Als ‘duurzame ontwikkeling’ voorop staat, raakt de bestrijding van ziekte en armoede achterop. Dat moet andersom, vinden ecomodernisten.
Dit is een voorpublicatie uit Ecomodernisme. Het nieuwe denken over groen en groei, dat deze week verschijnt.

Vandaag leven rond de 700 miljoen mensen in extreme armoede. Volgens de definitie van de Wereldbank zit je onder de armoedegrens wanneer je moet leven van minder dan 1,90 dollar per dag.

Wat betekenen die koele cijfers? Armoede betekent dat er geregeld veel te weinig eten in huis is. Het betekent dat ouders soms dagenlang niet eten om hun kinderen een maaltijd te gunnen. Het betekent dat je niet kunt sparen: niet voor schoolboeken, niet voor een opname in een ziekenhuis, niet voor je oude dag, niet om een tegenslag op te vangen. Het betekent dat je je kinderen niet naar school kunt sturen, omdat ze moeten helpen op het land. Dat je uit modder opgetrokken woning wegspoelt in een hoosbui, dat je ziek wordt van vuil water en dat je vermoedelijk een of meer kinderen naar het graf moet brengen.

Armoede maakt machteloos. Je hebt niet de energie om je te verzetten, laat staan dat je kennis en invloed vergaart om omhoog te klimmen. Je voelt je vernederd, uitgesloten, afgedankt. Je bent overgeleverd aan corrupte politieagenten, ambtenaren, criminelen, een ‘suikeroom’ die je seksueel misbruikt. Armoede betekent een constant gevoel van schaamte over je eigen situatie. Schaamte tegenover je kinderen die je niets kunt bieden. Schaamte voor je ouders die je op hun hoge leeftijd niet kunt onderhouden. Schaamte voor de rijke mensen in restaurants en winkelcentra: een groep waar je nooit bij zult horen.

Extreme armoede is dodelijk. In 2015 stierven alleen al rond de 438.000 arme mensen aan malaria. Ongeveer 1 miljoen mensen gingen dood door gebrek aan vitamine A en bijna 2 miljoen mensen stierven aan aids en tbc. Er overleden 4,3 miljoen mensen als gevolg van vervuilde lucht binnenshuis; zij kookten op rokerige biomassa als bladeren, hout of mest. En dan vielen er nog talloze doden door ziektes die in het rijke Westen niet of niet meer voorkomen, zoals cholera, tyfus, mazelen, leishmaniasis, de ziekte van Chagas en de Afrikaanse slaapziekte. In totaal komt het aantal doden door armoede in 2015 zo op meer dan 10 miljoen mensen.

Hoe wordt er in milieukringen gedacht over de aanpak van deze menselijke drama’s? Wel, er wordt gepleit voor ‘duurzame ontwikkeling’. En dat is een discutabel begrip. Want wie spreekt over ‘duurzame ontwikkeling’ geeft blijk van twijfel over het idee en nut van ontwikkeling. Het is een uitdrukking van het idee dat economische groei leidt tot een hogere druk op het milieu en daarom slechts acceptabel is wanneer het milieu er niet onder lijdt. Of, beter nog: wanneer het milieu erop vooruitgaat.

De term ‘duurzame ontwikkeling’ brak in 1987 door dankzij een rapport van een aan de Verenigde Naties gelieerde commissie onder leiding van de Noorse oud-premier Gro Harlem Brundtland. Volgens het rapport was de milieuschade door sociaal-economische vooruitgang te lang genegeerd. Daarom pleitte Brundtland voor een nieuwe manier van denken over ontwikkeling. Er volgde een VN-conferentie over dat thema in Rio de Janeiro in 1992. Deze bijeenkomst wordt tegenwoordig gezien als een mijlpaal in het bewustzijn over de relatie tussen milieu en ontwikkeling.

De definitie die Brundtland gaf, wordt nog altijd gebruikt: ‘Duurzame ontwikkeling is ontwikkeling die voorziet in de behoeften van het heden zonder afbreuk te doen aan het vermogen van toekomstige generaties om te voorzien in hun eigen behoeften.’ Dat is een problematische definitie. Want wat moet er met de behoeften van het heden gebeuren, wanneer zij, mogelijk, afbreuk doen aan de behoeften van de toekomst? Moeten die dan maar niet worden vervuld? Moeten de 700 miljoen extreem armen in Afrika en Azië dan maar arm blijven? Uit alles spreekt de suggestie dat wij vandaag, uit naam van onze kinderen en kleinkinderen, het beste terughoudend kunnen zijn.

