26 november overleed de Italiaanse filmregisseur Bernardo Bertolucci op zevenzeventig jarige leeftijd. Kees Driessen sprak hem in 2013 naar aanleiding van zijn (laatste) film Io e Te. ‘Ik vind het geweldig om de lachende gezichten te zien van mensen die de zaal uitkomen.’
Bernardo Bertolucci (72), de Italiaanse regisseur van meesterwerken als Il conformista, Novecento en The Last Emperor komt binnenrijden in De Doelen in Rotterdam. Hij rijdt, want hij zit sinds een jaar of tien in een rolstoel – zijn electric chair, zoals hij het noemt. Zijn rugklachten waren na een reeks mislukte operaties zo erg geworden dat hij dacht dat The Dreamers (2003) zijn laatste film was geweest. Met een grap verwijst hij naar de vele opnames met rijdende camera’s in zijn films: ‘Dit is de straf van God voor al die dolly-shots. Now I am a human dolly.’
Het goede nieuws is: the human dolly is weer aan het werk. Op het Rotterdamse filmfestival presenteerde hij Io e te (Ik en jij), een bescheiden project over een 14-jarige jongen die, terwijl zijn ouders denken dat hij met zijn klasgenoten op skivakantie is, zich verstopt in de kelder van hun appartementencomplex. Daar krijgt hij onverwachts gezelschap van zijn 25-jarige halfzus, die probeert af te kicken van heroïne.

De film speelt zich bijna uitsluitend af in de kelder en het trappenhuis van dit ene gebouw, dat zich op anderhalve minuut afstand bevond van Bertolucci’s huis in Rome. ‘Ik kon er in mijn rolstoel heen,’ zegt hij tevreden. Bovendien houdt hij wel van films die zich op één locatie afspelen. Zo draait Last Tango in Paris om het appartement waarin Marlon Brando en Maria Schneider zich terugtrekken voor anonieme seks. en in The Dreamers blijven drie jongeren lekker binnen als buiten de studentenrevolutie van mei 1968 woedt. ‘Ik voel me prettig binnenshuis,’ constateert Bertolucci. ‘En in mijn huidige staat kon ik natuurlijk niet The Last Emperor maken.’
Slappe hoofdpersonen
Want Bertolucci filmt niet altijd klein. Hij is ook de regisseur van epische drama’s als het vijf uur durende Novecento en van de majestueuze The Last Emperor, de eerste westerse speelfilm die werd opgenomen in de Verboden Stad in Beijing, en die Bertolucci negen Oscars opleverde. Toch heeft hij altijd maar één film gemaakt. En Io e te vormt daarop geen uitzondering.
Net zoals altijd gaat het bij Io e te om een man, zoon van welvarende ouders, die zich afkeert van de werkelijkheid en zijn familie. Ten eerste uit angst – voor confrontatie, voor afwijzing, voor beschuldigingen – en ten tweede uit verwarring over zijn seksuele gevoelens. Dit geldt feitelijk voor alle hoofdpersonen van Bertolucci, al bevinden ze zich soms, zoals de laatste keizer van China, in afwijkende omstandigheden en kent een enkeling een armoediger komaf.
De eeuwige marxist, de man die in Novecento de historische strijd van de Italiaanse arbeidersbeweging vastlegde, weet nu zelfs niet meer of hij nog wel gaat stemmen.
Wel valt op dat politiek in Io e te geen rol speelt. Dat is niet voor het eerst, maar dit keer is er voor Bertolucci zelf iets veranderd. De eeuwige marxist, de man die in Novecento de historische strijd van de Italiaanse arbeidersbeweging vastlegde, weet nu zelfs niet meer of hij nog wel gaat stemmen. Hij zucht. ‘Mijn liefde voor politiek is ten einde gekomen.’
Maar waren zijn films eigenlijk wel zo politiek? Kijk naar zijn tweede speelfilm, Prima della rivoluzione, gemaakt toen hij 23 was. Hoofdpersoon: een jonge bourgeois, net als Bertolucci afkomstig uit Parma, die zich met veel grootspraak op de rode revolutie stort, maar gedesillusioneerd eindigt als een brave burgerman. Niet alleen voorzag Bertolucci de halfhartige betrokkenheid van veel deelnemers aan de Meirevolutie in 1968, hij verbeeldde ook zijn eigen twijfels. Zulke slappe hoofdpersonen, die zich nooit voluit in de revolutie storten, die zich nooit echt losmaken van hun bevoorrechte afkomst, komen keer op keer terug in zijn oeuvre.
Zelfs in Novecento. Want die film mag de communistische strijdlust vieren, met veel rode vlaggen en trotse kreten, de echte hoofdpersoon is het personage van Robert De Niro. Die is autobiografisch: ook Bertolucci groeide op als de kleinzoon van een grootgrondbezitter in de buurt van Parma, een jongetje dat speelde met de kinderen van arme revolutionaire boeren. Het leverde een schuldgevoel op dat als een rode draad door zijn films loopt.
