De werkkamer van staatssecretaris Martin van Rijn (60) oogt sober. Het enige dat voortdurend de aandacht trekt, is het enorme beeldscherm waarop pagina 101 van teletekst de bezoeker toeschreeuwt – een erfenis van zijn voorganger, zelf lijkt hij de gigantische letters niet meer op te merken.
Van Rijn is een van de meest bekritiseerde bewindspersonen van het kabinet-Rutte. In de Kamer schilderen oppositiepartijen als SP en PVV hem af als de man die de zorg ontmantelde, verzorgingshuizen sloot en ervoor zorgde dat behoeftige bejaarden hun huishoudelijke hulp kwijtraakten. Maar, zo verdedigde Van Rijn zijn voortvarende beleid steeds, als we niets doen, is de zorg straks onbetaalbaar. We leven langer, ouderdom komt soms met gebreken, dus we kosten steeds meer. Als nu niet wordt ingegrepen, dan implodeert het hele systeem. Bovendien is het systeem aan vernieuwing toe omdat het te weinig aansluit bij trends als de individualisering en langer thuis blijven wonen. Van Rijn: ‘Ik heb van het begin af aan gezegd: het gaat niet alleen om de houdbaarheid, maar ook om het persoonlijker maken van de zorg. Dat er iemand langskomt die vraagt: wat hebt u zelf nodig?’
Naar zijn gevoel heeft hij veel bereikt de afgelopen vier jaar. De basis, dat iedereen recht heeft op een goede behandeling bij de dokter en dat wie echt niet meer thuis kan wonen, verzorging krijgt in een verpleeghuis, blijft overeind. Dat degenen die persoonlijk geraakt werden door alle veranderingen de noodzaak ervan misschien niet inzien, begrijpt hij. Zoals hij ook ziet dat de verhoging van de kwaliteit van de verpleeghuizen niet snel genoeg gaat. Zijn eigen dementerende moeder zit tenslotte in een van de tehuizen die door de inspectie onder verscherpt toezicht werden geplaatst. De uitzending van Pauw twee jaar geleden waarin hij reageerde op een artikel in het AD waarin de misstanden in het tehuis werden beschreven, maakte Van Rijn tot een Bekende Nederlander. De ingetogen politicus zat daar in een bijna onmogelijke positie. Hij wilde zijn vader beschermen die na zijn uitspraken in het AD (‘Soms loopt de urine langs mijn vrouw haar enkels’) een horde journalisten op zich af kreeg, hij wilde het tehuis waar zijn moeder zat niet te veel afvallen – ze deden toch hun best – en hij wilde ook duidelijk maken dat de zorg voor demente ouderen moest verbeteren: ‘Daarom moest ik er wel gaan zitten.’ Zijn optreden werd door buitenstaanders als ‘koel’ beoordeeld, terwijl zijn vrienden zagen hoezeer hij boos en verdrietig zat te worstelen aan die tafel. Ineens kwam de praktijk van zijn beleid wel heel dichtbij. ‘Dat was heftig,’ zegt hij nu. ‘Heel heftig.’
Onlangs bracht schrijver/columnist Hugo Borst een pamflet naar buiten waarin hij ook aandacht vroeg voor de tekortschietende kwaliteit van de verpleeghuizen. Tien punten telde zijn plan om demente ouderen een beter leven te geven. De belangrijkste boodschap: ‘Ouderenzorg is geen schadepost, maar een kwestie van fatsoen. Maak het niet tot een politiek thema, het gaat hier om het algemeen belang.’ Van Rijn ziet Hugo Borst als zijn bondgenoot, zegt hij: ‘Borst is een echte BN’er, hij communiceert anders en laat zijn ongeduld makkelijker zien dan ik. Maar we voeren dezelfde strijd, heb ik tegen hem gezegd. Ik hoop dat hij dat ook zo ziet.’ Borst dringt vooral aan op meer medewerkers in de verpleeghuizen. Van Rijn heeft het verplegend personeel gevraagd daar zelf een norm voor te ontwikkelen. Die moet vanaf januari 2017 overal gaan gelden. Van Rijn: ‘Als dan blijkt dat daarvoor meer geld nodig is, moeten we die discussie niet uit de weg gaan.’
Het leven gaat soms anders dan je had gepland. Het gaat beter dan vroeger, alleen misschien niet zo goed als je zelf had gehoopt.