Het valt te vrezen dat dit inderdaad de uitkomst is van ‘duurzame ontwikkeling’. Want het verplaatst de urgentie van het aanpakken van concrete problemen in het hier en nu naar mogelijke problemen in de toekomst. Het gaat daarmee voorbij aan het idee dat er ook in toekomst zal worden nagedacht en dat er dan ook mensen zullen zijn die problemen kunnen oplossen – een toekomst waarin mensen waarschijnlijk over meer mogelijkheden en middelen beschikken dan wij vandaag. De voorstanders van ‘duurzame ontwikkeling’ offeren het heden op aan de toekomst.

Vanzelfsprekend is het verstandig om zowel ontwikkeling als duurzaamheid te bevorderen. Vanzelfsprekend bestaat er een vorm van groei waarbij mensen én milieu gebaat zijn. De voorbeelden zijn talrijk. De bouw van biogasinstallaties, zodat de kap van bomen wordt tegengegaan; de verspreiding van betaalbare ledlampen op zonne-energie als vervanger van gevaarlijke kerosinelampen; het gebruik van bamboe als bouwmateriaal; het verstrekken van eigendomsrechten over natuurlijke hulpbronnen aan de lokale bevolking. De lijst is lang – en gelukkig maar. Maar de ambitie was wel erg laag toen de Nederlandse delegatie tijdens een VN-top over duurzame ontwikkeling in 2012 pleitte voor ‘human-powered transport’ als alternatief voor vervuilende auto’s. Mensen in arme landen kunnen maar beter gaan lopen of fietsen. Dit is ‘duurzame ontwikkeling’ op haar smalst: wel latrines, maar geen spoeltoiletten met aansluiting op het riool. Wel een microlening voor een os, maar geen tractor. Wel een zonnepaneel voor op een lemen krot, maar geen geld voor grootschalige en betrouwbare energievoorziening.

Duurzame ontwikkeling offert het heden op aan de toekomst; het verplaatst de aanpak van concrete problemen hier en nu naar mogelijke problemen in de toekomst.Om mensen uit extreme armoede te halen, is echter een forse economische groei nodig. Om hun welvaart te bevorderen, moet die groei niet worden geremd, maar aangevuurd. De wens om dat louter duurzaam te doen, zet er juist een rem op.

Wij zien onszelf als ecomodernisten, de humanistische variant van de traditionele natuurbeschermers. Wij hebben dan ook moeite met duurzame ontwikkeling wanneer dit betekent dat ontwikkeling alleen mag plaatsvinden wanneer die groen en milieuvriendelijk is. Het terugdringen van armoede, honger en sterfte onder vaders, moeders en hun kinderen of het toegankelijk maken van onderwijs en gezondheidszorg voor iedereen: het zijn doelen die in zichzelf zo belangrijk zijn dat ze niet mogen worden afgezwakt omdat het nadelen zou kunnen opleveren voor het milieu.

Sinds de VN-top in 1992 lijkt de sector voor armoedebestrijding echter gekaapt door de sector voor natuurbehoud. Die verschuiving zien we onder meer terug in de verschuiving van de ‘Millennium Ontwikkelingsdoelen’ uit 2000 naar de ‘Duurzame Ontwikkelingsdoelen’ uit 2015. De Millenniumdoelen bestonden uit een pakket maatregelen waarmee de Verenigde Naties de armoede bestreed en daadwerkelijk forse resultaten behaalde. Door duurzaamheid nu vooraf te laten gaan aan ontwikkeling wordt de armoedebestrijding eerder beperkt dan bevorderd.

Ook de Wereldbank lijkt in de ban van duurzaamheid. Opgericht in 1945 om armoede terug te dringen, kondigde de organisatie in 2016 aan dat elke dollar die nu nog wordt uitgegeven een bijdrage moet leveren aan de strijd tegen de klimaatverandering. Maar liefst 29 miljard dollar zal in de komende jaren worden besteed aan het opwekken van schone energie, het stimuleren van milieuvriendelijk transport en van landbouwtechnieken die de impact van klimaatverandering moeten verzachten. Het betekent dat ’s werelds grootste armoedebestrijder deze miljarden niet kan besteden aan terreinen als onderwijs, gezondheidszorg of werkgelegenheid.

