De vicepremier over zijn overstap naar Den Haag, zijn drijfveren en de slechte start van het kabinet. ‘Rutte is net een Duracell-konijntje.’

Kroonprins, PvdA-wonderboy, gedroomde partijleider, Heilige Lodewijk, het beste dat we in huis hebben. Geen politicus is het afgelopen jaar zo bewierookt als Lodewijk Asscher, de Amsterdamse wethouder die vicepremier werd.

Inmiddels wordt het nieuwe kabinet bedolven onder kritiek, maar aan Asscher lijkt het niet te kleven. Strelend voor zijn ego? Ongetwijfeld. Maar zelf wordt hij er vooral ongemakkelijk van, zegt hij. ‘De verwachtingen zijn zo krankzinnig hoog dat ik er onmogelijk aan kan beantwoorden. Ik was echt ontdaan van al die positieve pers. Zo ging het met Job Cohen ook: dan komt er opeens iemand die alles goed gaat maken. Daar moet je vooral niet zelf in gaan geloven. Dan weet je: dit wordt een enorme deceptie. Daarom roep ik al weken: hallo, ik ben Lodewijk, ik ga u teleurstellen.’

Opslokmoment
Tot voor kort was Lodewijk Asscher (38) nog de machtigste wethouder van Amsterdam. Hij stond bekend om zijn voortvarende sociale beleid, zijn strijd tegen vrouwenhandel op de Wallen en voor verbetering van het onderwijs op zwakke scholen. Maar ook als harde machtspoliticus. Als locoburgemeester, wethouder van financiën, sociale zaken én onderwijs, gesteund door een grote meerderheid van de PvdA in de gemeenteraad, had Asscher de stad in een ijzeren greep. Met zijn charme en heldere taalgebruik wist hij zalen met boze bestuurders naar zijn hand te zetten. Mislukkingen, zoals het investerings­pro­gram­­ma Amsterdam Topstad, kon hij handig naar de achtergrond laten verdwijnen en als het nodig was, liet hij collega-politici als Frits Huffnagel keihard vallen. Een innemende man met een feilloos gevoel voor machtsverhoudingen, zeggen mensen die hem goed kennen. De afgelopen jaren werden de geruchten steeds sterker dat Lodewijk Asscher een overstap naar de landelijke politiek zou overwegen.

Zover is het nu dus gekomen. Zijn fraaie werkkamer aan de Amstel heeft Asscher verruild voor een sober vertrek in het ministerie van Sociale Zaken met uitzicht op de spoorbaan en een tankstation. ‘De Esso, ook mooi,’ grinnikt hij. Daar spreekt Asscher op een kille decemberdag met Vrij Nederland over zijn overstap naar Den Haag, zijn persoonlijke drijfveren in de politiek en over zijn grote opdracht: de miljardenbezuinigingen en de verbouwing van de verzorgingsstaat.

Het waren geen makkelijke eerste weken. Nog voor de beëdiging van het nieuwe kabinet op 5 november stak er een storm van protest op over de invoering van een inkomensafhankelijke zorgpremie. Ook is de eerste bewindspersoon al uit de boot gevallen, PvdA-staats­secretaris Co Verdaas. ‘Het was niet een heel rustige landing,’ zegt Asscher met een glimlach. ‘Ik weet niet wanneer die wittebroodsweken gepland waren, maar ik heb er nog niet veel van gemerkt.’ Intussen moest Lodewijk Asscher, in de landelijke politiek volstrekt onervaren, zijn weg zien te vinden in het Haagse labyrint. Eigenlijk had hij een dagboek willen bijhouden om zijn eerste indrukken te bewaren, zoals hij ook deed toen hij zes jaar geleden als kersverse wethouder van Amster­dam minister Zalm de voet dwars zette bij de privatisering van Schiphol. De minister van Financiën begon steeds driftiger te roken.

‘Ik denk altijd: zou ik dat echt kunnen, zijn ze niet allemaal een beetje in de war?’