Omdat de revolutionaire acties van Bertolucci’s hoofdpersonen vooral een manier zijn om zich af te zetten tegen hun familie en afkomst, in plaats van een vereenzelviging met de revolutionaire massa, maakt het ook niet echt uit of die revolutie communistisch is of fascistisch. De hoofdpersoon van Prima della rivoluzione wordt gespiegeld in die van Il conformista, Bertolucci’s beeldschone film, die zich uit eenzelfde afkeer van de bourgeoisie (en dus zichzelf) aansluit bij de fascisten. Alles om je afkomst te ontvluchten. Linksom of rechtsom. En allebei tevergeefs.
Onvolwassen fase
Zo bezien zijn deze hoofdpersonen niet wezenlijk anders dan die van Bertolucci’s niet-politieke films. Zoals John Malkovich, die in The Sheltering Sky de leegte zoekt van de woestijn en van het eeuwige reizen. Of Marlon Brando, die zichzelf in Last Tango in Paris na de onbegrepen zelfmoord van zijn vrouw probeert te verliezen in anonieme seks. Zij storten zich in de leegte waar anderen zich overgeven aan absolute, allesoverheersende ideologieën. Alles of niets, zogezegd. Wat ze ontvluchten, zijn de imperfecties van het leven.
Ze lijden daar des te meer onder omdat de bourgeoisie altijd de schijn wil ophouden dat alles perfect is. Dat is ‘normaal’, zoals vaak wordt gezegd in Bertolucci’s films – ‘normaal zijn’ is het beoogde doel van de hoofdpersoon in Il conformista en het is ook het eerste wat we hoofdpersoon Lorenzo horen zeggen in Io e te. Maar als ‘normaal’ perfect moet zijn, kun je niet normaal zijn. En dus vlucht ook Lorenzo in het niets – in zijn geval een kelder, terwijl niemand weet dat hij er zit.
Als ‘normaal’ perfect moet zijn, kun je niet normaal zijn.
Nu is zo’n fase niet zo vreemd voor pubers – een leeftijd waarop de onacceptabele imperfecties van het bestaan voor het eerst in volle kracht binnenkomen. Bertolucci geeft toe dat hij deels in die onvolwassen fase is blijven steken: ‘Ik heb last van een geremde ontwikkeling. Een deel van mij is nog steeds adolescent. Dat is een geestesgesteldheid.’

Vadermoord
Politiek waren Bertolucci’s film in wezen nooit. Wat politiek leek, was uiteindelijk altijd persoonlijk. En dus zit, ook nu Bertolucci de politiek heeft opgegeven, zijn hoofdpersoon nog steeds in de kelder. Wat is dan het probleem? Het belangrijkste antwoord daarop biedt Freud. ‘Ik ben een slachtoffer van Freud,’ zegt Bertolucci. ‘Ik heb 36 jaar psychoanalyse gehad, drie keer per week. En ik ben nog steeds niet genezen.’
‘Ik begon als dichter, maar ik besloot filmmaker te worden omdat er thuis een betere dichter was: mijn vader. Ik kon hem niet verslaan.’
Hij begon met psychoanalyse in 1969, toen hij bezig was met Strategia del ragno. Het grootste deel van zijn oeuvre is een vertaling van het oedipuscomplex, het centrale dilemma in Freuds onwetenschappelijke leer. Bertolucci ontkent niet dat veel van zijn films neerkomen op vadermoord. Freudiaans zijn ook de vele incestueuze affaires, de bedreigende homoseksualiteit en de terugkerende nachtmerries.
Een minderwaardigheidsgevoel ten opzichte van zijn eigen vader dreef hem ooit naar de cinema. ‘Ik begon als dichter, maar ik besloot filmmaker te worden omdat er thuis een betere dichter was: mijn vader. Ik kon hem niet verslaan.’ Niet een echt handige carrièremove, omdat zijn vader ook filmcriticus was. Bovendien wist zijn vader hem, vertelt Bertolucci, altijd het gevoel te geven dat het eigenlijk zíjn films zijn. Zo zou hij ze ook gemaakt hebben, zei hij dan tevreden.
Maar de vadermoord in Bertolucci’s films geldt niet alleen zijn biologische vader. Hij geldt ook voor Pier Paolo Pasolini, de grote Italiaanse kunstenaar bij wiens debuutfilm Accattone (1961) Bertolucci assisteerde en die hem het concept verschafte voor zijn eigen speelfilmdebuut, La commare secca (1962). Dat het zijn eigen vader was die hem met Pasolini in contact bracht, en dat Pasolini een homoseksuele marxist was die onder onduidelijke omstandigheden is vermoord, was voor Bertolucci’s psychoanalist natuurlijk mooi meegenomen.
De volgende vader met wie Bertolucci moest afrekenen, was Jean-Luc Godard, de door hem bewierookte leider van de nouvelle vague. Met Bertolucci’s eerste drie films, vol vormexperimenten en semi-documentaire scènes, volgde hij in Godards voetsporen. Maar toen die kunstzinnige benadering Bertolucci te hermetisch werd, rekende hij in Il conformista op elegante manier met zijn leermeester af. De linkse hoogleraar, die in de film door een fascist moet worden vermoord, gaf hij het echte adres van Godard in Parijs.