Verzekering tegen natuurrampen

Armoede betekent afhankelijkheid van de natuur. In moderne, westerse landen rijden boeren vandaag whatsappend rond in airconditioned tractoren, maar hun arme collega’s in ontwikkelingslanden ploeteren lange dagen met een schoffel op het land, dan weer biddend om regen, dan weer smekend om zon. In de moderne wereld lees je ’s avonds een boek of kijk je een film op je laptop. Voor arme mensen zonder een stopcontact in de muur is het ’s avonds buiten én binnen pikdonker. Leven in armoede betekent inderdaad leven in de natuur. Voor veel groenen een paradijselijke situatie, maar voor de meeste armen een bestaan in grote kwetsbaarheid.

In Nederland vinden we een storm of een hittegolf vooral lastig en vervelend. Treinen zijn vertraagd en we worden verzocht onze gazons niet te besproeien. Door bedijking en kanalisatie zijn overstromingen zeldzaam in de waterrijke lage landen. Ze leiden vooral tot televisiebeelden van mensen in kaplaarzen die klagen over een ondergelopen kelder – en tot forse schadeclaims bij verzekeraars. Dat is anders in arme landen.

In 2010 leidde een aardbeving op Haïti tot zeker honderdduizend doden. Een aanmerkelijk zwaardere aardbeving in Chili, zes weken later, had vijfhonderd doden tot gevolg. Dat verschil is verklaarbaar. In de Human Development Index van de Verenigde Naties, waarin zaken als omvang van de economie en gemiddelde levensverwachting in een land worden meegewogen, bungelt Haïti onderaan op nummer 149. Chili staat op een respectabele 44ste plaats, tussen Hongarije en Kroatië. Dat de aardbeving in Haïti zo desastreus uitpakte en die in Chili niet, had dan ook alles te maken met het feit dat de Haïtianen zich niet kunnen wapenen tegen aardschokken en de Chilenen wel. De Chileense huizen zijn beter, de vluchtroutes sneller en na de ramp is de medische verzorging op orde.

Mede door droogte verhongerden in Somalië in 2011 en 2012 tussen de 50.000 en 250.000 mensen. In 2012 werden ook de Verenigde Staten geteisterd door extreme droogte: de zwaarste in meer dan een halve eeuw. Tachtig procent van de Amerikaanse graanproductie werd getroffen, de schade liep op tot 35 miljard dollar. Maar hoe droog het ook was, in de Verenigde Staten overleed niemand aan de gevolgen ervan.
Eveneens in 2012 werden de Verenigde Staten getroffen door de orkaan Sandy. Het natuurgeweld trok pal over New York met zijn 8 miljoen inwoners en zette een deel van Manhattan onder water. Uiteindelijk verloren 37 New Yorkers het leven, de meesten van hen door omvallende bomen. Een jaar later trok tyfoon Haiyan over de Filippijnen. Die was met windstoten van soms 300 kilometer per uur weliswaar een stuk zwaarder dan Sandy, maar de gevolgen gingen daar nog ver bovenuit. Door Haiyan verloren meer dan 600.000 mensen hun huizen en alleen al in de provinciehoofdstad Tacloban, met 200.000 inwoners, vielen meer dan vijfduizend doden.

Bij milieugroeperingen of de Wereldbank zou de zorg om het milieu en de klimaatverandering niet op de eerste maar op de tweede plaats moeten staan.Ja, stormen, droogte, overstromingen of hittegolven – ofwel, het klimaat – kunnen dodelijk zijn. Maar die dodelijkheid hangt niet zozeer af van de kracht van de stormen, de duur van de droogte, de hoogte van de overstromingen of de temperatuur van de hittegolven. Doorslaggevend is de welvaart van de mensen die erdoor worden getroffen. Rijken hoeven bij stormen alleen maar binnen te blijven, armen mogen hopen dat hun huizen, velden en dieren er na afloop nog zijn. Economische ontwikkeling is de beste verzekering tegen natuurrampen.

Anders dan arme mensen in arme landen, zijn rijke mensen in rijke landen over het algemeen goed in staat om zich tegen het klimaat te beschermen. Ze bouwen stevige huizen die orkanen kunnen weerstaan. In tijden van droogte bewateren ze hun akkers en in tijden van overvloedige regen voeren ze het water af. Hittegolven trotseren zij met airconditioners, zoals ze de kou doorstaan met centrale verwarming. Wanneer orkanen en overstromingen dreigen, zijn er technische middelen om mensen tijdig te waarschuwen en voorzieningen om hen te evacueren. In ontwikkelingslanden is het aanpassingsvermogen laag. De woningen zijn gebouwd uit modder, karton en golfplaat: ze spoelen weg bij een overstroming of worden weggeblazen tijdens een orkaan. Er zijn geen dijken die het water van het land scheiden. Wanneer tijdens een droogte het land verdort, is er geen watervoorraad om aan te boren. En mislukt de oogst, dan dreigt hongersnood. Daarom is het urgenter om ons te wapenen tegen het klimaat dan tegen de klimaatverandering – en daarvoor heb je economische groei nodig.

