Het lijkt een onmogelijke opdracht, je te kunnen voorstellen dat iemand anders de wereld totaal anders beleeft dan jij. De barrière van Baudelaire. Gelukkig helpt de literatuur een beetje.
Op de website van boekhandel Athenaeum staat de proloog voorgepubliceerd van het deze week te verschijnen boek Nederlanders in Rome, geschreven door historicus Arthur Weststeijn. De aankondigingstekst belooft de geschiedenissen van een stoet kleurrijke Nederlanders die in de loop der eeuwen naar de Eeuwige Stad reisden en er hun sporen achterlieten.
In die proloog beschrijft Weststeijn de teleurstelling die veel Nederlanders ervaren als ze Rome voor het eerst bezoeken: de rauwe realiteit van de stad komt zelden overeen met de hooggestemde verwachtingen van de reiziger. Ook Weststeijns eigen eerste kennismaking, tijdens de Rome-reis in de vijfde klas van de middelbare school, leverde hem een ‘gevoel van teleurstelling, en uiteindelijk lethargie’ op. Zo bleek het Forum ‘een zooi op elkaar gestapelde stukken steen’, de kerkbezoeken waren te talrijk om een diepe indruk achter te laten, en omdat de avonden opgingen aan drinkgelagen, vernauwde overdag de kater sowieso het bewustzijn. ‘En een paar dagen later,’ schrijft hij, ‘zaten we alweer terug in de trein naar huis, een kleine desillusie rijker.’
Grappig. En onvoorstelbaar. Ik was mee op diezelfde reis, want ik zat op dezelfde school en in hetzelfde jaar als Weststeijn. Ja, de excursies konden soms uitputtend langdradig zijn, en de vele katers maakten het er allemaal niet makkelijker op (inderdaad, kinderen, toen mocht je nog drinken onder de achttien…), en het is waar dat de verwachtingen absurd hoog waren, want oudere leerlingen repten altijd van de mooiste tijd uit hun schoolcarrière als het over de Rome-reis ging – en toch beleefde ík Rome allerminst als een teleurstelling. Integendeel. Het was alsof de zuurstof in die stad anders smaakte. Lekkerder, rijker. Amsterdam leek ineens een duf provinciegat in vergelijking met de razende energie van deze marmerglinsterende sprookjesstad, waar achter elke deur ongekende schoonheid verborgen lag, en op elke straathoek net zo goed ongekende lelijkheid te bewonderen viel.
Het is de eeuwige vloek van ons individuele bewustzijn, dat we ons amper kunnen voorstellen dat iemand anders de wereld totaal anders kan beleven dan wij.
Het was alsof de zuurstof in die stad anders smaakte. Lekkerder, rijker.
Een paar jaar later keerde ik terug naar Rome. Opnieuw was de reis allerminst een desillusie, maar daarna was het voor langere tijd voorbij. Ik belandde in een bijna tien jaar durende relatie met iemand die een godsgruwelijke takkehekel aan Italianen had. De taal vond ze een mislukt mengsel van Frans en Spaans, het drukke geratel van Italianen maakte haar razend, en hun – volgens haar – onwetenschappelijke manier van doen op de congressen die ze bezocht, vond ze verachtelijk. Nee, een reisje naar Rome of waar dan ook in Italië zat er niet in. Toegegeven, ik had in mijn eentje kunnen gaan, maar het kwam er niet van.
Het was allemaal des te onbegrijpelijker omdat onze smaak op allerlei andere gebieden juist sterk overeenkwam – literair, muzikaal, wetenschappelijk – maar als het om Italië ging, kon hooguit de keuken haar goedkeuring wegdragen.
Er is een prozagedicht van Baudelaire, Les yeux des pauvres (‘De ogen van de arme mensen’), waarin hij een ik-verteller opvoert die zijn geliefde toespreekt. Ze hebben samen een heerlijke dag in Parijs doorgebracht en ’s avonds strijken ze neer op het terras van een nieuw café op de hoek van een nieuwe boulevard. Het café is één en al pracht en praal, serveersters die aan nimfen en godinnen doen denken dragen op hun hoofd ‘vruchten, pasteien en wild’ rond, obers die worden omschreven als ‘Hebes en Ganymedessen’ houden ‘met gestrekte arm de kleine amfora met Beierse puddinkjes of de tweekleurige obelisk met allerlei soorten ijs’ aan de gasten voor: ‘de hele geschiedenis en de hele mythologie ten dienste van de gulzigheid gesteld.’
Dan houdt er op straat een arme kerel halt, met aan zijn ene hand een klein jongetje en op zijn andere arm een wezentje ‘dat te zwak was om te lopen’. ‘Allen in lompen gehuld.’ In hun ogen leest de ik-figuur hun bewondering voor de overweldigende schoonheid van het café, een plek waar zij nooit toegang toe zullen krijgen. Ze vertederen hem, die mensen, en hij schaamt zich een beetje ‘voor onze glazen en onze karaffen die groter waren dan onze dorst’. En dan kijkt hij zijn geliefde aan, om in haar ogen zijn gedachten te lezen, maar zij zegt: ‘Ik kan die mensen met hun ogen als theeschoteltjes niet verdragen! Kun je de cafébaas niet vragen ze weg te sturen?’
Sinds vier jaar ben ik samen met een vrouw die godzijdank wél van Italië houdt. Onze dochter, alweer bijna een halfjaar oud, verwekten we vorig jaar in de vroege zomer tijdens een lang verblijf op Sicilië. Een paar maanden eerder bezochten we Rome. Voor mij was het een langverhoopt weerzien. Uitgelaten, opgetogen, driftig ademend en intens gelukkig slenterde ik over het Forum met mijn geliefde aan mijn zijde, en ik hoefde haar maar in de ogen te kijken om te weten: ik ben niet de enige die dit voelt. Ze bevestigde het met woorden – woorden die niet tegenvielen.
Ik ga het boek van Arthur Weststeijn maar eens aanschaffen en lezen. Want ergens moet bij hem, die uiteindelijk jaren in Rome gewoond heeft, de liefdesvonk toch óók zijn overgeslagen. En wie weet begrijp ik hoe dat kan als ik de laatste pagina heb omgeslagen. Want als literatuur érgens toe in staat is, is het de barrière van Baudelaire op te heffen en ons toegang te verlenen tot die o zo duistere krochten van andermans bewustzijn.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.