwelijks aandacht aan buitenlands voetbal. Het maakte hem in onze kinderhoofden vergelijkbaar met die andere JC over wie het tijdens de catechisatielessen altijd ging: hij was de beste, dat was een vaststaand feit, en ook al was hij onzichtbaar, we moesten niet aan hem twijfelen. Als we in hem zouden blijven geloven, zou alles goed komen met ons.

Sensatie

Mede tegen deze achtergrond was de sensatie onbeschrijfelijk toen Cruijff aankondigde dat hij, na zijn succesjaren bij Barcelona en een schimmig avontuur in Amerika dat vooral met geld te maken had en dat werd beschouwd als de afsluiting van zijn carrière, aankondigde terug te keren in de Nederlandse voetbalcompetitie. Hij zou weer gaan spelen voor Ajax. Maar met het ongeloof en de euforie over de terugkeer van de messias kwamen er ook twijfels. Cruijff was te oud, zeiden ze. Hij was natuurlijk nog steeds een goede voetballer, zeiden ze, maar geen schim meer van de god die hij ooit was. Het zou een teleurstelling worden, zeiden ze. Hij zou beter stoppen, want zo liep hij het risico om zijn glansrijke carrière in zijn nadagen te besmetten met een desillusie. Dat zeiden ze. Het is een constante in de carrière van Cruijff dat hij juist op momenten dat hij onder grote druk stond en dat er met enige reden aan hem werd getwijfeld, alle kritiek wist te doen verstommen met een verbluffende demonstratie van zijn weergaloze talent. Ook dat maakte hem op een bepaalde manier een soort messias, want het kwam altijd goed, daar zorgde hij voor, zelfs wanneer iedereen zei dat het deze keer echt niet meer goed zou komen en zelfs wanneer iedereen eigenlijk welbeschouwd objectief gelijk had door dat te zeggen. En als er een wonder nodig was, konden we erop vertrouwen dat hij dat wonder zou bewerkstelligen. Het maakte hem tot een man in wie je kon geloven.

Schaakprobleem

In de eerste wedstrijd na zijn rentree bij Ajax speelde Cruijff, die eigenlijk al te oud zou zijn en geen schim meer van zichzelf, de sterren van de hemel en maakte hij een van de mooiste doelpunten uit de geschiedenis. Ik herinner me het als volgt. Het was tegen Den Haag. Cruijff stond ergens vlak over de middenlijn, helemaal aan de uiterste linkerkant van het veld. Hoewel dat een kansloze positie was en hoewel het spel zich achter hem afspeelde, werd hij gedekt door een verdediger, want het was wel Cruijff en je wist maar nooit. De verdediging van Ajax heroverde de bal en die werd met een grote hoge boog naar de linkerkant van het veld gespeeld, waar Cruijff stond.

Op dit moment zou je de video moeten stilzetten en de situatie moeten benaderen als een schaakprobleem. Wit geeft mat in twee zetten. Cruijff staat in een hopeloze positie, ver van het doel en ver van de as van het veld, hij is bovendien gedekt, hij krijgt een waardeloze hoge bal van achteren, maar hij scoort in twee balcontacten. Niemand kan de oplossing van het schaakprobleem bedenken. Het lijkt onmogelijk. En dan spoelen we de video verder. Hij neemt de bal aan uit de lucht met de buitenkant van de hak van zijn rechterschoen en lobt hem daarmee in één beweging over de verdediger in de richting van de as van het veld. Hij gaat zelf aan de andere kant langs de verdediger en met zijn tweede balcontact lobt hij de bal van grote afstand over de keeper.

Zo herinner ik het me. Toen ik het ging opzoeken op YouTube (eigenlijk met tegenzin, want de herinnering was me te dierbaar om te laten verpesten door de realiteit), besefte ik dat ik twee doelpunten door elkaar had gehaald. De eerste wedstrijd na zijn rentree was tegen Haarlem en daarin scoorde hij met een andere weergaloze lob, over de complete Haarlem-defensie heen. ‘Het superieure overzicht van de grote meester,’ zei de anders zo onderkoelde NOS-commentator. Dat doelpunt tegen Den Haag kon ik ook terugvinden, maar alleen in zwart-wit. Misschien was dat wel in zijn eerste periode voor Ajax, in de jaren zeventig, hoewel ik me dat nauwelijks kan voorstellen, want waarom zou ik het me dan zo levendig herinneren? Ik weet dat ik, als ik een beetje meer mijn best zou doen, precies zou kunnen achterhalen hoe dat zit. Maar ik heb er geen zin in. Mythen zijn niet gebaat bij precieze data en jaartallen.

Zoon van god

Zo zal ik evenmin opzoeken wanneer het precies was dat hij de wereld het geschenk gaf van de verbijsterende penalty in tweeën. Het was tegen Helmond Sport, dat weet ik wel. En Cruijff nam nooit penalty’s. Dat hij de bal toen wel voor zich opeiste, was op zich al opmerkelijk. Hij nam geen aanloop, de scheidsrechter floot, en tot verbijstering van iedereen schoot hij niet op het doel maar gaf hij een tikje naar links. Daar kwam Jesper Olsen inlopen die de bal terugtikte naar Cruijff die scoorde. ‘Curieus natuurlijk,’ zei de commentator. ‘Ach, het is bijna Kerst,’ zei Cruijff na afloop voor de camera’s van Studio Sport. ‘Dan geef je de mensen iets extra’s.’ De Messias die de mensheid voor zijn verjaardag trakteert op een wonder. Je kunt zeggen wat je wilt over de vergelijking met die andere JC die hem zijn hele carrière heeft achtervolgd, maar hij heeft zelf nooit echt zijn best gedaan om die te ontkrachten.