De zorg lijkt symbool te zijn geworden voor alles waarover burgers zich zorgen maken. In een eerste gesprek dat we met de staatssecretaris hadden, filosofeerde hij hardop over de oorzaak van die angst en verontwaardiging. Niet alleen bij de zieken en zwakken over de hele linie, ook bij jongeren lijkt de zorg een belangrijke kwestie. ‘Straks als wij het nodig hebben, is er niets meer,’ klinkt het vaak. Terwijl de uitgaven niet dalen, integendeel, er wordt alleen maar méér geld in de zorg geïnvesteerd, zegt Van Rijn, maar dat dringt niet tot de publieke opinie door. Feelings are facts, tegen dat fenomeen loopt de staatssecretaris steeds vaker op. Misschien, oppert hij, heeft het te maken met de onzekere tijden waarin we leven en wordt dat ook op de zorg geprojecteerd. Bijna iedereen heeft het beter dan vroeger, veel ouderen hebben naast hun AOW een pensioen. Maar als je naar Kamerleden als Emile Roemer, Geert Wilders en Henk Krol van 50plus luistert, krijg je een heel ander beeld. Van Rijn vindt de doemscenario’s die zij schetsen misplaatst: ‘Het leven gaat soms anders dan je had gepland. Het gaat beter dan vroeger, alleen misschien niet zo goed als je zelf had gehoopt.’
Kwam u uit een politiek geïnteresseerd milieu?
‘Nee, niet echt, ik kom niet uit een rood nest. Mijn moeder was christelijk, kwam uit Scheveningen en mijn vader, die scheepstimmerman was bij Wilton Feijenoord, kwam uit Rotterdam. Politiek speelde thuis niet zo’n grote rol.’
In die tijd was er een tweedeling in de verzekering: particuliere verzekering voor mensen met een redelijk inkomen en het ziekenfonds voor degenen met een laag inkomen. Zaten jullie in het ziekenfonds?
Met een lachje: ‘Jazeker. Ik herinner me nog tandarts Pot waar ik naartoe ging. Als ik binnenkwam, werd er gevraagd: “Bent u ziekenfonds of particulier?” En als je ziekenfonds was, moest je altijd iets langer wachten. Er waren twee aparte behandelkamers, één voor particuliere patiënten en één voor ziekenfondspatiënten. Ouderen die een slecht gebit hadden, kregen snel een kunstgebit, dat kostte minder. Als ziekenfondspatiënt kreeg je ook andere vullingen. Ik vond dat wel gek, al sta je er als kind niet zo bij stil. Later, toen ik hier directeur-generaal was en het ziekenfonds in 2006 werd afgeschaft, dachten we: laten we die zin “bent u ziekenfonds of particulier” gebruiken bij de aankondiging van de nieuwe Zorgverzekeringswet. Want dat onderscheid kende iedereen van mijn generatie en daar wilden we heel graag vanaf. Het was een vernederende situatie. Dat de Zorgverzekeringswet op gelijkheid en solidariteit is gebaseerd, vind ik nog steeds fantastisch. Of je nu jong bent of oud, ziek of gezond, je betaalt dezelfde premie en iedereen heeft recht op even goede zorg. Dat is echt een kroonjuweel.’ Door de optredens van Den Uyl raakte Van Rijn geïnteresseerd in de politiek. ‘Ik zat nog op de middelbare school, maar door hem en zijn bevlogen toespraken wist ik: politiek doet ertoe.’

Wanneer was dat?
‘Dat was in 1973, net nadat drie progressieve partijen – de PvdA, D66 en de PPR (Politieke Partij Radikalen, een voorloper van GroenLinks, red.) – een gezamenlijk verkiezingsprogramma hadden gelanceerd.’
Keerpunt ’72 heette dat programma, idealisme voerde de boventoon. De wereld zou veranderen en verbeteren door meer spreiding van macht, kennis en inkomen. Vakbonden en werknemers moesten gaan delen in de winst van bedrijven. En jongeren boven de achttien kregen recht op een huis. De verbeelding zou aan de macht komen, alleen haalde deze progressieve alliantie zesenvijftig zetels, veel minder dan was verwacht. Toch bleef Den Uyl hem inspireren. Hij was zijn boegbeeld, al is hij eigenlijk geen ‘boegbeeldmens’. Hij houdt niet van persoonsverheerlijking. Maar toch. Van Rijn kan zich nog goed herinneren dat Den Uyl binnenkwam op vergaderingen en dan meteen een maatschappelijke kwestie aansneed. Hij wilde problemen tot op het bot analyseren, oplossingen aandragen. ‘Met een gedrevenheid en een charisma waarvan ik dacht: wauw! Hij maakte dat je je verantwoordelijk voelde. Je moest opkomen tegen onrechtvaardigheid en ongelijkheid.’