Aan de absolute armoede ontsnappen

De forse economische groei sinds de Industriële Revolutie heeft het klimaat al een stuk minder dodelijk gemaakt. Tot ver in de vorige eeuw waren zogeheten ‘klimaat-gerelateerde doodsoorzaken’ aan de orde van de dag. In de jaren twintig van de vorige eeuw stierven per 100.000 mensen 241 mensen door zo’n klimaat-gerelateerde doodsoorzaak. In de jaren dertig daalde dat tot 208. In de jaren veertig waren het er 156, en de daling zette door. In het eerste decennium van de 21ste eeuw was het aantal klimaat-gerelateerde doden gedaald tot 5 op de 100.000. In een uitzonderlijk dramatisch jaar als 1931 stierven naar schatting 3,5 miljoen mensen door extreem weer. In 2013 waren dat er 30.000. De kans dat vandaag iemand sterft door een klimaatgerelateerde oorzaak is vijftig keer kleiner dan tachtig jaar geleden.

De scherpe daling van het aantal klimaatdoden is te danken aan het feit dat steeds meer mensen zich tegen het klimaat kunnen verdedigen. De mens – warmbloedig, kwetsbaar, zonder pantser en schamel behaard – floreert het best in een lichte, vochtige, windstille, lauwwarme omgeving met voldoende voedsel en schoon water. Op maar weinig plekken in de wereld zijn de omstandigheden zo gunstig. In het grootste deel van de wereld is het te warm, te koud, te nat of te droog. Gelukkig slagen we er steeds beter in om ons daartegen te beschermen. Hoe welvarender we worden, hoe beter dat dit lukt.

Om het menselijk lijden als gevolg van natuurrampen in arme landen te beperken, is ontwikkeling een absolute prioriteit. Alleen forse economische groei verschaft mensen stevige huizen om in te wonen, early warning systems om hen tijdig te waarschuwen, auto’s om hen te kunnen evacueren en operatietafels om hen op te lappen als het toch verkeerd gaat. Bij milieugroeperingen of de Wereldbank zou de zorg om het milieu en de klimaatverandering dan ook niet op de eerste maar op de tweede plaats moeten staan. In de juiste, morele benadering luidt de vraag: hoe zorgen we ervoor dat zoveel mogelijk mensen zo snel mogelijk aan de absolute armoede ontsnappen?

Niet alleen vanuit een moreel perspectief dient armoedebestrijding voor te gaan op milieubehoud; dat moet ook op praktische gronden. Zolang mensen arm zijn, zullen klimaat en milieu hen maar weinig interesseren. In de ‘MyWorld’-onderzoeken van de Verenigde Naties, waarin miljoenen mensen wereldwijd de vraag beantwoorden wat voor hen het belangrijkste is, laten arme mensen massaal weten dat bescherming van de natuur en bestrijding van de klimaatverandering hun allerlaagste prioriteit hebben. Interesse in groen en milieuvriendelijk gedrag is alleen mogelijk in een omgeving van vrijheid en welvaart.

Milieueconomen zijn al jaren bekend met dit fenomeen. Sommigen maken een vergelijking met de Kuznetscurve. Daarmee liet de econoom Simon Kuznets zien dat inkomensongelijkheid in een land toeneemt tijdens de industrialisatie van dat land, om vervolgens weer af te nemen. De milieuvariant van deze curve bestaat eveneens uit een aanvankelijk stijgende en vervolgens weer dalende lijn, waaruit valt af te lezen dat milieuvervuiling van een land toeneemt bij economische groei en weer afneemt wanneer de welvaart een bepaald niveau heeft bereikt. De verklaring is dat er meer geld, betere technologie en politieke wil is om het milieu opte schonen.
De theorie, die overigens niet geheel onomstreden is, blijkt inmiddels te kloppen bij onder meer water- en luchtverontreiniging. De groene Kuznetscurve ondersteunt de gedachte dat we arme landen onvoorwaardelijk moeten laten doorgroeien in de verwachting dat de inwoners bij een bepaald welvaartsniveau gaan zorgen voor het milieu. Rijke mensen hebben letterlijk de luxe zich zorgen te maken over het voortbestaan van de mandril.

