En nu doen ze hetzelfde werk. Dit is het verhaal van sportjournalisten en oud-klasgenoten Nordin (‘ga maar iets met je handen doen’) en Thomas (‘vwo’).
Even kijken of je het nog wel kan, zegt Thomas Rijsman (39). Hij wipt de bal omhoog naar zijn vriend Nordin Ghouddani (39). Die trekt zijn designerbroek omhoog, neemt de bal aan op zijn borst en passt hem terug. Daarna een snelle veeg over zijn Hugo Boss-poloshirt – zou toch zonde zijn als dat vies werd. ‘Weet je nog dat we altijd twee teams maakten, de Nederlanders tegen de buitenlanders?’ zegt Rijsman. ‘En ik mocht meedoen met de buitenlanders, omdat ik eigenlijk een Belg ben?’ Ghouddani lacht, hij weet het nog.
Hier op het veldje kwam iedereen uit de buurt samen. Jongens met namen als Aissa en Moussa, Farid, maar ook Maurits, Diederik en Pieter. Dit veldje in de wijk Zorgvlied was misschien wel het mooiste voetbalpleintje van Tilburg. Basisschooljongens waren ze toen ze hier dagelijks te vinden waren. Nu zijn ze terug als volwassen mannen. Ze halen herinneringen op en praten over hoe het mogelijk is dat zij, twee vrienden, voetbalfanaten, een vergelijkbare Citoscore hadden en toch een compleet verschillend schooladvies kregen. Allebei droomden ze van een carrière als sportjournalist, Rijsman werd naar het vwo gestuurd, Ghouddani kreeg het advies om ‘iets met zijn handen’ te gaan doen op de lts.
Wat was de gedachte achter die verschillende schooladviezen? Had het iets te maken met het feit dat Ghouddani van Marokkaans-Nederlandse afkomst is en Rijsman een blonde Belg? Of dat de een uit het arme deel van de wijk kwam en de ander uit het gedeelte met de villa’s?

Het had niet veel gescheeld of Nordin Ghouddani was automonteur geworden, zoals zijn basisschoolleraar voorstelde. Talloze scholen en opleidingen versleet hij voordat hij besefte dat al die carrières die anderen voor hem bedachten niet bij hem pasten. Sinds september is hij redacteur bij Studio Voetbal. Hij nam – geheel toevallig – de baan van zijn basisschoolvriend Rijsman over, die als eindredacteur naar Ziggo Sport verhuisde. Thomas Rijsman, zoon van een hoogleraar psychologie en een bewegingswetenschapper, studeerde psychologie en werkt al jaren in de sportjournalistiek. Nordin Ghouddani, zoon van een mijnwerker die in de WAO belandde, heeft nu eindelijk de baan die hij altijd al wilde hebben. Maar dat ging allemaal niet vanzelf. Hij heeft zich – om met premier Rutte te spreken – moeten invechten. En dat begon, volgens de vrienden, bij het verschillende schooladvies dat ze kregen. ‘Dat was het moment dat ik rechtsaf sloeg en Nordin links,’ zegt Rijsman.
Arm en rijk
De pauze is net begonnen als Ghouddani en Rijsman aan komen lopen bij hun oude basisschool Christoffel in Tilburg. Het is een gemengde school, een mix van culturen en sociale klassen. Dat is goed te zien op het schoolplein. ‘Kijk, daar lopen de kleine Thomas en Nordin,’ zegt Rijsman over twee spelende vriendjes.
De mannen herinneren zich de Christoffel als een fijne school. Een overwegend witte school, in hun klas zaten maar drie kinderen van Marokkaans-Nederlandse afkomst, maar wel een school met verschillende sociale klassen. Logisch, want de school ligt precies op de scheiding van arm en rijk. Aan de ene kant staan de villa’s met rieten daken en Volvo’s voor de deur, aan de andere kant smalle straten met arbeiderswoningen.

‘Mannen, wat goed om jullie te zien,’ zegt leraar John Smulders, terwijl hij de twee omhelst. Smulders was hun leerkracht in groep zeven en bewaart goede herinneren aan de jongens, en zij aan hem. ‘Thomas was vrij rustig, deed het goed op school. Nordin was iets drukker en presteerde gemiddeld,’ zegt Smulders. De school had in de jaren tachtig te maken met een grote verandering van de leerlingenpopulatie. Door gezinshereniging kwamen er Marokkaanse en Turkse kinderen op school en dat vereiste aanpassingen van het docentencorps, vertelt Smulders. Er werd veel energie gestoken in het betrekken van de ouders bij de school. Hij herinnert zich vader Ghouddani nog wel. ‘Een aardige man. Al was zijn Nederlands niet zo goed, hij kwam altijd naar de ouderavonden.’ Leraren stonden in hoog aanzien bij de migrantenouders, vertelt Smulders: ‘De school en de leraar waren bijna heilig voor ze.’

