Mijn tijd bij de PKK: drie maanden op taalkamp in een uithoek van Irak

Fréderike Geerdink
Illustratie: Gijs Kast
Met het leren van een nieuwe taal ga je ook een nieuwe wereld binnen. Als dat ergens van toepassing is, dan is het wel in het PKK-taalonderwijskamp. Correspondent Fréderike Geerdink verbleef drie maanden in het kamp in een uithoek van Irak.

Kesif heye?’ Het is tien voor vijf ’s ochtends, ik heb mijn ogen nog maar net open en het korte Koerdische zinnetje dat in dit PKK-kamp zo vaak te horen is, rolt mijn mond al uit. Kesif heye?, oftewel: ‘Zijn er drones?’ Ik vraag het omdat heval Rûken (‘heval’, oftewel ‘vriend’, ‘kameraad’, is de vaste aanspreektitel onder PKK’ers), een van de twee guerrillastrijdsters met wie ik een tent deel, bij de tentopening zit en geconcentreerd luistert naar de geluiden in de lucht. Heval Navroj, net als ik nog onder haar deken, gebaart met haar hoofd van niet.

Als ergens van toepassing is dat je met het leren van een nieuwe taal ook een nieuwe wereld binnengaat, dan is het wel hier, in het taalonderwijskamp van de PKK in een uithoek van het Qandil-gebergte in het noordoosten van Irak. Ik realiseer het me als ik de vraag of er drones boven ons kamp cirkelen al stel nog voordat ik mijn tentgenotes rojbaş (goedemorgen) heb gewenst. Hier geldt: veiligheid gaat voor alles. Kesif was dus een van de eerste woorden die ik leerde, en ook balafir (vliegtuig, oftewel bommenwerper), rewşa ewlekarî (veiligheidssituatie) en dûpişk (schorpioen – meteen elimineren als je er een ziet want een steek kan dodelijk zijn) kan ik inmiddels dromen.

Tien voor vijf, het is een mooie tijd om op te staan. We hebben onze acht uur slaap er ruimschoots opzitten: vanwege de veiligheid is kunstmatig licht in het kamp ten strengste qedexe (verboden) en dus klimmen we elke avond in de schemering tussen zeven en acht uur de berg op naar onze slaapplek onder de bomen. Na het opstaan is er nog een uurtje de tijd om te lezen, om huiswerk te maken of om nog wat extra slaap te pakken in onze tentjes in het kamp, voordat om kwart over zes het ontbijt klaarstaat. Om half acht stipt begint de les.

In dat uurtje hoor ik meestal mijn buurvrouw, heval Nefel, zachtjes hardop lezen. Een tentje verderop bereidt heval Mizgîn, de lerares van een van de twee klassen, in de ochtendkoelte de les voor. Ik benut de tijd om te schrijven in het dagboek dat ik bijhoud om vooral geen enkel detail te vergeten van mijn tijd bij de PKK.

Arîn schrijft: ‘ik ben een guerrillero, jij bent een guerrillero, hij/zij is een guerrillero, wij zijn guerrillero’s, jullie zijn guerrillero’s.

Als alles loopt zoals ik hoop, blijf ik een jaar bij de PKK, de gewapende Koerdische groep die sinds zomer vorig jaar opnieuw in een heftige strijd met het Turkse leger verwikkeld is en die in Iraaks en Syrisch Koerdistan succesvoller dan welke andere groep dan ook vecht tegen IS. Een langdurig verblijf bij de PKK om een boek over de organisatie te schrijven, is een vervolg van mijn correspondentschap in Turkije, dat in september 2015 abrupt ten einde kwam toen ik wegens mijn journalistieke werk over de Koerdische kwestie het land werd uitgeknikkerd.