Het dagboek is er deze keer niet gekomen. ‘Dit is zo’n opslokmoment in mijn leven dat het me niet lukt.’ Hier en daar heeft de nieuwe minister wel indrukken genoteerd op zijn laptop. Over zijn rondleiding op Sociale Zaken waar één afdeling alle nota’s voor de minister voorbereidt. ‘Dit is de stukkenstroom, zeiden ze, drieduizend nota’s per jaar, die ik allemaal moet lezen en tekenen!’

Of over zijn eerste debat in de Eerste Kamer: ‘Dat is gewoon een soort tijdreis. Je ziet mensen die je van vroeger kent van televisie, zoals Elco Brinkman en Thom de Graaf, alsof de decennia niet verstreken zijn.’

Of zijn verwondering over de kluwen vechtende journalisten die hem belaagden op zijn eerste gang naar het torentje van premier Rutte tijdens de storm over de zorgpremie. ‘Bij de ministerraad in de Trêveszaal voelde ik me pas weer op mijn gemak. Deur dicht, aan het werk met heel concrete zaken: hoe gaan we om met die zorgpremie? Sturen we Patriots naar Turkije? Dan moet je met elkaar tot overeenstemming komen. Daar voel ik me lekker bij.’

Hoe bent u gevraagd om vicepremier te worden?
‘Half juli kwam Diederik Samsom bij me langs op het stadhuis om bij te praten over de campagne. We stonden er als PvdA niet goed voor, dertien zetels in de peilingen of zo. Ik was best bezorgd en had bedacht dat we samen een filmpje konden maken. Ook om te laten zien dat we helemaal geen rivalen zijn, zoals in de media werd beweerd. Halverwege het gesprek zei Diederik opeens: “Het klinkt misschien gek, maar er is een kans dat we straks moeten regeren. Dan wil ik een beroep op jou kunnen doen. Ik blijf zelf in de Kamer en wil dat jij het team in het kabinet gaat leiden.”’

Viel die vraag u rauw op het dak?
‘Ja. Mijn naam viel vaker, maar dan in theoretische exercities waarin ik de strijd om de partijleiding aan zou moeten gaan. Ik heb dat altijd afgehouden, want dat ging mij te veel om het ego. Maar nu was het een andere situatie. Diederik vroeg me om te komen helpen als we zouden moeten regeren en hij zei dat hij veel vertrouwen in mij had. Dan is het veel moeilijker om nee te zeggen. Ik heb gezegd dat ik erover na wilde denken.’

Heeft u daar lang over gedaan?
‘Ja, heel lang. Het voordeel was dat het vlak voor de vakantie was. Ik heb er de hele zomer over kunnen praten en dubben en nadenken en piekeren.’

De meeste kandidaat-ministers hebben er een avondje voor nodig. Was het voor u zo’n worsteling dan?
‘Dat was het zeker.’

Foto: Jeroen Hofman
Foto: Jeroen Hofman

U heeft altijd gezegd dat u niet naar Den Haag wilde. Te abstract, te grote afstand tot gewone mensen, te ruige omgangsvormen.
‘Ik heb ook lang gedacht dat ik nooit naar Den Haag zou gaan. Ik was gelukkig in Amsterdam. Ik kon daar op een goede manier de stad besturen en ook meepraten over de koers van de partij. Mijn werk als wethouder kon ik goed combineren met mijn gezin met drie jonge kinderen. Ik kon ze elke dag naar de crèche of naar school brengen. En ik was er ook niet zeker van of ik in Den Haag wel iets wezenlijks kon bijdragen. Aan de andere kant is het een grote eer om voor zoiets gevraagd te worden. Ik heb ook het gevoel dat dit moment er voor Nederland echt toe doet. Er moet gigantisch bezuinigd worden, de overheid moet op de schop.’

Dan heb je een fijne vakantie, met zo’n dilemma.
‘Op de camping in Normandië was ik ook bezig met schepjes en emmers, dus het domineerde niet de héle vakantie. Maar naarmate de verkiezingen op 12 september dichterbij kwamen, kreeg ik het lastiger.’

