Ik zie mijn moeder al voordat het propellervliegtuigje goed en wel tot stilstand is gekomen. Welcome to Leros, Island of Goddess Artemis. Bevolking: achtduizend inwoners. Afstand van noord tot zuid: vijftien kilometer. Het minuscule vliegveldje verwerkt twee vluchten per dag. Mijn moeder pakt ongeduldig mijn tas en heeft de taxichauffeur ook al geregeld: ‘De zoon van Yiannis, je weet wel, die jongen die goed Engels spreekt.’
Sinds een paar maanden werkt mijn moeder als vrijwilliger in de vluchtelingenopvang op Leros. Sindsdien is ze hier nog meer thuis dan ze al was. Terwijl het toch echt door mij komt, die Griekenlandmanie van ons gezin – vader Dick, moeder Sity, zus Sanne en ik. Vroeger stond het buitenland voor ons gelijk aan kamperen in Frankrijk. Toen deed ik een Erasmus-semester in Athene. Ik was verkocht. Verliefd. De familie kwam langs en Frankrijk leidt sindsdien een kwijnend bestaan in onze fotoboeken op zolder.
Wat doe je als je moeder mailt dat er om haar heen mensen liggen te creperen van de honger en de dorst? Op jouw eiland?
In Griekenland heb ik zo’n beetje alles gedaan wat je in een mensenleven kunt doen: ik heb er gestudeerd, een half dozijn baantjes doorlopen, ik ben er getrouwd en weer gescheiden. Ik heb in het Grieks staan soebatten met hoteleigenaars, loodgieters, advocaten, ex-geliefden en hoge ambtenaren. Ik heb erover geschreven en gepubliceerd, want nergens anders kun je zoveel verhaaltjes van de straat rapen. Ik kocht er ook een huis. Op Leros. Een heerlijk vierkant wit stulpje met blauwe ramen en een terras met zeezicht. Ik zocht een vergeten eiland toen, ver van het toerisme en de madding crowd, en ik vond er één. Wie had toen kunnen denken dat de term ‘vergeten’ vandaag de dag slaat op het ontbreken van hulporganisaties voor de vluchtelingen op Leros.
Uiteindelijk nam ik wat afstand van Griekenland. Ik heb de keuze gemaakt voor een leven en een loopbaan in Noordwest-Europa – net als veel Grieken trouwens. En nu zijn het mijn ouders die er vijf, zes maanden per jaar wonen. In mijn huis op Leros. En het is mijn Friese moeder die me terugroept. Want wat doe je als zij je mailt dat er om haar heen mensen liggen te creperen van de honger en de dorst? Op jouw eiland?
De zoon van Kostas rijdt ons soepeltjes naar de haven. Mijn moeder krijgt een sms’je. ‘Je treft het,’ zegt ze. ‘Er komt net een boot met negentig nieuwe vluchtelingen aan.’
Jonge dienstplichtigen
Het havencafé Leon Limani is van het ingeslapen soort en komt alleen tot leven als er een grote veerboot aanmeert, meestal laat op de avond of heel vroeg in de morgen. Maar nu, zaterdag om twee uur ’s middags, gonst het er van de bedrijvigheid. De mannen en vrouwen van de havenpolitie lopen heen en weer in strakblauwe uniformen, hun walkietalkies continu bij de mond. Binnen in het café zitten drie jonge mensen in blauwe T-shirts achter een tafeltje met een stapel paperassen. Ze zijn van de UNHCR, de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties. Hun taak is het om de vluchtelingen straks te wijzen op hun rechten. De bejaarde vaste klanten van Leon Limani zien het stoïcijns aan. Een groepje oudere Noord-Europese toeristen zit buiten, de horizon afspeurend naar de snelle boot naar Patmos. In plaats daarvan nadert het excursiebootje Ilias de pier. Al van ver kun je zien dat het buitendek volgestouwd is met mensen. De vluchtelingen. De boot meert vlot aan. Hier en daar dragen de vrouwen baby’s op de arm. Sommige mannen maken het V-teken. Maar het merendeel is stil. Heel stil.