Bij aankomst in de Qandil-bergen, eind mei, vraag ik de hoogste commandant in de bergen, Cemil Bayik, waarom hij mijn verzoek om een jaar als journalist bij de PKK te verblijven eigenlijk heeft geaccepteerd. Het antwoord is simpel: ‘We staan open voor iedereen die ons wil leren kennen.’ Eisen stelt de organisatie niet aan me, behalve dan dat ik veiligheidsinstructies opvolg, wat ik graag doe omdat mijn leven me lief is. De PKK leest mijn teksten niet voor publicatie, ook dit artikel niet, en heeft daar zelfs niet om gevraagd.

Na ons gesprek dirigeert Bayik me naar de taalcursus. Mijn Koerdisch is namelijk beroerd, ondanks pogingen de taal onder de knie te krijgen in Istanbul en Diyarbakir (de grootste Koerdische stad in het zuidoosten van Turkije), mijn standplaatsen als freelance correspondent tussen 2006 en 2015. Dus hier zit ik dan, in een PKK-taalonderwijskamp onder de bomen in de bergen.

Illustratie: Gijs Kast
Analfabeet

Heval Arîn (22) is, zoals elke dag, als eerste aan de beurt om haar huiswerk op het whiteboard, opgehangen aan de stam van een pruimenboom en een in de grond geslagen paal, te schrijven. Ze schrijft langzaam en haar letters zijn zo groot dat zelfs een korte zin zich over de volle breedte van het bord uitstrekt. Maar wat geeft het? Wat telt, is dát ze schrijft: vóór Arîn deze cursus begon, was ze analfabeet. In het dorp in Başur (Zuid-Koerdistan, oftewel het deel van Koerdistan dat in Irak ligt) waar ze opgroeide, was geen school toen ze klein was. Twee jaar geleden sloot ze zich aan bij de PKK. Ze kon haar geluk niet op toen haar verzoek om de taalcursus te volgen werd ingewilligd.

Heval Arîn is niet de enige van de twaalf leerlingen die naar de cursus is gekomen om te leren lezen en schrijven.

Arîn schrijft: ‘Ez gerîla me, tu gerîla yî, ew gerîla ye, em gerîla ne, hûn gerîla ne, ew gerîla ne.’ – ik ben een guerrillero, jij bent een guerrillero, hij/zij is een guerrillero, wij zijn guerrillero’s, jullie zijn guerrillero’s, zij zijn guerrillero’s. Bij de lessen over correct hoofdlettergebruik schrijft ze: ‘PKK Partiya Karkên Kurdistan e’ (De PKK is de Arbeiderspartij van Koerdistan) maar dat Karkên klopt niet helemaal: dat moet Karkerên zijn, arbeiders, en het duurt even voor ze ziet dat een deel van het woord ontbreekt. Lerares Mizgîn herhaalt het tot bij Arîn het kwartje valt: karkerên, karkerên.

Heval Arîn is niet de enige van de twaalf leerlingen die naar de cursus is gekomen om te leren lezen en schrijven. Heval Awesta bijvoorbeeld, achttien jaar, ging in Bakur (Noord-Koerdistan, het deel dat in Turkije ligt) nooit naar school. Haar vader verdiende zijn brood als herder en vanaf haar zesde jaar ging Awesta vrijwel dagelijks met hem mee op zijn tochten door de velden en bergen van haar geboortestreek.

De andere leerlingen kunnen wel lezen en schrijven, maar geen van allen in het Koerdisch. Zoals heval Avyan, een ervaren guerrillastrijdster, die opgroeide in Rojhilat (Oost-Koerdistan, in Iran) en daar op school alleen Perzisch heeft geleerd. Zodra ze kon lezen en schrijven, haalden haar ouders haar van school omdat ze niet wilden dat hun dochter gevormd zou worden door het Iraanse onderwijssysteem.

