Stephan Sanders verheugde zich op een woest vrijgezellenpartijtje. Maar als zijn partner op vakantie is loopt alles prompt in het honderd.

Ik ben een ‘achterblijver’, of zelfs een compleet ‘thuisfront’, zo noemt de reisorganisatie dat. Man is een week naar Italië, en ze bellen mij als het goed mis gaat. Gelukkig geen telefoontje. Maar wat vies tegenvalt voor de achterblijvende partij, is dat de gedroomde vrijgezellenvrijheid voor een weekje meer last dan lust oplevert.

Ik kan nu rustig één vaatdoekje gebruiken, zonder dat ik op mijn vingers word gekeken en uitgelegd krijg welke specifieke doek voor dat ene nauw omschreven doel bestemd is. Maar zo gaat dat als je lang bij elkaar bent: ik spreek mezelf toe, ik ben inmiddels zo geconditioneerd dat ik die doekjes allemaal uit elkaar houd, alsof ik straks lof zal oogsten van een niet-aanwezige Moeder.

Ik heb in mijn leven een paar keer samengewoond, maar nooit zolang als met deze man, en de wirwar aan hebbelijkheden en gewoontes die je met elkaar opbouwt staan er wat verweesd bij als die Ander niet meedoet. Hij gaat later naar bed dan ik, maar nu is mijn ijkpunt verdwenen en stommel ik onbestemd de nacht in. Ik ben degene die boodschappen haalt en kookt in huis. Daar is het de hele week niet van gekomen, want voor iets meer geld ga je naar die wat aanstellerige Marqt en warmt op. Kant en klare salade. Een fles wijn helemaal voor jezelf.

Ben je eindelijk aan elkaar gewend, begint het gejengel dat je je ‘onthand’ voelt in je eentje.

Verschrikkelijk veel moeite kost het om aan elkaar te wennen, en als dat dan een beetje lukt, begint het gejengel dat je je ‘onthand’ voelt in je eentje. Het is me vaker opgevallen: man gaat weg, en op dat moment verlies ik prompt alles. Huissleutels, bankpasje, fietsketting. Is dit een tamelijk doorzichtige manier om duidelijk te maken dat ik mijn status van achterblijver niet accepteer? Zo’n bankpas kan je weer aanvragen, gedoe, maar gelukkig heb ik nog een creditcard en omdat ze bij Marqt zo deftig zijn dat ze geen geld accepteren, sta ik met mijn veel te dure overbodige boodschappen bij een apparaat dat het niet doet. Dit is geen overlevingspakket. En toch zegt de man met baard die achter me staat: ‘Moet ik het even voor je afrekenen, dan geef ik je mijn rekeningnummer.’ En alsof het niets kost en wij nog samen hebben geknikkerd, wordt de zaak beklonken.

Er is op zaterdagmiddag in Amsterdam één Rabo-vestiging waar ze onwillige creditcards opnieuw activeren – want dat is volgens de telefonische medewerker het probleem. Ik race, ik ben hijgend net op tijd, ik zie nu toch ook de lol van dat alleen gaan en alleen staan en zelf alle sores overwinnen.

Blij naar huis, maar dan het volgende probleem: onderweg sleutels verloren. De weg nauwgezet terugfietsen, lange weg, bijna-botsingen, want vooral naar de grond staren heeft zo zijn nadelen. Nu begin ik mezelf zielig te vinden, het zelfmedelijden steekt zijn verongelijkte kop op – en ineens lijkt alles samen te spannen omdat ik ook Overal Alleen Voor Sta.

Dit is zo grotesk, dat ik zelf moet glimlachen om de dreinende peuter die ik zomaar even op de planken zet. Buren van de reservesleutels zijn niet thuis, dan het café maar in, en dat is geen goeie plek voor weifelmoedige mannen die twijfelen aan eigen kunnen.

Van het café krijg ik tenslotte een stuk plastic mee, mijn espadrilles zijn niet gemaakt op Amsterdamse stortregens, en ten slotte is er toch iemand thuis die me binnenpiept. Althans, in het trappenhuis. Want de huissleutel is bij de andere buurman die voor onbepaalde tijd met vakantie is.

Ik rol mijzelf op in mijn jasje dat aan het begin van de dag nog roomkleurig was en houdt de wacht voor de deur van het huis, waar zich nu een woest vrijgezellenpartijtje moest afspelen.