Dit bootje komt van Farmakonisi, het Griekse rotseilandje dat administratief onder Leros valt. Het ligt maar een paar kilometer uit de Turkse kust, en behalve een Griekse legerplaats is er niets te vinden. Dat maakt het tot een favoriete bestemming voor de mensensmokkelaars. De soldaten hebben een dag- en een nachttaak aan het veilig aan land brengen van de vluchtelingen. Dat kan soms gruwelijk misgaan, zoals in de nacht van zaterdag 18 op zondag 19 september. De mensensmokkelaars sloegen veel te grote lekken, de bootjes vol vluchtelingen zonken op zeshonderd meter voor de kust en tientallen mensen verdronken. Volgens sommige overlevenden was de hulp laat ter plaatse. De Griekse autoriteiten zeggen op hun beurt dat het onmogelijk is om alle boten die ’s nachts uit Turkije overkomen in de gaten te houden. De volgende dag stond er in de Griekse pers dat de boot was gekapseisd – volgens veel ooggetuigen een pertinente onwaarheid.
Het verhaal van Farmakonisi is ook: uitgedroogde, hongerige vluchtelingen die door de soldaten in een kleine ruimte worden vastgehouden. Er is een beperkte voorraad water en voedsel. De soldaten dwingen de vluchtelingen te blijven zitten tot er een boot komt naar Leros. De stemming is gespannen – de soldaten zijn jonge dienstplichtigen die met geen mogelijkheid hadden kunnen zijn voorbereid op dit werk. Met alle boten die voorhanden zijn worden de vluchtelingen naar Leros gebracht. Dat kan een marineschip zijn of het excursiebootje Ilias.

Crisis binnen de crisis
In de zomer werd de situatie op Leros onhoudbaar. Een politieman: ‘Er kwamen ongekende aantallen binnen. Soms meer dan vijfhonderd mensen per dag. We hadden geen geld meer om maaltijden uit te delen. Dat geld moest uit Athene komen, van het ministerie van Vluchtelingenzaken. Maar dat kwam niet tot hier.’ Meer wil hij er niet over zeggen. Navraag bij het ministerie leert dat er een potje geld beschikbaar is gesteld voor Leros: 22.000 euro. Niemand kan bevestigen of dat geld al overgemaakt is. Feit is dat de havenpolitie in de zomer de hulp inriep van een paar taverna’s. Zo is er Popara, de ontzagwekkende kokkin van een strandtaverna in de buurt. Zij maakte dagelijks tientallen maaltijden à drie euro per stuk. Totdat bleek dat de havenpolitie op zwart zaad zat. Popara en andere taverna-eigenaars claimden daarop achttienduizend euro aan achterstallige betalingen en weigerden verdere medewerking, net op het moment dat het aantal vluchtelingen alle records brak.
Dat was het moment voor de vrijwilligers om de noodklok te luiden. En wie vrijwilligers op Leros zegt, zegt Matina Katsiveli. Zij richtte aan het begin van de Griekse crisis het Leros Solidarity Network (LSN) op, aanvankelijk met het doel om de bevolking te helpen die, net als overal in Griekenland, midscheeps getroffen werd door de crisis. Maar gaandeweg zijn de activiteiten verschoven naar de vluchtelingenopvang – het is wat de Grieken ‘de crisis binnen de crisis’ noemen. Een dilemma van formaat: concentreren we ons op de noden van de eigen bevolking, of op die van de vluchtelingen.
De situatie was zorgelijk: de vluchtelingen puilden haast letterlijk de twee politiestations uit. Er was weinig water en voedsel. Hulporganisaties waren nergens te bekennen, en de Syriza-regering was vooral met Europa aan het onderhandelen. Via Facebook probeerden de vrijwilligers aandacht te vragen voor Leros. En dat hielp: er kwamen donaties binnen, en er kwam pers op het eiland af. The Guardian maakte een clip van vijftien minuten die duidelijk maakte hoe moeilijk het ‘vergeten’ Leros het had. Niet lang daarna bleek dat de havenpolitie toch over geld beschikte om weer maaltijden uit te gaan delen. Er was weer genoeg te eten, maar de meeste vluchtelingen moeten nog altijd onder de blote hemel slapen, op een stukje karton.
Wat is dat toch, die agressie? En wie zijn die mensen? Ik zou zo graag eens een echt gesprek met ze aangaan. Maar je ziet ze niet.