Heval Hêlîn (30) groeide op in Istanbul, maar behoorlijk onderwijs heeft ze nooit gehad. Ze zegt: ‘Ik ben geboren in Bingöl (Oost-Turkije, FG) en mijn ouders migreerden naar Istanbul toen ik klein was. We verhuisden van de ene wijk naar de andere, afhankelijk van het werk dat mijn vader kon vinden, en ik moest telkens weer op een nieuwe school beginnen. Dat was geen basis om goed Turks te leren. Maar mijn Koerdisch was ook niet goed, want dat sprak ik alleen met mijn moeder en je weet: onderwijs in het Koerdisch is er in Turkije niet.’ De taal van haar moeder leerde ze in de PKK beter beheersen, en nu leert ze het eindelijk ook lezen en schrijven.

En mijn buurvrouw, heval Nefel, komt uit een dorp in Rojava (West-Koerdistan, in Syrië) en leerde in de vier jaar dat ze naar school ging alleen Arabisch. Toen ze vijf jaar geleden de wapens oppakte in de gelederen van de aan de PKK-gelieerde YPG, letterlijk om haar dorp en ouderlijk huis tegen de troepen van president Assad en later tegen IS te beschermen, sprak ze zelfs nog geen Koerdisch, want thuis werd Arabisch gesproken. ‘Assimilatie, heval Avaşîn,’ verzucht ze, mij aansprekend met de naam die ik draag zolang ik onder PKK’ers ben. Avasin is de naam van een rivier in Koerdistan, letterlijk vertaald ‘blauw water’, die stroomt door de regio rond Yüksekova, de stad vanwaar ik vorig jaar ben uitgezet. Hij is me gegeven door een strijdster die ik hier op mijn eerste dag ontmoette en die mijn verhaal kende. Zo’n naam krijg je om veiligheidsredenen, voor PKK’ers is het de nom de guerre, voor mij is het gewoon omdat ik hier ook ben en ze Fréderike maar lastig vinden. Mijn achternaam koos ik zelf, Amed, de Koerdische naam van de stad Diyarbakir.

Klinkers en medeklinkers

Om de verscheidenheid compleet te maken, zit er ook een handvol buitenlanders in de ruwhouten schoolbankjes. Sommigen zijn gekomen om PKK-strijder te worden en staan aan het begin van hun opleiding, een paar anderen komen uit de Europese en Zuid-Amerikaanse antifascistische en antikapitalistische beweging en willen na de taalles en de militaire en ideologische training terug naar hun landen van herkomst. Interviews geven willen ze niet, vooral om veiligheidsredenen: de PKK staat op de Europese lijst van terroristische organisaties en hun verblijf hier in de bergen kan ze op een jarenlange gevangenisstraf komen te staan.

De buitenlanders zijn zonder uitzondering hoog opgeleid. Dat wringt soms, in de les. Vier lessen van drie uur over het alfabet en klinkers en medeklinkers, twee lessen over hoofdlettergebruik, vier lessen over de punt, de komma, de dubbele punt, de aanhalingstekens openen en de aanhalingstekens sluiten – ook ik tref mijzelf meer dan eens al na een half uurtje les gapend aan. Aan de andere kant: als we een korte tekst uit het lesboek (het levensverhaal van Mazlum Dogan, een van de eerste ‘martelaren’ van de PKK en een held voor elke PKK’er) pogen te vertalen, kijken de guerrilla-cursisten werkeloos toe. De buitenlanders klagen soms, smeken in stroef Koerdisch om werkwoordvervoegingen die naar onze zin veel te lang op zich laten wachten, maar de docenten zijn onwrikbaar: aan de volgorde van de lessen wordt niet getornd.

Anderzijds: de groepen zijn klein. Het klasje waarin ik zit, heeft vijf leerlingen, dus voor alle vragen is plaats. We zien foto’s van eerdere cursussen, waarin er soms wel vier klassen (’s zomers in de buitenlucht, ’s winters in tenten) waren met tot tien leerlingen per groep. Heval Ronahî, een van de coördinatoren van het taalonderwijs, legt uit dat het aantal inschrijvingen grotendeels afhangt van de politieke en militaire situatie in met name Turkije. Is die slecht, zoals nu, dan leidt dat onherroepelijk tot minder aanmeldingen: veel guerrillastrijders houden zich dan liever beschikbaar om naar de gewapende strijd te worden gestuurd.