Integendeel. In de tijd dat hij trainer was bij Barcelona en zijn zoon Jordi opstelde (zijn biologische zoon, niet zijn enige ware zoon en erfgenaam Marco van Basten), gaf hij een interview voor de Spaanse radio waarin hij zei: ‘Ach, al dat gedoe van mensen die zeggen dat ik de zoon van god zou zijn, dat vind ik eigenlijk een beetje overtrokken. Er is maar één zoon van god, hij staat in het veld en hij heet Jordi.’ Een grapje, zou je zeggen. Maar Cruijff maakt nooit grapjes.

Geen tegenspraak

En dan nog zoiets. Hoe is Cruijff eigenlijk ooit trainer geworden? Het enige juiste antwoord op die vraag is dat hij op een goede dag is neergedaald uit de hemel om plaats te nemen op de bank. Het was in de tijd dat Leo Beenhakker coach was van Ajax. Cruijff was al een tijdje gestopt als voetballer, maar hij zat vaak als toeschouwer bij Ajax op de tribune. En het ging niet goed met Ajax. Op een gegeven moment kwam Cruijff tijdens de wedstrijd van de tribune af naar beneden. Hij wilde het veld op. De verbaasde steward deed het hek voor hem open. Wat had hij anders moeten doen? Het was Cruijff. Hij liep naar de dug-out, ging naast Leo Beenhakker zitten en begon hem te vertellen wat er moest gebeuren. Het waren verbijsterende taferelen. Cruijff was afgedaald om het roer over te nemen. De rest van de wedstrijd zat Beenhakker er met een gezicht als een oorwurm naast en hij heeft volgens mij diezelfde dag nog ontslag genomen. Dat had ik ook gedaan in zijn geval. En zo werd Cruijff trainer. En nadat hij als voetballer zo goed als alles had gewonnen wat er te winnen viel, deed hij dat als trainer nogmaals, eerst bij Ajax en toen bij Barcelona.

Ook dat is een constante in zijn carrière. Normale stervelingen voeren contractbesprekingen en worden vervolgens al dan niet aangesteld, Cruijff verschijnt uit zichzelf wanneer volgens hem de tijd is gekomen om de toestand in de wereld ten goede te keren. Zijn epifanie is een manifestatie van zijn goedertierenheid. En dat hij het gelijk aan zijn zijde heeft, staat niet ter discussie. Dat is een gegeven. Daarom duldt hij geen tegenspraak. Kritiek is in zijn ogen een vorm van ondankbaarheid. En als zijn interventie om de wereld te redden kennelijk niet op prijs wordt gesteld, dan redt hij de wereld toch niet? Dan vertrekt hij weer. En daarom is dat de andere constante in zijn carrière. In gewonemensentaal zou je zeggen dat hij overal waar hij heeft gewerkt, uiteindelijk is vertrokken na een conflict. In de beleving van Cruijff is hij telkens weggegaan zodra men weigerde in te zien dat hij de waarheid was en de weg.

En dat viel me eigenlijk nog het meest op toen ik de beelden en interviews terugkeek van de jonge Cruijff, aan het begin van zijn carrière, begin jaren zeventig bij Ajax: de totale vanzelfsprekendheid waarmee hij toen al, als tiener te midden van gelauwerde professionals, de leiding voor zich opeiste. Vanzelfsprekendheid is precies het woord. En daarom werd het ook geaccepteerd, omdat de mogelijkheid om het niet te accepteren domweg niet bestond. En omdat hij het waarmaakte.

Filosoof

Nadat hij voetballer en trainer was geweest, koos Cruijff voor een derde carrière en daarmee onthulde hij misschien zijn meest ware gedaante. Hij werd filosoof. In zekere zin zou je kunnen zeggen dat hij was aangesteld als voetbalcommentator bij de NOS. Zijn filosofieën werden geopenbaard in de rust van voetbalwedstrijden. Maar hun reikwijdte was veel groter dan dat. Het was de wereld zelf die hij uitlegde. En hij sprak zoals hij altijd had gevoetbald, in zinnen vol onnavolgbare grammaticale schijnbewegingen. Ik herinner mij dat ik een wedstrijd keek in een stampvol café vol joelende supporters. Tijdens de rust was het vijf minuten muisstil. Cruijff sprak. En pas toen hij was uitgesproken, mocht er worden doorgejoeld. Zijn beroemde aforismen, zoals ‘Ieder nadeel heb zijn voordeel’ of ‘Je gaat het pas zien als je het doorheb’ of ‘Je moet schieten anders ken je niet scoren’, zijn spreekwoorden geworden in het Nederlands.

Cruijffs huidige bemoeienis met Ajax in de schimmige schijnwereld van bestuurskamers volgt het geijkte patroon. Ongevraagd en uit eigen beweging dient hij zich aan om zijn geliefde club te redden van de ondergang en elke vorm van voorbehoud bij zijn interventie is in zijn ogen een vertoon van domheid en ondankbaarheid. Vanzelfsprekend heeft hij de waarheid aan zijn zijde, niet omdat hij de waarheid kent, maar omdat hij de waarheid is. We hoeven alleen maar in hem te geloven. Het enige wat daaraan nog valt toe te voegen, is dat hij zijn bovenmenselijke pretenties altijd heeft waargemaakt.