Bent u bij dit soort grote beslissingen altijd zo’n twijfelaar, onzeker eigenlijk?
‘Ik heb altijd de tijd nodig om te denken: zou ik dat echt kunnen, zijn ze niet allemaal een beetje in de war dat ze me hiervoor vragen? Zo ben ik blijkbaar gebakken. Ik ben ook niet snel tevreden over mezelf, ik ben zelfs helemaal niet snel tevreden over mezelf. Toch heb ik uiteindelijk wel het zelfvertrouwen om moeilijke beslissingen te nemen. Let’s face it, hier zit ik.’

Komt het erop neer dat u telkens doet wat u eigenlijk niet durft?
‘Ja, ik dwing mezelf daartoe. Ik sta mezelf niet toe het zekere voor het onzekere te nemen. Ten diepste heeft het hiermee te maken dat mijn positie in de politiek tijdelijk en heel bevoorrecht is. Dat betekent dat ik met de tijd en de geleende macht moet woekeren. Dat ik elke seconde van de dag moet proberen het goede te doen. Ik stel mezelf elke dag de vraag: wat heeft het uitgemaakt dat ik er zat vandaag?’

Is dat niet erg vroom? Draait de politiek niet gewoon om ijdelheid?
‘Je moet voortdurend waakzaam zijn. Dat je ijdelheid en dat soort motieven niet laat doorslaan. Waarom wil je dit echt? Waarom denk je dat jij dit zou kunnen? Daarover heb ik ook goed met Diederik Samsom gepraat. Waarom zou hij zo’n risico nemen om iemand met zo weinig Haagse ervaring naar Den Haag te halen?’

Bij Cohen is dat niet goed afgelopen.
‘Er zijn meer politieke carrières die in tranen eindigen dan met een grote glimlach. Ik heb allerlei mensen zien omvallen en weet dat mij dat ook kan overkomen. Maar ik heb mezelf beloofd dat dat nooit reden mag zijn om iets niet te doen. Diederik zei dat hij iemand nodig had om te besturen met een kompas, zoals hij het noemt. Een verkiezingsprogramma en een regeerakkoord zijn mooi, zei hij, maar uiteindelijk komt het erop aan dat er iemand in het kabinet zit op wiens kompas ik kan vertrouwen voor de problemen die we nu nog niet kennen. Dat begreep ik. Ik heb Diederik uiteindelijk in het weekend vóór de verkiezingen laten weten dat het niet zeker nee was.’

Was dat de boodschap? ‘Niet zeker nee’?
‘Nou, ik heb het wel ietsjes enthousiaster gezegd. Maar ik wilde wel echt iets kunnen toevoegen. Ik wilde een portefeuille die bij mij zou passen, een regeerakkoord waar ik wat mee zou kunnen, en een goed team om het mee uit te voeren.’

Geen pretportefeuilles
Het werd Sociale Zaken en niet Financiën zoals velen hadden gedacht. Op Financiën hadden sociaal-democratische kopstukken als Wim Kok en Wouter Bos successen behaald. Maar Lodewijk Asscher vond dat te abstract. ‘Ik heb Diederik meteen laten weten dat ik een portefeuille van vlees en bloed wilde hebben. Een portefeuille die direct in het leven van mensen dingen ten goede kan doen keren. Zoals banen of scholen.’ Precies de zaken waar hij zich in Amsterdam als wethouder sterk voor maakte. Een ministerschap op Onderwijs is voor een vicepremier alleen niet handig, want dan zit je niet bij de invloedrijke sociaal-economische zeshoek van meest toonaangevende ministers. Dus werd het Sociale Zaken en Werk­gelegenheid. Daarbij werd Asscher niet gehinderd door de bedenking dat eerdere sociaaldemocraten als Elske ter Veld en zelfs Joop den Uyl juist op dat ministerie onderuit zijn gegaan, zegt hij. ‘Op elk departement kun je mislukken. Er bestaan geen pretportefeuilles. Je mislukt omdat je zelf niet goed je werk doet.’