Walkietalkie

Van de ontwikkelingen in Turkije en aan het IS-front krijgen we maar weinig mee en wat we horen, komt uit Koerdische bron, meer precies via StêrkTV, een zender die aan de PKK gelieerd is. We horen van de couppoging in Turkije en van de grote aanslag op de bruiloft in Gaziantep, we volgen de strijd tegen IS, maar voor mij is één bron géén bron, en ik mis niets zo erg in het taalkamp als mijn gebruikelijke oneindige hoeveelheid nieuwsbronnen en onafhankelijke analyses.

Die drones zijn ook een psychologisch wapen. Het Turkse leger wil ons daarmee intimideren.

‘Concentreer je op de taal, heval Avaşîn,’ zegt juf heval Mizgîn. Zij is behalve juf ook verantwoordelijk voor de veiligheid van het kamp en heeft de walkietalkie altijd binnen handbereik. Voor haar is het nieuws vooral van belang omdat het direct invloed heeft op onze veiligheid. Als de PKK een grote aanslag heeft gepleegd in Turkije, volgen er in de dagen daarna onherroepelijk meer bombardementen op het gebergte waar wij zijn. We laten ons er niet gek door maken, de strijders zijn wel wat gewend en ik vertrouw op hun ervaring. Slechts enkele keren scheren er bommenwerpers over ‘ons’ gebied en drones zijn er vaker, maar onder de bomen zijn we behoorlijk goed beschermd. Heval Hêlîn, ervaren strijdster, legt me uit: ‘Die drones, heval Avaşîn, zijn ook een psychologisch wapen. Het Turkse leger wil ons daarmee intimideren, ervoor zorgen dat ons normale leven in de bergen tot stilstand komt. Dat staan we niet toe. Veiligheid is de eerste prioriteit, maar het blijft óns leven, waar wíj de regie over hebben.’

De ideologie van de PKK

Ik leg coördinator heval Ronahî voor dat het taalkamp me soms bevreemdt. Vooral ’s avonds tussen pakweg half zeven en acht uur, als we in de manga (een vernuftig gebouwde, half-ondergrondse ‘huiskamer’) bij elkaar zitten om op de tv die daar op een plastic groentekratje staat het nieuws te volgen. Op het scherm de laatste verwikkelingen in de strijd om de Syrische stad Minbic, waarbij de YPG nauw betrokken is, en beelden van de laatste PKK-aanslagen op politie- en legerposten in Turkije afgewisseld met korte biografieën van omgekomen PKK-strijders, en in de manga een groep guerrillastrijders die in schriften met afbeeldingen van Tom & Jerry, de Smurfen en Spiderman hun huiswerk maakt. Waarom zijn er überhaupt taallessen in deze crisistijden, waarin de strijd die de PKK op vele fronten voert zo hevig is?

Heval Ronahî (42), die uit Bakur komt en zich eenentwintig jaar geleden aansloot bij de PKK, zegt: ‘Voor ons is de strijd voor onze taal, cultuur en geschiedenis net zo belangrijk als de gewapende strijd. Het één kan niet zonder het ander. Hoe kun je een strijd voeren tegen een systeem dat je identiteit ontkent en onderdrukt als je zelf je identiteit niet kent?’

Vandaar dus dat er behalve de taallessen ook presentaties zijn over Koerdische geschiedenis, over de vier Koerdische dialecten en over de manieren waarop de Koerdische taal door verschillende staten is onderdrukt. Het zijn allemaal verkorte versies van cursussen tot wel dertig, veertig uur, die weer onderdeel zijn van de ideologische opleidingen binnen de PKK.