Het verhaal van Van Rijn is dat van verheffing, een man van eenvoudige afkomst die als eerste uit de familie doorleerde: gymnasium bèta, studie economie aan de Erasmus Universiteit. Hij werd actief in de PvdA. ‘Ik draaide meteen mee. Als je het krantje rondbracht en vergaderingen bezocht, kreeg je al snel een functie. Ik werd penningmeester van de afdeling 8 in Den Haag, Zuiderpark. Ik studeerde net, ik was van het begin af aan geïnteresseerd in economische politiek, in de overheid, in de staatsbegroting. Ik wilde er hard voor werken, want dat verwachtten mijn ouders die me financieel een handje hielpen. Ik mocht ze niet teleurstellen. Ik moest wat van het leven maken. Binnen de PvdA werd ik snel voorzitter van het gewest Den Haag.’
In die tijd speelde de wethouderscrisis tussen Adri Duivesteijn en Gerard van Otterloo. Duivesteijn wilde het nieuwe stadhuis aan het Spui bouwen, Van Otterloo, vond het een te duur prestigeproject. De verhouding tussen die twee liep totaal uit de hand.
Van Rijn: ‘Als jong broekje mocht ik proberen die discussie in goede banen te leiden. Het stadhuis kwam er uiteindelijk, maar beide wethouders moesten weg. Na een partijvergadering moest je je pak laten stomen, zo rokerig was het. Ik moest als gewestelijk voorzitter na afloop altijd naar twee cafés, De Bordelaise in het Huijgenspark en naar De Paas op de Dunne Bierkade, om te voorkomen dat ik tot één kamp werd gerekend. Ik wilde neutraal blijven.’
Waar komt die wijsheid vandaan?
‘Poeh. Ik vond het belangrijk niet vooringenomen te zijn. Nog steeds trouwens. Toen was de partij hierover gespleten, dat was niet goed. Ik streef er altijd naar om er samen uit te komen, dat werkt het best.’


Schokkend cynisme
Bij de stadhuisaffaire lukte dat niet, beide wethouders sneuvelden. Toen een partijgenoot de suggestie deed dat Van Rijn uit eigenbelang had gehandeld, en zei ‘goed gedaan, nu wil jij natuurlijk zelf wethouder worden’, was hij geschokt door zoveel cynisme. ‘Ik dacht: gadverdamme, is dit nu politiek? Ik dacht, ik laat het omgekeerde zien, en ben toen ook een tijdje geen gewestelijk voorzitter meer geweest.’
Van Rijn koos voor een ambtenarenbestaan waardoor hij zich jarenlang politiek afzijdig moest houden. Al tijdens zijn studie werd hij door hoogleraar en toenmalig secretaris-generaal Frans Rutten naar het ministerie van Economische Zaken gehaald. De vermaarde kweekvijver van jong talent stond bekend als ‘het klasje van Rutten’. Vervolgens kwam Van Rijn bij het ministerie van VROM terecht, waar hij moest helpen bij de invoering van de huursubsidie. Met ironie: ‘Omdat ik onmisbaar voor het land werd geacht, hoefde ik niet in militaire dienst. Ik werkte hard, geen overdreven uitspattingen. Dat is wel een randvoorwaarde voor succes.’
Bent u een calvinist?
Hij glimlacht: ‘Jammer dat je het zo noemt, maar ik denk van wel.’
Hoezo jammer?
‘Tja, dat zijn van die saaie mensen hè? Ik had in mijn studietijd een aantal vrienden, we waren geen lid van een studentenvereniging en gingen met de trein ’s avonds weer naar huis. Onderweg zeiden we voor de grap tegen elkaar: wij zijn braaf en daar zijn we trots op! Met iedereen van ons liep het goed af, ook de meeste anderen maakten carrière in het openbaar bestuur.’