Maar u moet als PvdA-minister vijf miljard euro bezuinigen, de WW-duur verkorten en het ontslagrecht versoepelen. Je moet er maar zin in hebben.
‘Dat is zo. Maar het is juist belangrijk om in een tijd als deze daar wel te gaan zitten.’

Liever dan het aan iemand anders overlaten?
‘Ja, dan doe ik het liever zelf. En dan ook écht zelf. Ik wil alles van de sociale zekerheid weten, ik wil alles snappen. Het is de kunst om twee dingen tegelijk te doen. Op de korte termijn moeten we mensen helpen die nu in de ellende zitten. Maar we moeten tegelijk iets verder naar de toekomst kijken. Straks zijn er veel te weinig mensen op de arbeidsmarkt en hebben we in Nederland echt iedereen nodig, terwijl we de afgelopen decennia heel weinig in werknemers hebben geïnvesteerd.

We ontkomen er niet aan om onze verzorgingsstaat ingrijpend te verbouwen. De voorvaderen hebben die ontworpen met het oog op de toekomst zoals zij die zagen, maar de samenleving is sindsdien ingrijpend veranderd. Eenderde van onze werknemers is inmiddels flexibel zonder enige rechtsbescherming en tweederde zit hartstikke vast. Wij moeten de verzorgingsstaat opnieuw bouwen met het oog op de toekomst zoals wij die zien. Heel stevig, met een vloer waar niemand doorheen kan zakken. Maar ook met een arbeidsmarkt die eerlijk is. Dat is prachtig om aan te werken en ook typisch een taak voor sociaal-democraten.’

Dat klinkt mooi, maar wat gaat u straks zeggen tegen mensen die worden ontslagen, na een jaar in de bijstand komen en hun huis met verlies moeten verkopen?
‘Ik spreek nu ook al mensen die hun baan kwijt zijn en het zwaar hebben. Ik weet hoe moeilijk het kan zijn om aan een nieuwe baan te komen. Ik ben me er dus goed van bewust dat het voor de mensen om wie het gaat een hard gelag is.’

‘Er zijn meer politieke carrières die in tranen eindigen dan met een glimlach’

Hoe gaat u ze helpen?
‘Ik wil de komende jaren met man en macht, en met de sociale partners, zorgen dat mensen meer kans maken op een nieuwe baan, met name in het eerste jaar van werkloosheid. Ook wil ik afspraken maken met het bedrijfsleven om mensen makkelijker van de ene baan naar de andere te begeleiden en desnoods van de ene sector naar de andere. Zo helpen we nu mensen uit de bouw naar de scheepsbouw. Voor oudere werklozen blijft hoe dan ook een extra vangnet bestaan, zodat ze hun huis niet hoeven op te eten.’

Heeft u over zulke onderwerpen mee kunnen praten tijdens de kabinetsformatie?
‘Het echte gesprek vond natuurlijk aan de onderhandelingstafel plaats. Maar ik heb Diederik Samsom vaak aan de telefoon gehad. Ik ben wel steeds goed op de hoogte gehouden.’

Op de hoogte gehouden is één ding, maar heeft u ook input gegeven, bijvoorbeeld over de bescherming van flexwerkers die in het regeerakkoord is gekomen?
‘Daar heb ik inderdaad erg voor gepleit, maar dat wilde Diederik Samsom natuurlijk zelf ook. Je kunt zo’n regeerakkoord niet helemaal vertalen naar dit is een zin van die en dit een zin van die. Ook met de uitnodiging aan werkgevers en werknemers om mee te praten over de hervormingen ben ik heel blij. Ik ben blij dat er staat dat de WW-premie per werkgever gedifferentieerd kan worden op basis van goed werkgeverschap. Daarmee heb je een echt instrument om goed gedrag te belonen en slecht gedrag te bestraffen. In het regeerakkoord wordt de mensenhandel aangepakt, iets waarvoor ik me in Amsterdam ook heb ingezet. Dat zijn van die zinnetjes, die klinken mij als muziek in de oren.’