Prioriteiten stellen

Vervolgens zijn er nog belangrijke financieel-economische redenen om eerst te investeren in ontwikkeling en dan pas in milieu. De Deense politicoloog Bjørn Lomborg rekende met zijn Copenhagen Consensus Center alle ‘duurzame ontwikkelingsdoelen’ door en constateerde dat milieu- en klimaatdoelen veel te duur zijn voor wat ze uiteindelijk opleveren.

Zo zou Lomborg zijn geld zéker niet inzetten op ontwikkelingsdoel nummer 13, dat de klimaatverandering wil terugdringen. Volgens de denktank van Lomborg ziet het er immers niet naar uit dat hernieuwbare energiebronnen het snel zullen overnemen van fossiele brandstoffen. Het zal een uiterst prijzige exercitie worden om aan het einde van de eeuw onder de gevreesde opwarming van twee graden te blijven; tot 2035 zouden we er het ongelooflijke bedrag van 60 biljoen dollar in moeten steken. Volgens het team van Lomborg is het veel effectiever om geld te steken in het helpen van mensen hier en nu, via onderwijs, schoolvoedselprogramma’s of het terugdringen van malaria en tbc.

Overigens betekent dit alles volgens Lomborg niet dat we de klimaatverandering lijdzaam over ons heen moeten laten komen. We zouden kunnen beginnen met het afschaffen van subsidies op fossiele brandstoffen. Wanneer de prijzen van kolen, olie en gas stijgen, worden burgers en bedrijven gestimuleerd er zuiniger mee om te gaan en waar mogelijk gebruik te maken van schone energie. Bovendien houden overheden er meteen honderden miljarden aan over om te besteden aan nuttiger zaken. Al net zo effectief is het om ‘de veerkracht en het absorptievermogen van landen tegen de gevaren van het klimaat en natuurlijke rampen’ te versterken.

Wie zweert bij de strijd tegen klimaatverandering zegt, in de woorden van Lomborg, feitelijk tegen de armen: ‘Hallo daar, jullie zijn ongezond, jullie hebben honger, jullie kunnen je kinderen niet naar school sturen, maar we komen jullie helpen, hoor. Hier heb je een zonnepaneel.’

En dan is er nog een laatste, maar misschien wel belangrijkste reden om armoedebestrijding voor te laten gaan op milieu en klimaat: een einde aan de armoede is prioriteit voor een absolute meerderheid van mensen wereldwijd. De MyWorld-onderzoeken van de Verenigde Naties geven de keuze om prioriteiten toe te kennen aan zestien mogelijkheden die sterk overlappen met de duurzame ontwikkelingsdoelen.

Verrassend of niet, de uitkomsten kennen een duidelijke top-drie. Helemaal bovenaan, met meer dan 6,5 miljoen van zo’n 10 miljoen stemmen staat: ‘goed onderwijs’. Daaronder volgen ‘betere gezondheidszorg’ en ‘meer werkgelegenheid’, beide met 5,5 miljoen stemmen. Ook de laagste drie voorkeuren zijn opvallend duidelijk. Op nummer 14 staat ‘bescherming van bossen, rivieren en oceanen’, daaronder komt ‘toegang tot telefoon en internet’ en helemaal onderaan, met minder dan 2 miljoen stemmen, bevindt zich: ‘actie ondernemen tegen klimaatverandering’. Wanneer je via de database van MyWorld kijkt naar wat de 4 miljoen allerarmsten stemden, staat klimaat nog steeds op nummer 16 en is de bescherming van bossen, rivieren en oceanen naar 15 gezakt.

De pleitbezorgers van duurzame ontwikkeling gelden doorgaans als links en progressief. Maar het is de vraag in hoeverre hun standpunt links en progressief is.Het viel te verwachten dat miljoenen mensen wereldwijd juist deze prioriteiten stellen. Kennis, gezondheid en werk vormen de basis van elke ontwikkeling. Alle andere zaken, hoe belangrijk ook, zijn van later zorg, ook omdat het nu eenmaal ondoenlijk en onbetaalbaar is om álle problemen tegelijk aan te pakken. Zeker voor de meest kwetsbaren is kennelijk alles belangrijker dan de bescherming van de natuur of de stabilisering van het klimaat.