Gepensioneerd leraar Jan van Raak gaf Ghouddani en Rijsman les in groep acht en gaf de jongens hun schooladvies in 1989. Hij herinnert zich meer moeilijkheden. ‘Er waren een paar van die Marokkaantjes…’ Van Raak slaakt een diepe zucht. ‘…Daar hebben ze het nu nog steeds over op school. En niet in de goede zin.’ Het grootste obstakel was de taal. ‘Thuis werd er vaak alleen Marokkaans gesproken. En als de kinderen dan op school Nederlands moeten praten, is dat soms gebrekkig. Daarom vind ik dat alle ouders Nederlands moeten leren.’
Met die ouders kon Van Raak goed opschieten, maar dat gold niet voor alle leraren. Sommigen moesten de ouders op het gedrag van hun kinderen aanspreken. ‘De Marokkaanse jongens speelden de hele dag op straat en waren minder gemotiveerd dan de meisjes. Die zaten waarschijnlijk wel de hele dag binnen, huiswerk te maken.’ Vooral dat het gebrek aan concentratie zat die jongens in de weg, zegt Van Raak. ‘Die leerden vaak thuis ook niet voor proefwerken. De meiden deden dat meestal wel, daarom kregen zij ook vaak een hoger advies. Voor jongens was lbo vaak het hoogst haalbare.’
Aardig menneke
Jan van Raak gaf veertig jaar les op de Christoffel en hij heeft al zijn opschrijfboekjes bewaard, dus ook dat van 1988-1989, waarin de cijfers van Thomas Rijsman en Nordin Ghouddani staan. De namen en getallen zijn met een sierlijk handschrift opgeschreven.
‘Nordin was een aardig menneke,’ zegt Van Raak. Hij leest voor uit zijn docentenboekje: ‘Kletst veel, vlug afgeleid, aardig, af en toe een brutaaltje en slordig.’ De cijfers geven een wisselend beeld, soms haalde Ghouddani goede cijfers, dan weer onvoldoendes. De schoolrapporten van groep zeven zijn beter. Hij wijt dat zelf aan de leraar. ‘Bij Smulders voelde ik me meer op mijn gemak dan bij Van Raak. Die leek de pik op mij te hebben – op alle Marokkaanse leerlingen trouwens.’ Volgens Jan van Raak spreken de cijfers voor zich. Taal, spelling en begrijpend lezend waren allemaal niet goed. ‘Daarom vind ik het opmerkelijk dat Nordin journalist is geworden, want als die jongetjes een verhaaltje moesten schrijven, dan was het vaak na drie zinnetjes voorbij.’
Ter vergelijking haalt hij een handgeschreven opstel van Thomas Rijsman tevoorschijn. Hij wordt in het docentenboekje omschreven als: een goede leerling, druk, populaire bink. Maar ondanks die voorbeeldigheid, was dit opstel met de titel ‘Thomas, het populairste jongetje van de klas’ strafwerk, omdat hij een invaldocent had gepest. Hij had haar stoel met een touwtje onder haar vandaan getrokken. In het opstel reconstrueert Rijsman niet alleen het verhaal, maar schrijft hij ook hoe hij er goed vanaf komt terwijl een andere jongen, de Marokkaans-Nederlandse Aissa, wel onmiddellijk straf kreeg toen hij iets vervelends had gedaan. Discriminatie, noemt Rijsman het in zijn opstel. Volgens Van Raak werd daar in die tijd snel mee geschermd door leerlingen. De Marokkaans-Nederlandse kinderen, hij had er toen drie, voelden zich snel aangevallen. Hij begrijpt niet waarom, hij behandelde alle kinderen gelijk. Al kan hij iets over het hoofd hebben gezien in de overvolle klassen met achtendertig leerlingen.