Ook mijn moeder luidde haar noodklok: ‘Waar zijn de hulporganisaties?’ Veel vrienden en kennissen vroegen direct waar ze konden doneren. En dus stampten mijn zus Sanne en ik de Stichting Loket Leros uit de grond, samen met schrijver/vertaler Coot van Doesburgh en visagiste Jelleke van Rijsoort. Sanne kwam direct op Radio2 en in De Telegraaf. Pauw en Paul de Leeuw volgden. Binnen een week stond er tienduizend euro op de inderhaast geopende bankrekening. Toen kwam de volgende vraag: wat nu? Het antwoord was: focussen, anders worden we stapelgek. We besloten ons alleen op Leros te richten, hoewel we genoeg verhalen hoorden over andere vergeten eilanden. En wat te doen met alle mensen die spontaan het vliegtuig naar Leros willen pakken? Daar heeft mijn moeder het laatste woord over. Wie is ervaren? Wie is wanneer nodig? En dan al die slaapzakken, rugzakjes, kleren en eindeloos veel schoenen die aangeboden worden. Geweldig goed bedoeld, maar wie gaat ze opslaan, en waar? We kozen al snel voor alleen geld, dat we naar mijn moeder sturen, die beslist wat wanneer nodig is. Ze besteedt het allemaal bij de lokale middenstand op Leros, die het hard kan gebruiken. Het idee is: zo is elke euro dubbel goed besteed.
Sanne organiseerde ook een benefietavond voor Leros, op 11 oktober in de Kleine Komedie. Artiesten als Henny Vrienten, Brigitte Kaandorp, Rob de Nijs maar ook Kenny B zeiden direct ja. Mijn zus is blij met alle steun: ‘Rob de Nijs is de eerste die ja zei. Dat brak de ban. Ik ben al sinds Hamelen verliefd op die man!’
Op de televisie probeert ze de boodschap zo simpel en duidelijk mogelijk te houden. Ook twittert ze geregeld over Loket Leros. Dat lokt soms reacties uit. Zo verzeilde ze in een twitterdiscussie met columniste Annabel Nanninga. ‘Ja, die wil het liefst morgen de grenzen al sluiten,’ vertelde Sanne me. ‘Die discussie kwam er doordat Tineke Ceelen, de voorzitter van Stichting Vluchtelingenhulp, van Twitter afging. Vanwege alle beledigende commentaren. Dat gaf me het zetje om te vragen: wat bezíélt jullie toch? Wat is er met het fatsoen gebeurd? De aardigheid van Nederland, anyone? Mensen die dingen roepen als: we halen de oorlog binnen. Dan denk ik: wie heeft er nog een oorlog nodig met mensen zoals jullie?’
De discussie met Nanninga bleef nog binnen het redelijke. Maar Sanne kreeg in de commentaren van alles naar haar hoofd geslingerd. Ze praat er vooral met verbazing over: ‘Wat is dat toch, die agressie? En wie zijn die mensen? Ik zou zo graag eens een echt gesprek met ze aangaan. Maar je ziet ze niet. Het is: eerst een oneliner droppen en dan snel je verstoppen. Met Loket Leros maken we ook een statement tegen dit soort reacties. De menselijkheid voorop. Maar soms denk ik: ik ben helemaal klaar met dit Nederland.’
Geen dokter
Alles in de haven verraadt routine. Voor ik het weet zijn de vluchtelingen van boord gehaald, kalmpjes begeleid door de politie. Ze worden naar een open ruimte gebracht naast havencafé Leon Limani. Een paar toeristen maken foto’s. De politie vindt het best. Zwerfkatten lopen wat heen en weer, tussen de toeristen, de Grieken en de vluchtelingen door. De vrijwilligers zijn flesjes water aan het uitdelen. Het personeel van Leon Limani heeft het gyrosvlees al op de grill gelegd – beef and lamb only. Een jonge Griek rolt een winkelrek vol zakken chips tot aan het hek. Sommige vluchtelingen hebben euro’s bij zich. Ik zie mijn moeder zich voorover buigen naar een jonge vrouw – baby’tje in de armen, voorzichtige glimlach op haar gezicht. Baby how old? 28 days. All ok? Yes. Name baby? Abdel. De jonge moeder draagt jeans en is licht opgemaakt. Haar blauwe hoofddoek zit losjes om haar lange zwarte haar. En ja, mijn moeder mag een foto maken. Even later houdt ze Abdel in haar oma-armen.