Elke guerrillastrijder volgt een basiscursus in de ideologie van de PKK, doorgaans vrij snel nadat hij of zij zich bij de PKK heeft aangesloten. Voor heval Arîn was de ideologische cursus zelfs de directe aanleiding zich in te schrijven voor het taalonderwijs. Ze vertelt: ‘Ik kon daar geen aantekeningen maken omdat ik niet kon lezen en schrijven. Mijn klasgenoten wezen me op het bestaan van deze taalcursus en ik heb me meteen aangemeld.’

Tijdens de cursus stort ze zich op een boek van PKK-leider Abdullah Öcalan, geschreven in de Turkse cel waar hij een levenslange gevangenisstraf uitzit. ‘Maar dat was nog te moeilijk,’ lacht ze, en ze laat het boek zien waar ze nu elke dag uit leest: Şilêr, een korte roman over een Koerdische vrouw. Ze leest hardop (‘Dan kan ik mezelf beter beoordelen’) en haar hoge stemgeluid is tijdens de middagen altijd wel ergens in het kamp te horen. Ze zit in haar tent of op een plastic mat onder de bomen te lezen of is te vinden bij de tent van lerares heval Mizgîn, die meeleest en geduldig haar fouten corrigeert.

Een cultuur kan niet bestaan zonder taal, dus hoe kan ik een echte Koerd zijn als ik me beter kan uitdrukken in het Turks dan in het Koerdisch?

Een completer mens

Ook voor mij maakt heval Mizgîn tijd vrij, doorgaans om gesprekken in het Koerdisch te voeren. Dat is immers dé manier om een taal te leren, en zéker het Koerdisch, heeft ze me (in het Turks, de taal die we allebei machtig zijn) uitgelegd op de dag dat ze me dringend adviseerde niet langer de hele dag het Turks-Koerdisch woordenboek met me mee te slepen: ‘Dialoog, heval Avaşîn, dialoog! Koerdisch is een heel natuurlijke taal die altijd mondeling is doorgegeven, en dat is ook hier de beste manier.’

De dialoog komt me niet aanwaaien. De gesprekken die ik met de PKK’ers voer, zijn kort tot ultrakort: ik vraag iets, herhaal dat met gebaren of desnoods een woord Turks tot ze me begrijpen, vervolgens versta ik het antwoord niet, en dat is dan dat. Met bewondering kijk ik naar de expressieve Baskische in de groep, die de hele dag onbekommerd en met handen en voeten dialogen voert, en naar de ijzeren discipline van de jonge Duitser, die allebei veel sneller vorderingen maken dan ik. Ik word er chagrijnig van.

Langere gesprekken heb ik in het Turks, onder anderen met heval Hêlîn. Ik ben nieuwsgierig naar de monoloog die ze voor de hele groep hield. Om de drie dagen is er een tekmil, een bijeenkomst waarin iedereen grieven, kritiek, zelfkritiek en complimenten kan uiten en voorstellen over de gang van zaken in het kamp kan doen, en elke maand is er een grote tekmil, waarin alleen over de cursus wordt gepraat en waarbij ook de onderwijscoördinatoren aanwezig zijn. In de grote tekmil sprak Hêlîn lang, en ik had het idee dat het belangrijk was.

‘Weet je, heval Avaşîn, ik leer hier eindelijk mijn moedertaal lezen en schrijven, en dat maakt me een completer mens. Maar het maakt me ook verdrietig. Een cultuur kan niet bestaan zonder taal, dus hoe kan ik een echte Koerd zijn als ik me beter kan uitdrukken in het Turks dan in het Koerdisch? Hoe kan ik volledig zijn als ik de rijkdom van mijn cultuur en geschiedenis niet ken omdat ik de taal niet beheers? Ik ben nog nooit zo met die tekortkoming geconfronteerd als hier.’