Wat stuit u het meest tegen de borst in het regeerakkoord? Het strafbaar stellen van illegaliteit?
‘Nee. Allerlei landen om ons heen hebben dat ook. Ik vind het veel belangrijker hoe we in de praktijk met illegalen omgaan dan dat ene artikel in het regeerakkoord. Ik heb net voor elkaar gekregen dat illegale kinderen toch stage mogen lopen zodat ze hun opleiding kunnen afmaken. Daar ben ik heel trots op.’

Eigenlijk zegt u: we gunnen de VVD stoere taal over de illegalen, maar in de praktijk gaan we illegalen toch helpen. Hoe is dat met elkaar te verenigen? Voert u oppositie tegen uw eigen regeerakkoord?
‘Dat zeg ik niet. Ik zou die strafbaarstelling niet bedacht hebben, maar ik vind het niet principieel ontoelaatbaar. Als het me echt zozeer tegen de borst had gestuit, had ik mijn handtekening er niet onder gezet.’

Welke maatregel in het regeerakkoord vindt u dan het moeilijkst?
‘Ik vind de opdracht die ik heb op de arbeidsmarkt een heel pittige: de verkorting van de WW-duur, de hervorming van het ontslagrecht. Het was me een lief ding waard geweest als ik geen vijf miljard op de sociale zekerheid had moeten bezuinigen. Maar ik weet dat het moet.’

Tandem
Voor de PvdA is regeren in het recente verleden beslist niet altijd een feest geweest. Het laatste kabinet waar de sociaal-democraten aan deelnamen, werd verziekt door de slechte relatie tussen premier Jan Peter Balkenende en vicepremier Wouter Bos. De persoonlijke verhouding in de tandem Rutte-Asscher is cruciaal voor het welslagen van dit kabinet.

Heeft u in die relatie geïnvesteerd?
‘Elke dinsdag ga ik met Rutte lunchen. Op maandagochtend praten we samen bij met de fractievoorzitters Halbe Zijlstra en Diederik Samsom. En Rutte is ontzettend van het telefoneren. Als er wat is, hangt hij altijd onmiddellijk aan de lijn. Dat doe ik nu ook. Zodra er iets is, bel ik hem.’

En dan neemt hij ook op?
Grinnikend: ‘Ja, nog wel.’

En los van de dagelijkse beslommeringen?
‘Het is niet een bestaan waarin je samen rustige wandelingen door de duinen kunt maken. Maar Rutte en ik zijn al wel een keer gaan dineren, nog voor de beëdiging. Op de avond dat de zorgpremiestorm begon, hebben we samen gegeten in restaurant Seven Seas in het Scheepvaarthuis in Amsterdam. We hebben besproken hoe we het gingen aanpakken. Hoe zorgen we voor een goede sfeer? Hoe lossen we problemen op?’

Hoe is jullie verhouding?
‘Heel goed. Hij is een enthousiaste, prettige en collegiale man om mee te werken. We blijken op dezelfde school te hebben gezeten, basisschool Wolters in Den Haag, hij een paar jaar eerder. We hebben allebei een optimistische levenshouding. Maar zijn energieniveau is niet te evenaren. Dat geldt overigens ook voor Diederik Samsom. Die kerels houden nooit op. Net die klassieke reclame van Duracell, met dat konijntje. Maar dan maal twee. Komt Rutte terug van een staatsbezoek of een eurotop, dan gaat-ie meteen met volle energie door. Daar heb ik groot respect voor.’

Samen moeten jullie het team bij elkaar houden. Maar de eerste bewindspersoon is al gevallen: Co Verdaas moest aftreden vanwege gesjoemel met ­declaraties als gedeputeerde in Gelderland. Heeft u gezegd: Co, je moet weg?
‘Dat heb ik niet gezegd. Maar zijn aftreden was onvermijdelijk.’

