Elite: het is een verzamelnaam die tegenwoordig niets meer betekent. Jamal ziet hoe de ouderwetse intellectueel het keer op keer aflegt tegen de ‘elite’ van tegenwoordig: geld, macht, en meerderheid.

Eindelijk was er afgelopen week dan een flintertje genoegdoening voor de Nederlandse intellectueel. En dat werd hoog tijd, want de Nederlandse intellectueel heeft het de laatste jaren niet makkelijk gehad. Dat begon al met die hardnekkige neiging hem onder de noemer ‘elite’ op één hoop te gooien met bankdirecteuren, makelaars, commissariaten-verzamelende ex-politici en graaiende tv-presentatoren.

Elite: een verzamelnaam die niets meer betekent. Ik herinner mij dat ik als jochie uit Amsterdam-Oost begin jaren negentig op het Barlaeus Gymnasium terechtkwam. Een ‘elitaire’ school. Tijdens feestjes van klasgenoten die woonden in de paleizen aan de grachtengordel en in Oud-Zuid keek ik mijn ogen uit, maar de ouders van die klasgenoten waren niet per se geldwolven. Het waren veelal artsen, advocaten, notarissen, architecten, universitair docenten. En kunstenaars, journalisten, politici. Geen slecht betaalde beroepen, maar miljonair werd je er niet mee, en toch hadden die mensen, meestal in de jaren zeventig en tachtig, prachtige huizen kunnen kopen. En ze lazen boeken, en ze hadden kunst aan de muur hangen omdat ze dat mooi vonden, en ze bespeelden instrumenten en gingen naar het Concertgebouw en ze hielden van toneel en ballet en opera.

Toen ik begin deze eeuw een aantal jaren achtereen zelf in Amsterdam-Zuid woonde (nee, niet in een zelfgekocht huis) viel me op hoezeer de buurt veranderd was. De geldproleten hadden de boel overgenomen; je werd van je sokken gereden door Holleeder-imiterende Vespa-lullo’s in pakken van Oger; veel panden waar vroeger gezinnen huisden waren nu in handen van advocaten- en makelaarskantoren waardoor de buurt ’s avonds en in het weekend een doodse indruk maakte; andere panden stonden leeg: holle dobbelstenen in handen van speculanten. Had je geld, dan investeerde je niet meer in cultuur en maatschappij, maar in de patserigste sportauto’s en de snollerigste bontjassen uit de P.C. Hooft.

En die ouderwetse intellectueel? Die zag alles wat hem lief was verketterd worden door de nieuwe lichting VVD’ers – jongens en meisjes die niet eens meer wisten hoe je het woord ‘liberalisme’ spelde. Een omhooggevallen duivenmelker met een goed gevoel voor populisme sneed sadistisch grijnzend in cultuursubsidies en legitimeerde daarmee de veelgehoorde wens van het ‘gewone’ volk om niet langer meer mee te betalen aan de ‘hobby’s’ van de ‘linkse grachtengordel-elite’. Geen politicus durfde zich, omgekeerd, openlijk af te vragen aan hoeveel hobby’s van het volk die elite al niet had meebetaald in de voorafgaande decennia – nee, daar kon je maar beter niet over beginnen als je stemmen wilde binnenslepen.

En die ouderwetse intellectueel? Die zag alles wat hem lief was verketterd worden door de nieuwe lichting VVD’ers.

De intellectueel zag zijn geliefde geesteswetenschappen ingehaald worden door de harde bètarealiteit. De voorkeur ging voortaan uit naar onderzoek dat tot nieuwe winsten zouden leiden, of tot nieuwe manieren om mensen ziek of dood te maken, en tot nieuwe manieren om mensen juist te genezen, waar dan óók weer nieuwe winsten mee behaald konden worden, wetenschap was niet langer meer iets om je menszijn mee te verrijken in de beperkte tijd die ons hier op aarde gegeven is, niet langer een methode om te begrijpen wat het überhaupt ís, dat leven waar we ongevraagd in belanden en waar we al even ongevraagd weer uit weggerukt worden, hoe het geworden is wat het is, hoe het werkt, uit welke bestanddelen het bestaat – nee, wetenschap werd een op bruikbaarheid gericht efficiëntiemonster. Wat er overbleef van de geesteswetenschappen werd door intersectionele idioten in al hun idealistische verdwazing uitgehold, of door de vernietigende kracht van het Angelsaksisme kapotverengelst.

En in Den Haag heerste die andere elite, de financiële elite, de elite die niets meer met intellect te maken wilde hebben zolang dat intellect niet in euro’s was uit te drukken. De enige politicus die zichzelf onbeschaamd als intellectueel durfde neer te zetten, knaapje Baudet, bleek zich al gauw tegen alle intellectuele verworvenheden van de twintigste en de eenentwintigste eeuw te keren, met zijn haat jegens atonale muziek en abstracte kunst en modernistische literatuur. Daar lag hij, neukelings op zijn vleugel, de intellectueel uit te hangen minus alles wat een intellectueel tot intellectueel maakt.