Ook uit opmerkingen van andere cursisten merk ik hoe ingrijpend de cursus is voor hun identiteit als Koerd. Heval Arîn leest niet alleen veel om te oefenen, maar ook omdat ze niet weet wat haar volgende taak als guerrillastrijder zal zijn, en of ze dan gelegenheid zal hebben om te lezen – daar maakt ze zich zorgen over, zegt ze, want ze wil, ze kán na deze cursus niet stoppen met leren over haar volk en over de ideologie van de PKK. Heval Awesta vertelt in een tekmil dat ze soms gewoon niet kan geloven dat zij, jonge vrouw zonder een dag onderwijs en opgegroeid in een land waar het bestaan van Koerdisch decennialang werd ontkend en waar de taal nog altijd niet vrij is, ‘een pen vasthoudt en haar moedertaal schrijft’.

Diploma

Ik herken me in wat heval Ronahî zegt over de regel dat buitenlanders in de PKK, of ze zich nu willen aansluiten of niet, altijd eerst naar de taalcursus worden gestuurd. Ze zegt: ‘Hoe ga je een volk begrijpen als je de taal niet spreekt?’ Precies waarom ik de afgelopen jaren telkens weer cursussen heb gevolgd, en precies waarom de frustratie altijd zo diep was als het om uiteenlopende redenen telkens weer nergens toe leidde.

Deze keer is het anders. De vooruitgang die ik maak, is onmiskenbaar. Ik maak korte maar toch echt volledige zinnen in de tegenwoordige, verleden en toekomstige tijd, ik gebruik bijvoeglijk naamwoorden alsof het niets is, ik snap steeds meer vragen en ook antwoorden en heb soms zowaar een heus dialoogje of zelfs een echt gesprek, waarvan ik de details niet snap maar de grote lijnen redelijk kan volgen. Ik gooi ‘komen’ (hatin) en ‘gaan’ (çûn) voortdurend door elkaar en soms zijn mijn zinnen half-Koerdisch en half-Turks zonder dat ik er zelf controle op lijk te hebben, maar de andere xwendekaran (leerlingen) begrijpen me steeds beter, en ik hen.

Na drie maanden is er een ceremonie, inclusief rijst, kip, salade, gasten, zang en dans. Elke cursist krijgt een ‘diploma’, een pasje waarop staat dat je de cursus Kurmanci (het Koerdische dialect dat in de PKK het meest wordt gesproken) hebt gevolgd. Na de ceremonie ben ik een van de eersten die naar haar volgende bestemming vertrekt. De stemming is vrolijk, maar ik vraag me af of ik ooit weer van deze mensen zal horen. Ik weet waar ik naartoe ga, maar de guerrillero’s zijn nog niet geïnformeerd over hun volgende kar (werk, taak).

Lerares heval Mizgîn (28), die eind 2014 een van de strijders was die de Syrisch-Koerdische stad Kobani uit de klauwen van IS wist te redden, staat te popelen om naar Bakur te gaan om operaties uit te voeren tegen het Turkse leger, maar het kan net zo goed zijn dat ze aangewezen wordt om nog een taalcursus te geven, komende winter. Heval Nefel wil ook naar Bakur, maar voor haar is de kans klein: ze is nog geen twintig, heeft in Rojava de volle vuilheid van oorlog gezien (‘Mijn hart doet pijn, heval Avaşîn’) en heeft waarschijnlijk nog een paar jaar PKK-onderwijs voor de boeg voor ze haar wapen weer kan oppakken. De buitenlanders weten hun bestemming al wel: zij gaan naar de ‘şervanên nû’, oftewel de ‘nieuwe strijders’, de eerste militaire training, die zestig dagen duurt.

Ik hou van jullie

Tot mijn schrik word ik geacht voor mijn vertrek in het Koerdisch het woord tot mijn mede-cursisten te richten. Ze staan op een rijtje in hun uniformen, de vrouwen met het haar strak gevlochten, ik voor de groep in mijn burgerkloffie. Ik zeg in bepaald niet vloeiende zinnen dat ik deze drie maanden nooit zal vergeten, dat ik het soms moeilijk vond maar vooral enorm blij ben dat ik eindelijk de basis heb gelegd en de komende tijd hard zal werken om mijn Koerdisch te verbeteren, en dat ik alle heval dank voor hun hulp. Ez ji wan hez dikim, sluit ik af. Omhelzingen volgen, en ineens scandeert de hele groep lachend en applaudisserend: ‘Heval Avaşîn! Heval Avaşîn! Heval Avaşîn!’