De afgelopen jaren werd zijn naam vaak genoemd als mogelijk bewindsman, al blijft hij herhalen dat hij daar niet op uit was. Tot zijn verbazing waren anderen binnen de PvdA er meer mee bezig dan hij. ‘Ik weet nog dat ik in de herfst van 2012 op de rand van mijn bed de krant zat te lezen en Paul Jansen (toen politiek commentator, nu hoofdredacteur van De Telegraaf) bij Pauw & Witteman hoorde zeggen: ‘Die Martin van Rijn wordt ook genoemd.’ Wat heeft dit te betekenen, vroeg ik me af. Anderhalve week later werd ik door Samsom gebeld.’
Heeft u toen ja gezegd vanwege de herinnering aan Den Uyl?
‘Misschien, maar het komt vooral door mijn vrouw die zei: als je het niet doet, krijg je spijt.’
Noemde Samsom meteen het enorme bedrag dat bezuinigd moest worden?
‘Ik geloof van niet, ik herinner me wel dat we de eerste keer met het kabinet bij elkaar kwamen en dat ik toen hoorde dat het om vier miljard ging. Dat was wel heftig, ja. Uiteindelijk zijn het er drie geworden.’
Het hoge tempo dat hij erin hield, en de bezuinigingen waarmee zijn hervormingen gepaard gingen, maakten Van Rijn kwetsbaar.
Mensvriendelijker
Al jaren besefte hij dat er in de zorg iets moest veranderen, dat het zo niet langer kon. Sinds 2008 was hij voorzitter van de Raad van Bestuur van PGGM, het pensioenfonds voor professionals in de zorg en de welzijnssector, dus hij was goed op de hoogte. De praktijk bleek weerbarstig want als staatssecretaris nam hij zo’n beetje alles tegelijk op de schop: ouderen die dat nog wilden, moesten de gelegenheid krijgen langer thuis te blijven wonen, voor de zwaarste gevallen moest er plek zijn in een tehuis. De huishoudelijke hulp werd minder vanzelfsprekend: wie het zich kon veroorloven, moest een financiële bijdrage leveren. De gemeente kreeg de bevoegdheid te kijken naar iemands persoonlijke situatie: waren er nog buren, familieleden en andere ‘mantelzorgers’ die konden helpen? Ook de jeugdzorg werd radicaal anders ingericht: wijkteams moesten ervoor zorgen dat hulp laagdrempeliger werd en jongeren met problemen niet onnodig door dure instellingen werden behandeld. Van Rijn wilde ook dat wijkverpleegkundigen werden verlost van allerlei invulformulieren zodat ze hun tijd weer konden besteden aan de patiënt. De kwaliteit van de tehuizen moest omhoog juist omdat daar nu de zware gevallen zaten.
Maar het hoge tempo dat hij erin hield, en de bezuinigingen waarmee zijn hervormingen gepaard gingen, maakten Van Rijn kwetsbaar. Oppositiepartij SP en vakbond AbvaKabo zetten het beeld neer dat hij de hele zorg aan het slopen was. In de Kamer werd hij uitgemaakt voor ‘een kille saneerder met enkel een rekenmachine in de hand’ (Renske Leijten, SP). Fleur Agema (PVV) noemde zijn hervormingen ‘afbraakbeleid’, Mona Keijzer (CDA) constateerde dat hij ‘het contact met de realiteit kwijt was.’ Termen als ‘mantelzorg’, ‘keukentafelgesprekken’ en ‘zorg dichtbij de burger’ groeiden uit tot een vloek in plaats van een positieve gedachte. Terwijl Van Rijn er heilig in gelooft: ‘Ik vind het belangrijk om familie, vrienden en buren bij de zorg te betrekken. Dat heb ik altijd zo gevoeld.’ Hij aarzelt, wil duidelijk niet als technocraat overkomen en zegt dan: ‘We zullen moeten bespreken wat we voor elkaar over hebben, hoe we de verbinding leggen. Ik heb de term participatiesamenleving niet bedacht maar onderlinge betrokkenheid spreekt me erg aan. Mijn probleem is: ik wil de bureaucratie terugdringen, het systeem moet mensvriendelijker worden. Maar om dat te bereiken, moet je aan het systeem sjorren en dat gebeurt achter de schermen. Dat is voor de buitenwacht onzichtbaar.’ Fel opeens: ‘Ok, gaat het overal goed? Nee, het gaat vast niet overal goed. Is de bejegening nu overal zoals het hoort? Nee, vast niet. Staan alle 390 gemeenten in Nederland nu naast de bewoners in plaats van tegenover hen? Nee. Maar er wordt veel meer met elkaar gepraat dan vroeger. Het draait niet meer alleen om de protocollen. Alleen: er is natuurlijk tijd voor nodig voordat dat tot iedereen doordringt.’