Heel competitief
De Citoscores van de leerlingen staan niet in het boekje van Van Raak. De Cito was volgens hem nog niet verplicht en de leerlingen konden facultatief een andere toets afleggen, het Algemeen Proefwerk. Bij Rijsman staat onder het kopje ‘toets’: vwo. Bij Ghouddani staat er niets. ‘Nordin heeft die test waarschijnlijk niet gemaakt. Ik kan het niet anders uitleggen, want ik noteerde alles.’ Rijsman en Ghouddani herinneren zich dat heel anders. ‘Onze klas heeft de Citotoets gemaakt, dat weet ik honderd procent zeker,’ zegt Rijsman. Met name de zenuwen op de dag van de uitslag staan hem nog bij. ‘Ik was heel competitief, dus ik weet dat nog heel goed. Er waren vijf kinderen die 550 hadden, de maximale score, en daar zat ik verdomme niet bij. Ik had 547. Dat ik niet de hoogste score had, vond ik niet eens zo erg, maar er zaten er drie bij van wie ik dacht: hoe kan jij nou zo hoog scoren? Ik vertrouwde het niet.’ Ghouddani herinnert zich de uitslagen minder goed. ‘Ik had 542 geloof ik, maar zeker weet ik het niet.’ Hij herinnert zich nog wel dat ze allemaal een briefje met de uitslag meegekregen. Leraar Van Raak vindt het onwaarschijnlijk dat Ghouddani een havo-score of hoger zou hebben gehaald. ‘Iemand die bij mij de sommetjes en het dictee hartstikke fout maakt, maakt die in de toets niet ineens goed. Ik denk dat hij het zich mooier herinnert dan het was. Ik dacht over Nordin: die is niet voor de boeken gemaakt. Voor wat dan wel, wist ik niet.’ Collega John Smulders weet niet meer welke toets er gebruikt werd op de basisschool. Navraag bij het secretariaat van de Christoffelschool levert ook niets op – het schoolarchief gaat maar vijf jaar terug.
De achterliggende gedachte: wij zijn maar eenvoudige mensen, de meester zal het wel weten.
Bang voor vuur
Het moment dat hij zijn schooladvies kreeg, herinnert Ghouddani zich nog goed. Hij zat met zijn vader aan het bureau van schoolmeester Jan van Raak. Die begon over een mooie school in de buurt, Lagere Technische School De Westhoeve. Het leek hem het beste als de jonge Ghouddani ‘iets met zijn handen’ zou gaan doen. Dan kon hij automonteur worden, bijvoorbeeld. Zijn vader knikte enthousiast, automonteur was een mooi beroep. Misschien konden ze wel samen een garage beginnen, zei hij later tegen zijn zoon. Maar ook als Van Raak een ander beroep had genoemd, zou zijn vader daarin mee zijn gegaan, zegt zijn zoon. De achterliggende gedachte: wij zijn maar eenvoudige mensen, de meester zal het wel weten.
‘In de Marokkaanse cultuur is respect voor de leraar belangrijk. Die heeft gestudeerd, heeft ervaring, daar ga je niet tegenin,’ zegt Ghouddani. Bovendien deed zijn vader ongeschoolde arbeid en was zijn moeder huisvrouw. Ze wisten niets over het Nederlandse schoolsysteem. En Nordin was het oudste kind van zes. ‘Ik was bovendien een volgzaam kind en ik wist niet wat ik wilde, ik had geen idee wat de opties waren.’ Dat hij later net zo iemand als de grote Mart Smeets wilde worden, die hij altijd op televisie zag, had hij nooit tegen iemand gezegd. Het leek hem onbereikbaar. Wist hij veel dat het beroep van Smeets journalist was en dat daar een opleiding voor bestond. En dus ging hij na de zomer naar de lts. ‘Het was verschrikkelijk,’ zegt Ghouddani. ‘Ik heb twee linkerhanden en ben doodsbang voor vuur. En toen bleek daar dat ik moest solderen. Terwijl de jongens om me heen lekker aan het werk waren, hield ik met trillende handen de soldeerbout vast.’ Hetzelfde gold voor houtbewerken. ‘De andere jongens waren mooie rondingen aan het vijlen en ik stond daar maar. Wat een hel. Ik haatte mijn leven toen echt.’ Zijn mentor adviseerde hem aan het eind van jaar om iets heel anders te gaan doen. Ghouddani stapte over naar de leao, het begin van zijn carrière als stapelaar – de term voor leerlingen die telkens opklimmen naar een hoger onderwijsniveau. Na de leao deed hij een jaar meao en haalde in het volwassenonderwijs in drie jaar zijn mavo-, havo- en vwo-diploma. Tenslotte ging hij naar de School voor Journalistiek waar hij in 2002 afstudeerde.