‘Ik zou die strafbaarstelling van illegaliteit niet bedacht hebben’

U staat bekend om uw bijna griezelige perfectie. Had u dit niet kunnen zien aankomen? De Gelderlander heeft vorig jaar al uitgebreid over die affaire gepubliceerd.
‘Er is in De Gelderlander inderdaad veel over geschreven, en er is in de Staten over gesproken. Maar dat hij bewust foutieve informatie heeft opgeven over ritten die hij niet heeft gemaakt, dat was mij, Samsom en Rutte niet bekend. We hadden het kunnen weten als we zelf die driehonderd bonnen naast elkaar hadden gelegd – op zich is dat wel iets voor Diederik Samsom. Achteraf hadden we dat moeten doen, maar zo is het niet gegaan. Daardoor lazen we er voor het eerst over in de Volkskrant. En dat eindigde bij de uitgang.’

Het maatschappelijke oproer over de inkomens­afhankelijke zorgpremie hadden jullie ook al niet voorzien.
‘Zeker. We zagen absoluut niet aankomen dat het zo’n grote storm zou worden.’

Al met al een heel slechte start van het kabinet.
‘Dat is het ook.’

Wat doet dat met de verhoudingen in het kabinet?
‘Het is een heel goed team. Op zo’n moment gebeurt het ook wel dat mensen er chagrijnig van worden. Maar ik heb het gevoel dat het tegendeel het geval is.’

U gaat toch niet vertellen dat jullie er sterker uit ­komen?
‘Dat doe ik wel. Ik denk dat de VVD gemerkt heeft dat we als Partij van de Arbeid hier echt in willen investeren, problemen echt willen helpen oplossen. Als start van het kabinet is het natuurlijk niet best. Maar deze hobbel hebben we genomen in de sfeer van: jongens, we moeten de komende jaren nog zo veel met elkaar oplossen.’

Maar gaat die onrust rond het kabinet wel over? In de pers en op tal van websites wordt Rutte op een ongenadige manier aangepakt. De premier is beschadigd.
‘Hoe dichter mensen op het Binnenhof zitten, hoe meer ze bezig zijn met de dagkoersen. Maar hoe verder je van het Binnenhof komt, hoe meer je hoort: kunnen jullie niet eens een keer gewoon vier jaar regeren? We weten dat jullie moeilijke dingen moeten doen, doe wat nodig is, en doe het verstandig. Daar zullen we het van moeten hebben.’

Wat zegt de woede over de zorgpremie en de nivellering over de bereidheid tot solidariteit van burgers?
‘Ik weet niet of het daarmee te maken heeft. We moeten vooral wennen aan het idee dat we straks minder kunnen uitgeven. Een deel van Nederland heeft dat heel erg gemerkt omdat ze hun baan kwijtraakten, anderen nog niet. Het kost tijd voordat dat besef echt doordringt.’

PvdA-voorzitter Hans Spekman vond die boze reacties verwend gedrag van mensen die best wat kunnen missen.
‘Dat zal voor sommigen vast een rol hebben gespeeld. Maar veel anderen voelden echte stress: de kinderopvangtoeslag, de hypotheek, een paar honderd euro per maand hier eraf en nog een paar honderd euro daar. Ze telden de meest extreme uitslagen bij elkaar op en dachten: kan ik straks mijn huis nog wel betalen? Dat vind ik niet meteen een gebrek aan solidariteit. Het grote probleem is dat de verzorgingsstaat een anoniem monster is geworden vol met afkortingen waarvoor je moet betalen zonder dat je weet waarom. Mensen begrijpen hun eigen loonstrookje niet eens. Die anonimiteit moeten we doorbreken.’