Er zijn straks verkiezingen, het populisme wint terrein.
‘Je kunt niet zeggen: we geven een draai aan de knop en alles is opgelost, want dat is niet waar. Of de kiezer ons straks waardeert voor wat we hebben bereikt, tja, dat wordt hartstikke spannend.’
In Amerika heeft de man van de makkelijke oplossingen gewonnen.
‘Dat zullen we zien.’
Wat zullen we zien?
‘Of wat Trump wil uitvoerbaar is.’
Het zou hier in het voorjaar van 2017 ook kunnen gebeuren. U had het over de jaren zeventig, toen de sociaaldemocraten de verbeelding aan de macht wilden brengen. Nu lijken de PVV en de SP de partijen met een meeslepende visie, de PvdA is het verstandige maar grauwe midden geworden. Baart u dat in een verkiezingsjaar geen zorgen?
‘Ja, maar het is geen reden om kunstjes te gaan doen. Misschien is het wishful thinking, maar ik ben een hoopvol mens en ik geloof dat kiezers wel zullen beseffen dat er geen makkelijke oplossingen zijn. De PvdA moet zich niet anders gaan gedragen dan we zijn.’
Bestaat de PvdA van tegenwoordig niet te veel uit managers in plaats van dromers?
‘Daar ben ik het helemaal niet mee eens. We dromen van een samenleving waarin mensen zich met elkaar verbonden voelen. Hoger en lager opgeleiden, jong en oud. De grote vraag is: krijgen we ook in Nederland een grotebekkenmaatschappij of eentje waarin mensen rekening houden met elkaar? Dat laatste is typisch iets voor de sociaaldemocraten. Het begrip verbinding zit ons in de genen.’
Geboren optimist
Vooral ouderen maken zich grote zorgen over de toekomst, blijkt uit elk onderzoek. Zijn hun pensioenen wel veilig, kunnen ze nog over straat zonder beroofd en bestolen te worden en vooral: blijft de zorg met al die spectaculaire veranderingen voor hen nog bereikbaar en betaalbaar? Als Nederland in de toekomst voor ruim 65 procent uit 50-plussers bestaat, wordt het dan geen bangelijk en conservatief land? Ouderen zijn vaak somberder dan jongeren, beaamt Van Rijn, het gevoel dat alles beter zal worden is bij hen misschien minder aanwezig. Maar als geboren optimist ziet hij ook veel kansen. ‘Er zijn natuurlijk veel kwetsbare ouderen, maar laten we niet vergeten dat vijftig procent tamelijk mobiel en vitaal is. Dé oudere bestaat niet.’
In Groot-Brittannië stemden ouderen massaal voor Brexit. Wordt Nederland als het verder vergrijst ook niet bevattelijker voor politici met een grote mond?
‘Of standpunten veranderen door de demografische ontwikkeling? Dat denk ik wel. De kans dat je je meer zorgen maakt is inderdaad groter. We moeten daar oog voor hebben.’
Zo’n vergrijzende samenleving lijkt ons (allebei 65) niet iets om naar uit te kijken.
‘De samenleving zal ongelooflijk gaan veranderen, wen er maar aan! De stoplichten zullen bijvoorbeeld langer op rood en groen moeten blijven staan zodat ouderen veilig kunnen oversteken. Het belang van de mantelzorg zal steeds groter worden. Ik ben nu met Albert Heijn in gesprek over hun benadering van het groeiende aantal klanten met beginnende dementie in de winkels. Hoe kunnen die het best worden geholpen? Ze sturen hun medewerkers nu op cursus. Vervoersbedrijf Connexxion bereidt zich daar ook op voor. Die hebben veel passagiers met dementie. De chauffeurs krijgen praktijktraining waarbij acteurs worden ingezet. Je ziet ook steeds meer advertenties voor producten als veilige badkamers. Ik zie niet in waarom een vergrijzende samenleving een slechtere samenleving zou zijn.’