Op morele en praktische gronden, uit financieeleconomische motieven en op grond van persoonlijke voorkeuren van mensen wereldwijd valt dus af te leiden dat de Wereldbank en de milieugroeperingen verkeerde prioriteiten stellen. Duurzaamheid is vooral een zorg die leeft in het Westen. In het Zuiden zetten mensen in op meer en betere leraren en de uitbanning van malaria, aids en tbc. Vandaag sterven volgens de Wereldgezondheidsorganisatie WHO zo’n 60.000 mensen als gevolg van klimaatgerelateerde problemen als droogte, overstromingen, stormen en hittegolven. In het jaar 2050, zo verwacht de WHO, zullen door klimaat-gerelateerde kwesties zo’n 250.000 mensen sterven. Die cijfers zijn hoog, maar lang niet zo hoog als de 10 miljoen mensen die hier en nu al sterven door extreme armoede. De 10 miljoen armoededoden vormen samen de bevolking van België, de 250.000 klimaatdoden representeren de bevolking van een stad als Gent of Eindhoven.

Het evangelie van onstuimige rijkdom

De pleitbezorgers van duurzame ontwikkeling gelden doorgaans als links en progressief. Toch is het de vraag in hoeverre hun standpunt voor links en progressief door kan gaan. Honderd jaar geleden zouden de duurzame ontwikkelaars zonder meer te boek hebben gestaan als conservatief.

In de vorige eeuw betoogde een revolutionair als Sylvia Pankhurst dat een socialist streeft naar ‘overvloed voor iedereen’. Rijkdom mocht geen privilege van de elite zijn, maar moest worden nagestreefd en bereikt door ons allemaal. ‘Wij prediken niet het evangelie van gebrek en schaarste,’ zei Pankhurst. ‘We prediken het evangelie van onstuimige rijkdom.’

In dezelfde tijd verkondigde Leon Trotski dat de mensheid ‘serieus en doorlopend verbeteringen in de natuur’ moet nastreven om zichzelf en de samenleving verder te ontwikkelen. De Russische bolsjewiek vatte het radicaal-linkse gedachtengoed eens samen als de vergroting van ‘de macht van de mens over de natuur’ en, als overtuigd antistalinist, het beëindigen van ‘de macht van de mens over de mens’.

Deze linkse ideeën uit vervlogen tijden brachten de Britse economisch journalist Daniel Ben-Ami, ooit actief bij de Revolutionaire Communistische Partij, ertoe om een stevig links pleidooi voor economische groei te houden. In zijn boek Ferraris for all neemt hij het op tegen de ‘groeiscepsis’ die hij waarneemt in moderne ‘linkse’ kringen – en ver daarbuiten. Niet alleen was de groene kritiek op groei nooit een links thema, ook vandaag is het onderwerp niet voorbehouden aan links. Zo verkondigde de Franse conservatieve president Nicolas Sarkozy dat we ons gedrag en onze waarden moesten aanpassen. Alleen zo konden we leren tevreden te zijn met wat we hebben en economische groei niet langer zien als een maatschappelijk ideaal. Zijn Britse collega, de conservatieve premier David Cameron, wilde van zijn kabinet ‘het groenste ooit’ maken.

‘We moeten activistisch worden in onze strijd voor meer welvaart,’ schrijft Ben-Ami. Welvaart legt ook de basis van een betere zorg voor het milieu. De ambitie van de Duurzame Ontwikkelingsdoelen om ‘vóór 2030 een einde te maken aan extreme armoede’ vindt hij dan ook onbevredigend. We zijn er immers nog lang niet wanneer de armsten een paar centen meer verdienen dan 1,90 dollar per dag. We zijn er pas wanneer iedereen een net zo’n rijk en welvarend leven kan leiden als de gemiddelde westerling.

In 1987 sprak Brundtland de wens uit om terughoudend te zijn in het belang van toekomstige generaties. Uit haar woorden klonk argwaan tegen sociale verandering. Duurzaamheid is dan ook geen goede route richting de toekomst, ze schermt ons juist van deze toekomst af. Het duurzaamheidsdenken maakt ons, rijke westerlingen, argwanend tegen alles wat ons de afgelopen 150 jaar welvaart, democratie, een goede gezondheid en een lang leven heeft bezorgd – en waar nu ook de armsten in het Zuiden aanspraak op maken.

Dit is een hoofdstuk uit ‘Ecomodernisme. Het nieuwe denken over groen en groei’, dat deze week verschijnt bij uitgeverij Nieuw Amsterdam, € 19,99. De boekpresentatie vindt plaats op 2 mei in Pakhuis de Zwijger in Amsterdam. Zie ook www.ecomodernisme.nl