Speeltje
De mooiste verbeelding van vadermoord in Bertolucci’s oeuvre blijft Strategia del ragno, waarin een man afreist naar het dorp waar zijn overleden vader als communistische verzetsheld wordt geëerd. Niet alleen ontdekt hij dat zijn vader een verrader was, ook worden vader en zoon, in verleden en heden, door dezelfde acteur gespeeld. Ook spelen incestueuze gevoelens een rol; een thema dat zijn hoogtepunt vindt in het onderschatte Luna.
Uiteindelijk waren het niet alleen zijn vader en zijn leermeesters van wie Bertolucci zich wilde bevrijden, maar Italië zelf. Zie opnieuw (maar niet uitsluitend) Strategia del ragno, waarin de vaderfiguur in verband wordt gebracht met Julius Caesar, Mussolini en Verdi (die afkomstig is uit Bertolucci’s geboortestad Parma). Eind jaren tachtig besloot Bertolucci daarom Italië te ontvluchten en maakte hij in Azië en Afrika The Last Emperor, The Sheltering Sky en Little Buddha (1993). Maar hij ontdekte, net als John Malkovich in The Sheltering Sky, dat zijn problemen meereisden.
Zo biedt de psychoanalyse wel een interessant inzicht in Bertolucci’s verhalen, maar geen oplossing voor de problemen waarmee hij worstelt. Freud kent geen einde. Niet voor niets zit de psychiater die in de eerste scène van Io e te met Lorenzo spreekt, ook in een rolstoel. Het is een knipoog van Bertolucci, die zich geheel met de psychoanalyse vergroeid voelt. ‘Ik ben een soort speeltje geworden van de Italiaanse Vereniging van Psychoanalisten,’ zegt hij. ‘Ze hebben me zelfs een prijs gegeven, haha!’

Boeddha
Politiek en psychoanalyse bieden geen oplossing. Wat dan wel? De cinema zelf? Nee, ook die is slechts een vlucht. Dat is een constante boodschap in Bertolucci’s oeuvre. Het duidelijkst in The Dreamers, waarin de drie hoofdpersonen een soort schijnleven opvoeren door scènes na te spelen uit beroemde films.
Die boodschap krijgt een filosofische onderbouwing in Il conformista. De fascistische hoofdpersoon, angstaanjagend goed gespeeld door Jean-Louis Trintignant, krijgt door zijn oude filosofieleraar de Grot van Plato uitgelegd – voor Bertolucci een metafoor voor de cinema: de mensen die, opgesloten in een donkere ruimte, naar schaduwen op de muur kijken, geprojecteerd door een licht achter hen, en op die manier nooit de werkelijkheid zullen zien.
Nee, de enige mogelijke oplossing lijkt te komen van het boeddhisme. Al sinds 1963 is Bertolucci daarin geïnteresseerd, wat culmineerde in Little Buddha – helaas de grootste draak uit zijn oeuvre, met Keanu Reeves, als de Boeddha, als de meest misplaatste acteur. Dat neemt niet weg dat Bertolucci’s interesse oprecht is. Wellicht biedt het boeddhisme hem ruimte te accepteren wat hij, blijkens jarenlange politieke en psychoanalytische strijd, niet kan veranderen.
Die ervaring had hij in elk geval bij zijn recente fysieke klachten. ‘Na mijn derde operatie dacht ik: oké, ik geef het op. Ik accepteerde mijn toestand, nadat ik jaren had gevochten om weer te kunnen staan. En juist daardoor was ik weer in staat te werken.’
Die houding is doorgesijpeld in Io e te: de halfzus legt op een gegeven moment aan Lorenzo uit wat het boeddhisme voor haar betekent. Om het een echte oplossing te noemen, is het nog te vroeg. Het oedipuscomplex overheerst ook Io e te en diezelfde halfzus is, ondanks haar interesse in het boeddhisme, verslaafd aan heroïne. Maar er is hoop. Io e te eindigt, in tegenstelling tot de meeste films van Bertolucci, met een glimlach.
‘Ik voelde me optimistisch, omdat ik weer kon werken. En omdat ík optimistisch was, wilde ik dat ook de film optimistisch zou zijn. Ik vind het geweldig om de lachende gezichten te zien van mensen die de zaal uitkomen.’
Na een halve eeuw is dit de tussenstand van Bertolucci’s culturele worsteling, die hij al die jaren met ons heeft gedeeld: Marx is dood, Boeddha leeft en Freud blijft de vader die vermoord moet worden.
Bertolucci’s beste
1. Il Conformista (1970)
2. Novecento (1976)
3. Luna (1979)
4. The Last Emperor (1987)
5. Strategia del ragno (1970)
6. Prima della rivoluzione (1964)
7. The Sheltering Sky (1990)
8. Last Tango in Paris (1972)
9. Io e te (2012)
10. La tragedia di un uomo ridicolo (1981)
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.