De dynamiek gaat ontbreken.
‘Wat een vooroordeel over ouderen heeft u.’
Misschien ziet u het te optimistisch.
‘We zullen dingen moeten regelen. Jaren geleden stond de kwestie van de kinderopvang hoog op de politieke agenda, toen moest voor ouders die allebei werkten een tegemoetkoming worden bedacht. Wel of geen eigen bijdrage, een inkomensafhankelijke bijdrage of niet, dat was toen een big topic. Nu zullen we ons moeten buigen over vragen als: hoe regelen we het mantelzorgverlof? Jullie noemen een vergrijzende maatschappij verschrikkelijk, maar je kunt ook zeggen: het is juist mooi. Vroeger stond oud gelijk aan arm. Nu hebben veel ouderen koopkracht. Dat hebben we bereikt. Kom op!’
Ik baal nog steeds van de pgb’s.
Denkt u wel eens: ik heb als staatssecretaris te veel overhoop gehaald? Waar heeft u fouten gemaakt?
‘Ik baal nog steeds van de pgb’s,’ zegt hij. Om fraude met het persoonsgebonden budget tegen te gaan, schakelde Van Rijn de als bonafide bekend staande Sociale Verzekeringsbank als uitkeringsverstrekker in. Het liep op een totale chaos uit: ook invaliden en patiënten die er onomstotelijk recht op hadden kregen hun pgb niet meer. Leijten van de SP achtte de tijd rijp voor de finale politieke afrekening met Van Rijn. Haar motie van wantrouwen kreeg ook de steun van partijen als het CDA en GroenLinks. En van Agema van de PVV uiteraard. Het was de zwartste bladzij uit zijn hele regeerperiode. Pietje Precies Martin van Rijn schaamde zich ervoor dat de door hem uitverkoren SVB er zo’n zooitje van had gemaakt en kreeg het gevoel dat de oppositie in de Kamer de mitrailleur nu op hem richtte. Dat de gang van zaken hem vreselijk emotioneerde, viel hem overigens niet aan te zien.
Blijft u altijd zo onbewogen?
‘Ik zit hier om dingen te fiksen, voor elkaar te brengen. Ik ben hartstikke emotioneel maar dat helpt niet. Ik denk meteen: oké, hoe gaan we het dan oplossen? Ik ben gaandeweg wel meer gaan beseffen dat feelings ook facts zijn, dat je in de politiek ook rekening moet houden met de beeldvorming. Maar mijn stijl blijft dan toch om te luisteren, erop in te gaan en te kijken wat ik met de argumenten van de ander kan. Ik ben een argumentenmens.’
Kleerscheuren
Hij kan het politieke en persoonlijke goed scheiden, zegt hij: ‘Toen Renske Leijten in 2014 met zwangerschapsverlof ging, heb ik haar een rompertje cadeau gegeven met de tekst: als ik later groot ben, stem ik PvdA. Zij zei toen: ik dacht al, wat draait die baby toch de hele tijd! Maar ze nam het wel aan. Dat vind ik dan mooi.’
Vindt u dat u kleerscheuren hebt opgelopen?
‘Dit was een heftige periode, met fantastische maar ook heel moeilijke momenten. Maar ik weet waarvoor ik het doe. Ik ben niet zo bezig met vragen als: heb ik kleerscheuren opgelopen? Misschien is dat wel mijn probleem.’
Heeft u het gefikst?
‘We zijn op weg naar meer menselijke maat in de zorg maar het is nog lang niet klaar.’
Tekent u voor een periode bij als dat zou kunnen?
‘Ja, als ik mijn partij daarmee van dienst kan zijn, why not?’
Wat vindt u zelf kenmerkend voor uw manier van opereren?
‘Er komt nu een heel rare associatie bij me op. Ik ben een keer op managementcursus geweest, daar moest je een tekening maken van hoe je in elkaar zit. Ik heb mezelf toen als een veelkleurige pijl getekend die schuin omhoogging. Als metafoor voor: ik wil alle meningen horen, alle tegengestelde opvattingen op me laten inwerken om dan een richting te kiezen. Als je het niet samen doet, kom je nergens.’
Zou u niet iets meer van het vurige van Renske Leijten en Fleur Agema kunnen gebruiken?
‘Hou op zeg, ik ben Martin van Rijn.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.