Mijn moeder buigt zich voorover naar een jonge vrouw – baby’tje in de armen. Baby how old? 28 days. All ok? Yes. Name baby?
Een Deense toerist geeft zijn visitekaartje aan een jonge Syriër met opvallend groene ogen. Hij blijkt de vader van Abdel te zijn. Een Griek bromt: ‘Dat soort groene ogen zie je volgens mij alleen in Pakistan.’
Er is geen dokter of verpleger aanwezig om de vluchtelingen medisch te checken. Een paar weken geleden was er een Franse verpleegster, Stéphanie. Zij dringt er nu bij Artsen zonder Grenzen op aan een vaste dokterspost op te zetten. Nu komt AzG af en toe langs, alsof het gaat om een stationair vluchtelingenkamp. Maar de meeste vluchtelingen stappen na twee, drie dagen op de boot naar Athene.
Mooie prefab-woningen
Waar iedereen een rol lijkt te hebben in het dagelijkse havenritueel van Leon Limani, van de vluchtelingen tot en met de rondsnuffelende zwerfkatten, is er één man die zich met zichzelf geen raad weet. Het is Kasper, een Deen van Arabische afkomst. Hij blijkt ‘disaster manager’ te zijn, uitgezonden door een Deense NGO die speciaal is opgericht om Leros te helpen. Zijn taak is om rapport uit te brengen aan de thuisbasis over de vraag die iedereen op Leros bezighoudt: waar moeten de vluchtelingen gehuisvest worden nu de winter in aantocht is?
Die avond zit Kasper met een gepijnigde blik achter zijn laptop, in een hoekje van café Seven Gates, net om de hoek van het vluchtelingenterrein. Twee tafeltjes verder zitten de gedetacheerde experts van de VN, druk in de weer met iPads en mobieltjes. Elke dag opnieuw wordt hun gevraagd waarom de VN geen voedsel en goederen komt leveren. Maar zolang de vluchtelingenstroom niet als humanitaire crisis wordt bestempeld, zal dat niet gebeuren. Geen van hen wil praten – maar dat ze zich daar zelf ook ongemakkelijk bij voelen, druipt van hun gezichten.
Wie wel wil praten is Matina Katsiveli van het Leros Solidarity Network. Ze vertelt hoe de huisvestingskwestie tot een uitbarsting kwam, tijdens een door burgemeester Michalis Kollias belegde informatieavond. Kollias is het type stoere Griekse selfmade man, die een aantal bars en cafés uitbaat en die politiek gezien stevig aan de rechts-nationalistische kant staat. Hij kwam vertellen dat hij geld bij elkaar probeert te krijgen om een groot gebouw te restaureren voor de vluchtelingen, op een paar kilometer buiten de haven. Daarmee zouden de inwoners ontlast worden. De zaal mompelde instemmend. Het kon toch ook niet langer dat deze mensen dag in dag uit door onze straten zwerven en zich wassen in de wc’s van de cafés? Maar er klonken ook tegenstemmen. Eén daarvan was van Matina. Zij claimde dat de burgemeester haar drie dagen eerder nog steunde voor een snellere, simpeler oplossing: een leegstaand stuk ziekenhuis vlakbij de haven, dat in een paar dagen gebruiksklaar kan worden gemaakt. De zaal begon zich te roeren. Een handjevol mensen schreeuwde racistische teksten uit de koker van de Gouden Dageraad. De vrijwilligers hielden zich toen niet langer goed en verlieten huilend de zaal.
Mijn moeder is een paar dagen later verhaal gaan halen bij Kollias. Hoe lang gaat het duren, die grote verbouwing? ‘Oh, zeker een jaar,’ antwoordde Kollias. ‘Maar we zetten zolang mooie prefab woningen neer voor de vluchtelingen.’ En waar komt het geld vandaan? ‘Dat krijgen we van het ministerie, zodra dat met onze plannen instemt.’ Maar heeft de Griekse regering dan zoveel geld? ‘Oh, maar dat geld gaat uit Brussel komen. Maakt u zich geen zorgen. Don’t worry.’