Gevangenis
Zover was Nordin Ghouddani nooit gekomen als er niet een beslissend moment aan vooraf was gegaan: de dag dat hij werd opgepakt door de politie. Hij zou in totaal zestig dagen vastzitten. Dát, en het bezoek van zijn ouders aan hem in de gevangenis zorgden voor een omslag: ‘Ik nam me voor mijn ouders trots te gaan maken.’ Dat hij vast kwam te zitten, verraste zijn omgeving. Hij was een aardige jongen, braaf, had geen crimineel verleden (‘Al heb ik wel een keer snoep gepikt’) en was geen hangjongere. Hij kreeg als tiener wel verkeerde vrienden. Oudere jongens die veel geld hadden, dronken, blowden en bij wie meisjes over de vloer kwamen. Dat vond de 17-jarige Ghouddani wel interessant.
Hij wilde wel een keer mee toen die jongens op dievenpad gingen – alleen om te kijken. ‘Ik was toen al bezig met schrijven, dus het leek me interessant materiaal.’ Zo was hij op een nacht getuige van een roofoverval door zijn vrienden. Een dag voor zijn 18de verjaardag werd hij opgepakt wegens medeplichtigheid. Op zijn verjaardag kwamen zijn ouders hem opzoeken op het politiebureau, zijn moeder had kip meegenomen. ‘Ze waren heel verdrietig, ze hadden dit nooit verwacht, maar ze bleven me steunen. Ze geloofden dat ik niets had gedaan. Dat mijn ouders toen voor me klaar stonden, heeft veel voor me betekend.’ Hij werd uiteindelijk vrijgesproken en hield er geen strafblad aan over. ‘Ik heb een streep gezet door die vrienden en ben gaan doorstuderen.’
Stapelaars
‘Ik kon mijn oren niet geloven,’ zegt Rijsman over Ghouddani’s begin op de lts. ‘Het is het zoveelste bewijs dat sommige kinderen achtergesteld worden.’ Hij hoorde pas recent welk schooladvies zijn vriend en opvolger bij Studio Voetbal had gekregen. De mannen dronken een kopje koffie op het terras voor de studio van Pauw. Ze kenden elkaar van de kleuterklas en waren elkaar na de basisschool uit het oog verloren, dus er viel een hoop bij te praten.
De lange route die Nordin heeft afgelegd heeft hem gemaakt tot wie hij is, maar hij vraagt zich weleens af hoe zijn leven met een ander advies zou zijn verlopen.
Nordin Ghouddani is niet boos op zijn basisschoolleraar, de lange route die hij heeft afgelegd heeft hem gemaakt tot wie hij is, maar hij vraagt zich weleens af hoe zijn leven met een ander advies zou zijn verlopen. ‘Ik ben niet de enige die onderschat is,’ zegt hij. ‘Ik ken meer Marokkaanse-Nederlandse kinderen van mijn basisschool met een laag advies die heel goed terecht zijn gekomen. En ook mijn broers en zussen kregen een laag schooladvies, lts of vmbo en hebben uiteindelijk toch een hbo-opleiding gedaan. Die feiten spreken voor zich, dat kan geen toeval zijn.’ Zijn favoriete leraren van de leao zien het lage schooladvies niet als een probleem. ‘Kinderen zijn op de basisschool nog te jong om te weten wat ze willen en dan is het helemaal niet verkeerd om onderaan te beginnen,’ zegt Ghouddani’s oud-lerares maatschappijleer, Monique Peters, zelf ook een stapelaar. ‘Nordin heeft het op eigen kracht geflikt en dat zegt iets over zijn karakter. Wie weet was dat niet naar boven gekomen als hij aan de rijke kant van Zorgvlied was geboren.’