Foto: Jeroen Hofman
Foto: Jeroen Hofman

Hoe wilt u dat doen?
‘Roepen dat mensen solidair moeten zijn, werkt in ieder geval niet. Zodra een beroep op solidariteit wordt gedaan om falende publieke instellingen te financieren of alleen maar het begrotingstekort te dichten, worden mensen gallisch. We moeten elkaar aanspreken op de solidariteit die mensen in kleine kring nog wel voelen. Voor je broer, je vrouw of je zieke neef leg je graag wat opzij. En voor je buren wil je dat ook nog wel doen. Je hebt er zelfs wat voor over als het speeltuintje in de straat wordt opgeknapt. Vanuit die gedachte is de verzorgingsstaat ontstaan. Ik denk dat de samenleving beter wordt als je je ervan bewust bent dat er veel kwetsbare eenlingen zijn, en dat je elkaar een beetje moet helpen. Dat probeer ik zelf ook te doen in de politiek: oog hebben voor mensen die hun baan kwijt zijn, voor mensen die geen huis kunnen huren omdat ze een nul-urencontract hebben. En daar iets aan doen. Ik zie het als mijn opdracht mensen uit te dagen zich in elkaar te verplaatsen. We mogen niet onverschillig zijn.’

Wanneer is dat besef tot u doorgedrongen?
‘Ik denk dat ik dat in mijn opvoeding heb meegekregen. Ik ben door mijn ouders opgevoed met het idee dat onze verworvenheden niet vanzelfsprekend zijn. Dat je je het lot van anderen moet aantrekken.’

Misschien begeven we ons op glad ijs. Maar is dat terug te voeren op de geschiedenis van uw Joodse familie? Uw vader is als baby gered uit de Hollandsche Schouwburg, waar Amsterdamse Joden werden verzameld om te worden gedeporteerd.
‘Dat klopt.’

Kennelijk waren er mensen die op dat moment de moed hadden niet onverschillig te zijn.
‘Zeker. Dat waren heel moedige mensen.’

Hoe is dat gegaan?
‘Mijn vader is in een vuilnisbak de schouwburg uit gesmokkeld. Er waren mensen die hun eigen baby twee keer hebben laten tellen, zodat het niet opviel dat mijn vader weg was. Er waren de mensen bij wie hij ondergedoken heeft gezeten. Mensen die het vervoer organiseerden in het verzet. Het was een andere tijd. Hoe afgrijselijk ook, er waren door zulke helden heel mooie momenten van menselijkheid en moed te zien.’

De Nederlanders hebben wel het verwijt gekregen onverschillig met de Joden te zijn omgegaan.
‘Als je zo gaat generaliseren, misken je dat het uiteindelijk allemaal mensen waren die individuele keuzes maakten, met een individuele verantwoordelijkheid. Zoals we die nu ook hebben. In werkelijkheid waren het allemaal mensen met eigen zorgen, met een eigen gezin, die in sommige gevallen een ongelooflijke moed vertoonden die aan ons nooit gevraagd zal worden. Je kunt zeggen: sommigen waren heldhaftig, de anderen allemaal niet. Maar daar moeten we niet te makkelijk over oordelen, vanuit een comfortabele positie in 2012. Hoe dan ook is het in mijn geval een heel tastbaar verschil, anders waren mijn kinderen er ook niet geweest.’

Uw ouders werken allebei in het arbeidsrecht, uw vader als advocaat, uw moeder als hoogleraar. Zij heeft zelfs achttien jaar in de Sociaal-Economische Raad gezeten. Nu moet hun zoon de WW en het ontslagrecht gaan verbouwen.
‘Zeker.’

Heeft u daar met uw ouders over gesproken?
‘We hebben het erover gehad in de zomer, toen het nog niet duidelijk was dat ik deze portefeuille zou gaan doen. Ik heb voor mijn verjaardag, in september tijdens de formatie, een paar prachtige boeken van mijn moeder gekregen over de geschiedenis van de sociale zekerheid. Ontzettend leuk om te lezen, bijvoorbeeld over de invoering van de kinderbijslag in de oorlog. Ik vind het zelf een fijn idee mensen in mijn nabije omgeving te hebben die daar veel van weten.’

Hebben ze gezegd: doe het niet, met dat ontslagrecht?
‘Mijn moeder realiseert zich heel goed dat het een andere positie is om er vanuit de wetenschap naar te kijken dan vanuit de politiek. Ik denk dat zij zich best zorgen maakt over de hervormingen, maar dat ze toch blij is dat ik het ben gaan doen en niet iemand anders.’