Matina lacht schamper: ‘We hebben de burgemeester nog niet één keer bij de vluchtelingen gezien. Hij ziet ze enkel als business.’ Dat is volgens Matina ook de reden dat hij niet langer voor de snelle, simpele oplossing is. ‘Hij is bezig ergens grof geld aan te boren.’ Als ik vraag waar dat dan wel mag zijn, gebaart ze richting disaster manager Kasper.
Ik verkas van tafel. Kasper heeft weinig aanmoediging nodig om los te barsten. ‘De andere vrijwilligers hier hebben moeite met mij. Die zien me als agent van de burgemeester. En je weet wel waarom.’ Inderdaad, dat weet iedereen op Leros: de vrouw van de burgemeester is Deense. Of zij onderdeel uitmaakt van de Deense NGO of niet, een lijntje is gauw gelegd. Feit is dat de Deense NGO blijkbaar de middelen heeft om een CEO aan te stellen, en om een disaster manager naar Leros te sturen. Kasper ontkent het allemaal niet: ‘Als het meezit, krijgen we uit de VS echt a shitload of money. Maar…’ – en hier zucht hij diep – ‘ik loop hier nou twee dagen rond en geloof me, ik heb al heel wat landen gezien, maar zoals het hier gaat… ik heb zojuist besloten dat ik ga rapporteren dat we ons he-le-maal buiten die Griekse intriges gaan houden.’
Het zijn moedige mensen die hun verwoeste leven achter zich laten en opnieuw willen beginnen. Sterke mensen.
Zeep, alleen voor moeders
Die avond zit ik met mijn ouders nog tot laat aan tafel. Mijn moeder is in een bespiegelende bui: ‘Toen ik hier begon als vrijwilliger, dacht ik dat vluchtelingen zielige mensen waren. Maar wat zag ik? Een vrouw met twee kinderen die haar man in een rolstoel vervoert. Hij was na een hersenbloeding gehad rechtszijdig verlamd. Een man met zijn blinde broer, kinderen die hun oude verlamde moeder droegen… Dat zijn moedige mensen die hun verwoeste leven achter zich laten en opnieuw willen beginnen. Sterke mensen ook.’
Soms, als mijn moeder slippers of onderbroeken uit staat te delen, of andere dingen die populair zijn, drommen de vluchtelingen ongeduldig om haar heen. Ze heeft ondertussen geleerd om ze als een sergeant-majoor netjes in het gelid te krijgen. ‘Laatst lukte dat niet, ik werd min of meer bestormd door zo’n vijftig kerels. Ik begon toen maar het Wilhelmus te zingen. Dat werkte. Ze deden van schrik een stap terug.’
De volgende ochtend sta ik samen met mijn moeder boterhammen uit te delen aan de vluchtelingen. Daarna zeep, alleen voor moeders. Eerst de olijvenzeep, daarna het dozijn Dove-zeepjes. Zodra de Dove uit de doos komt, willen de vrouwen die de olijvenzeep kregen hun stuk inruilen. ‘Dove, Dove,’ zeggen ze zacht maar dwingend.
Mijn moeder staat weer met baby Abdel in de armen. ‘Je had eens moeten zien hoe het gezicht van die moeder oplichtte toen ik haar herkende. Vinden ze prachtig.’ Het is nog maar een paar dagen geleden dat mijn moeder een meisje van drie in haar armen kreeg gedrukt, van een jonge moeder. Haar man was een paar dagen eerder bij de bootramp omgekomen. ‘You take her,’ zei de moeder. ‘You keep her. With you she safe.’
Ik vertel mijn moeder dat het me raakt. ‘Ach jongen, dat hadden we allemaal de eerste dagen. Het wordt snel routine hoor. Alhoewel, gisteren bood een oudere heer me zomaar een sigaret aan. Daar was ik dan toch weer door verrast. Maar weet je wat het zwaarste hieraan is? Elke dag, elke keer weer afscheid te moeten nemen.’
Ik kijk om me heen: het terrein van de havenpolitie is niet groot. Het zit hier vol mensen die rustig een uiltje knappen of hun bekertje jus d’orange drinken. Het is prettig septemberweer, de politie schiet goed op met de registratie, en met een beetje geluk kunnen deze mensen vanavond mee met de boot naar Athene. Dan komt plotseling het bericht dat er weer vierhonderd nieuwe vluchtelingen in aantocht zijn. Mijn moeder glimlacht: ‘Tja, het is een mooie windstille dag hè.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.