Volgens Claus van Teeffelen, voormalig gymleraar van Ghouddani en tegenwoordig afdelingsleider op een middelbare school, zijn bijna al zijn leerlingen van de leao goed terechtgekomen. Succesvol doorstuderen was eerder regel dan uitzondering. ‘We hadden een multiculturele school, ik was bij wijze van spreken de enige witneus, en die leerlingen waren vaak ontzettend gemotiveerd.’ Ze hadden vaak last van wat hij het ‘witteboordendenken’ noemt – het idee dat alleen beroepen achter een bureau goed genoeg waren en dan het liefst arts, advocaat of bankier. ‘Dat was niet altijd haalbaar, maar wie was ik om ze in de weg te zitten. Ik moedigde ze aan om te proberen het zo ver mogelijk te schoppen.’ Wie wil komt er wel, was destijds het idee. Peters: ‘Tegenwoordig is het schooladvies helaas veel bepalender voor je carrière, omdat het stapelen onmogelijk is gemaakt: wie wil doorstuderen, bouwt een gigantische studieschuld op.’ Nu is het schooladvies van de leraar doorslaggevend, maar er is een tijd geweest dat de Citotoets bepalend was. ‘Dat vond ik geen goede zaak, zegt Peters, want die toets is een momentopname. Een leraar die met het kind heeft gewerkt, heeft er meer kijk op. De motivatie van een kind is ook belangrijk. Je moet laten zien: ik wil dat.’
Keigoed
De vader van Nordin Ghouddani leeft niet meer, maar hij heeft nog meegemaakt dat zijn zoon afstudeerde aan de School voor Journalistiek. ‘Hij was ook een enorme voetbalfan. Hij zou het leuk hebben gevonden om te zien dat ik uiteindelijk bij Studio Voetbal terecht ben gekomen,’ zegt Ghouddani. Nadat hij was afgestudeerd, lukte het hem in eerste instantie niet om een baan te krijgen als sportjournalist. ‘Ik stuurde veel open sollicitaties, maar je moet de juiste mensen kennen.’ Hij was een tijdje hoofdredacteur van Mzine, een tijdschrift over Marokkaanse Nederlanders, en werkte daarna voor televisieprogramma’s, het afgelopen jaar voor Pauw en sinds september dus ook voor Studio Voetbal. ‘Keigoed,’ zegt gepensioneerd basisschoolleraar Jan van Raak over de carrière van zijn vroegere leerling. ‘Dan heb je doorzettingsvermogen. Ik sta versteld.’ Toch heeft hij niet het gevoel dat hij er destijds naast zat. ‘Ik denk niet dat hij het gered had met een hoger advies. Hij heeft het nodig gehad om telkens een stapje erbij te doen.’ En dat geldt niet alleen voor Ghouddani, volgens Jan van Raak. ‘Het blijkt dat die Marokkaanse kinderen op de basisschool nog niet weten hoe ze dat aan moeten pakken. Pas later denken ze: zo wil ik niet verder leven, zo op straat rond bungelen.’ Maar is de schoolcarrière van Ghouddani niet toch het bewijs dat hij op de basisschool werd onderschat? Van Raak: ‘Misschien, maar ik vind dat kinderen op school zelf moeten laten zien wat ze in zich hebben. De meisjes deden dat wel, die kregen dus ook een hoger advies dan de jongens. Hun achtergrond vond ik niet zo belangrijk, voor mij was het kind het kind – ik hoopte dat ze na groep acht allemaal op de plek terecht zouden komen waar ze voor bestemd waren.’
Deze publicatie is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten. www.fondsbjp.nl
Ongelijke kansen
Recente rapporten van de Onderwijsinspectie, de OESO en het CBS kwamen tot dezelfde conclusie: kinderen van hoogopgeleide ouders krijgen vaker een hoger schooladvies dan kinderen met lager opgeleide ouders, ook al hebben ze dezelfde Citoscore. De Onderwijsinspectie constateerde dat de verschillen tussen leerlingen met lager en hoger opgeleide ouders alleen maar toenemen. Leraren gaan ervan uit dat als het kind hoogopgeleide ouders heeft, het meer steun krijgt. De toename van zogenaamd schaduwonderwijs (bijles, huiswerkbegeleiding) draagt ook bij aan grotere verschillen, net als de homogenisering van brugklassen en, later, de selectie in het hoger onderwijs.
Minister Bussemaker en staatssecretaris Dekker stellen dat er geen gemakkelijke oplossingen zijn voor dit probleem. Ze vinden dat de aanbeveling van de OESO om de centrale eindtoets weer bepalend te laten zijn op gespannen voet staat met het belang dat ze hechten aan het oordeel van de leerkracht.
Paul Rosenmöller, voorzitter van de VO-raad waarin schoolbesturen en scholen in het voortgezet onderwijs zijn verenigd, reageerde in het AD fel op de conclusie van de Onderwijsinspectie. ‘Onacceptabel,’ noemde hij de kansenongelijkheid, en ‘in strijd met de fundamentele uitgangspunten van het Nederlands onderwijs als publiek goed’.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.