Als ik met heval Dalyan, een van de guerrillastrijders die me helpt dit jaar binnen de PKK te plannen, een flink eind door het bos en langs beekjes loop, weg van het kamp, realiseer ik me dat die laatste zin, ez ji wan hez dikim, niet klopte. Ik roep het naar Dalyan, die veel sneller loopt dan ik. Hij kijkt om, lacht, en zegt: ‘Je zei “Ik hou van hen”, terwijl je denk ik ez ji wê hez dikim, ik hou van jullie, wilde zeggen. Maar ze begrepen je wel, heval Avaşîn. Pirsgirek nine – geen probleem.’

De PKK

De gewapende strijd van de PKK begon op 15 augustus 1984 met twee aanslagen op bases van het Turkse leger. De organisatie streed aanvankelijk voor een onafhankelijk Koerdistan en inmiddels voor zelfbeschikking binnen de grenzen van Turkije. Het Turkse leger verwoestte het afgelopen jaar complete binnensteden in Zuidoost Turkije waar zich PKK-strijders zouden ophouden. Hierbij werden volgens plaatselijke advocaten en mensenrechtenactivisten ongewapende burgers gedood. De PKK pleegde op haar beurt aanslagen op politie- en legerposten.De taalschool

De taalschool

De Ehmedê Xanî taalschool van de PKK (genoemd naar een beroemd Koerdisch schrijver en intellectueel die zich als geen ander hard maakte voor behoud van de Koerdische taal) functioneerde drie maanden op dezelfde locatie – een vrij uitzonderlijke situatie in de PKK, waar kampen om veiligheidsredenen niet langer dan een paar weken en soms zelfs maar één nacht worden gebruikt. Taalonderwijs is niet gebaat bij voortdurende en soms razendsnelle spoedverhuizingen, en dus heeft de organisatie een aantal maatregelen getroffen om het kamp zo veilig mogelijk te maken. Mij is gevraagd die maatregelen niet openbaar te maken. Dat heeft tot gevolg dat er geen foto’s gepubliceerd kunnen worden van de openlucht klaslokalen tijdens de lessen.‘Turkije en IS vormen een coalitie tegen de Koerden’

‘Turkije en IS vormen een coalitie tegen de Koerden’

Zagros Hiwa, woordvoerder voor de KCK (de koepelorganisatie waar de PKK ook onder valt): ‘De Turkse interventie in Syrië werkt tegen de democratisering van Syrië. Immers, de Syrian Democratic Forces (waar de YPG, die gelieerd is aan de PKK, de drijvende kracht van is, FG), de groep die nu door Turkije wordt aangevallen, is de belangrijkste democratiserende kracht in Syrië. De overname van Jarablus is slechts een overname in naam, want volgens ons zijn Turkije en IS dezelfde kracht, ideologisch en politiek verschillen ze niet van elkaar. Het komt allemaal voort uit Turkije’s anti-Koerdische beleid, dat erop gericht is de rechten van Koerden overal ter wereld te ontkennen.
Tegen wie zijn de aanvallen van IS in Turkije gericht, zoals de bomaanslag op de bruiloft in Gaziantep? Altijd tegen Koerden. Dus Turkije en IS vormen een coalitie tegen de Koerden, en elke aanval van IS in Turkije is in het belang van Erdogan.’

Sluit je nu aan voor slechts €4,99 per maand

Sorry, je hebt op het moment geen toegang tot dit artikel.

Waarschijnlijk heb je een abonnement zonder digitale toegang. Wil je deze content graag lezen, sluit dan snel een abonnement af.

Heb je wél een abonnement met digitale toegang, neem dan contact op met onze klantenservice: 020 – 5518701.