De werkelijke intellectueel zag zijn kranten tot tabloidformaat slinken, zag zijn favoriete weekblad tot maandblad transformeren, zag theatergezelschappen failliet gaan, zag de boekverkoop almaar dalen (ha!, de boekverkoop!). Ach, de intellectueel zag de literatuur verzinken en verzinken doordat zelfs belabberd geschreven thrillertjes zich voortaan mochten tooien met de gestolen pauwenveer van het woord ‘literair’, en de zeldzame haan die daarnaar kraaide, was ‘elitair’ (vies gezicht, even kwatten op de grond).

De intellectueel zag de rijke diversiteit van antiquariaten verjaagd worden door Nutellawinkels, zag zijn musea geannexeerd worden door hordes die alleen nog maar naar schilderijen keken via het beeldscherm van hun mobiele telefoon – maar in dat laatste fenomeen schuilde dan toch die kleine genoegdoening.

Afgelopen week trokken oogartsen aan de bel over de verontrustende toename van het aantal bijzienden. Van de twintigers is tegenwoordig de helft bijziend. En dat zijn niet, zoals vroeger het geval was, voornamelijk intellectuelen die ‘met hun neus in de boeken’ in hun slecht verlichte studeerkamers hun ogen verpestten met pogingen de woorden van Goethe te ontwaren door flarden van pijp- of sigarenrook onder het genot van een moppie Rachmaninov. Nee, ook laagopgeleiden worden nu massaal bijziend, omdat ze te veel en te langdurig op tablets, mobiele telefoons en laptops zitten te pielen.

Vijftig procent, and counting.

Voor mij is ‘intellectueel’ nooit een scheldwoord geweest. Moeder: telg uit een Amsterdams arbeidersgezin, jeugd kapotgemaakt door oorlog en verlating, ze hopte van het ene tehuis naar het andere pleeggezin – niet de kans gehad een opleiding te volgen die recht deed aan haar geestelijke vermogens. Vader: groeide op in een Marokkaans bergdorp. Alleen het jongste broertje van het gezin ging naar een Koranschooltje, en via hem leerden de anderen tweedehands lezen en schrijven. Oh, mijn beide ouders haalden tijdens hun volwassen leven de intellectuele schade ruimschoots in, en mij werd als kind altijd op het hart gedrukt dat een goed stel hersens iets is wat je moet omarmen en benutten. Ontwikkel het zo breed mogelijk, stop er zoveel kennis is als erin past. Daag het uit, dat brein, stimuleer het.

Toen ik op het gymnasium belandde, bleek de intellectuele elite gastvrij te zijn. Kennis wordt, in tegenstelling tot geld, méér als je haar deelt met anderen. Goed onderwijs voor iedereen!, luidde decennialang het devies van de intellectuele elite. Maar de financiële elite is inmiddels al jaren bezig dat goede onderwijs af te breken. Een paar honderd miljoen extra voor leraren in het basisonderwijs? Neem een willekeurige geldharker uit de Quote 500 en hij zou in zijn eentje het vereiste bedrag kunnen ophoesten, maar nee. De financiële elite houdt de hand op de knip. De leraren krijgen niets, terwijl de VVD belastingvoordeeltjes uitdeelt aan vrindjes uit, jaja, de financiële elite. Hoger onderwijs moest voor iedereen met de vereiste intellectuele capaciteiten toegankelijk zijn. Maar de financiële elite schafte de basisbeurs af en voerde een leenstelsel in, want lenen levert rente op, en van rente krijgt de financiële elite een stijve. Rutte-III wil de rente op studieleningen verhogen.

De intellectuele elite heeft het geprobeerd. Ja, waren wij allen intellectuelen, dan zouden we allen bijziend zijn van het lezen, maar God, wat hadden we dan een heerlijk en rijk geestelijk leven gehad ter compensatie!

Nu schuilt achter onze bijziende ogen een leeg brein, een brein dat niets weet zonder Google, en door Google te raadplegen, maak je je ogen nóg bijziender. In zijn boek Van bacterie naar Bach en terug schrijft filosoof Daniel Dennett over de bewustzijnsloze ontwerpkracht van evolutie door natuurlijke selectie. ‘De evolutie,’ stelt hij, ‘scharrelt bijziend rond en rommelt doelloos maar wat aan met wat ze geschapen heeft; zonder enig nadenken probeert ze allerlei kneepjes en variaties uit, en behoudt wat nuttig blijkt of in elk geval niet bijzonder schadelijk is.’

Ja, dat is een mooie vorm van bijziendheid, die bovendien tot onze mensensoort heeft geleid. En wat doen we met die uitkomst? We draaien een kleine ritselende maar omgekeerde evolutie af. We konden zoveel meer zien, met zovelen meer dan eerst, maar we kozen ervoor rechtsomkeert te maken. Met steeds meer zielen tegelijk scharrelen we bijziend over de terugweg.