Ruim een week na de gemeenteraadsverkiezingen werd in de Beelaerts van Bloklandzaal in Paushuize, ‘Utrechts mooiste locatie voor bijeenkomsten in besloten kring’, het Van Mierlo Symposium 2014 gehouden. Zo’n honderdzestig D66’ers uit het hele land kwamen bijeen om te spreken over het hoogst actuele onderwerp ‘Hervormen vanuit idealen’.

Bij de koffie stonden de bezoekers elkaar uitvoerig te feliciteren met de geweldige verkiezingsoverwinning. D66 was voor het eerst in haar geschiedenis de grootste partij van het land geworden. In Amsterdam, Utrecht, Den Haag, Groningen en zelfs in voormalige industriële bolwerken als Enschede, Tilburg en Zaan­stad was D66 de nummer één. Op het symposium kwamen niet alleen de vertrouwde partijveteranen opdagen, maar ook opvallend veel twintigers en dertigers, goed in het pak. Terwijl de voorjaarszon door de hoge ramen naar binnen tuimelde, spraken oud-SCP-directeur Paul Schnabel en Kamerlid Wou­ter Koolmees over de noodzaak de sociale zekerheid, de arbeidsmarkt en de woningmarkt te hervormen. Ten slotte was het woord aan Joris Backer, D66-senator en voorzitter van de Mr. Hans Van Mierlo Stichting. De oud-vice-president van Shell Rusland en oud-directeur Corporate Legal bij Schiphol, tevens auteur van de verkiezingsprogramma’s van D66 in 2006 en 2010, stelde: ‘In de private sector heb ik geleerd dat als je een organisatie sneller dan organisch wilt laten groeien, een strategische fusie of overname voor de hand ligt,’ gevolgd door de vaststelling dat een fusie van de Demo­craten met wie dan ook helemaal niet meer noodzakelijk is: ‘In deze roerige tijden heeft de partij een vanzelfsprekende positie in de Ne­der­landse politiek verworven. D66 is volwassen geworden.’

Het moment suprême

Hoe anders was de stemming in het rampjaar 2006, toen D66 nul zetels dreigde te halen bij de verkiezingen. Alexander Pechtold, de nieuwe lijsttrekker, wist nog drie zetels voor de poorten van de hel weg te slepen.

Het mag dus een verrassing heten dat D66 acht jaar later de grootste partij van het land werd. In de peilingen had het er wel eens eerder op geleken, zoals in het najaar van 2011, toen de Democraten door Bureau Ipsos 25 virtuele zetels kregen toebedeeld. Altijd volgde de deceptie. Maar deze keer, in 2014, gebeurde wat zelfs de grootste optimisten in D66 niet hadden verwacht. Zelfs in het rode bastion Amsterdam wisten de Democraten de macht van de PvdA te breken.

Toen ik in de politiek begon, zei mijn vader: ik verkocht stenen, jij verkoopt ideeën. In beide gevallen is het belangrijk je klanten goed van dienst te zijn.

Wat is de verklaring van het succes? Veel genoemd wordt de impopulariteit van het kabinet-Rutte. Teleurgestelde PvdA-stemmers liepen over naar de SP of D66 of bleven thuis. Boze liberalen stemden uit protest tegen het nivelleringsfeestje van Diederik Samsom op de Democraten of helemaal niet. Bovendien wisten opvallend veel Marokkaanse en Turkse Ne­der­landers de weg naar de D66 te vinden: de enige partij die consequent ten strijde was getrokken tegen Geert Wilders.

Weinig aandacht kreeg tot nu toe dat de top van D66 al jaren in stilte werkt aan professionalisering van de partij. Decennialang stond D66 bekend als een club van goedbedoelende amateurs die de macht op het moment suprême altijd weer uit hun vingers lieten glippen. Maar dat, roepen invloedrijke D66’ers in koor, zal nu niet zo snel meer gebeuren: de partij is ongemerkt een soepel lopend bedrijf geworden.

Slaande ruzie

Volgens Alexander Pechtold begon de verandering in het vroege voorjaar van 2006, tijdens een besloten sessie in het Haagse herenhuis van Carla Pauw, jarenlang de trouwe adviseur van Hans van Mierlo, Jan Terlouw en Els Borst. Op dat moment moest Pechtold beslissen of hij zich kandidaat zou stellen voor het lijsttrekkerschap bij de komende verkiezingen. Aan­we­zig waren ook: toenmalig senator en huidig Kamerlid Gerard Schouw, de latere partijvoorzitter Ingrid van Engelshoven, huidig Euro­parle­mentariër Gerben Jan Gerbrandy en oud-penningmeester Frans van Drimmelen, die Pechtolds campagneleider zou worden. ‘Toen hebben we besloten dat niet alleen de inhoudelijke koers op de schop moest, maar ook de organisatie van de partij,’ zegt Pechtold. ‘Dat heb ik als keiharde voorwaarde gesteld voor mijn kandidatuur. Bij Carla thuis is de basis gelegd.’

In 2006 lag de partij in duigen. D66 deed als junior partner van CDA en VVD mee aan het tweede kabinet-Balkenende. Thom de Graaf, minister voor Bestuurlijke Vernieuwing, was opgestapt na het sneuvelen van de gekozen burgemeester in de Eerste Kamer. Alexander Pech­told, zijn opvolger in het kabinet, kreeg evenmin veel voor elkaar. De Tweede Kamer­fractie onder leiding van Boris Dittrich had het voortdurend aan de stok met de D66-bewinds­lieden. Na een slaande ruzie over de missie naar Uruzgan moest Dittrich het veld ruimen. Niet lang na de besloten sessie bij Carla Pauw blies de D66-fractie, inmiddels onder leiding van Lousewies van der Laan, de coalitie op. Volgens de peilingen namen de kiezers het de partij niet in dank af. In volle ernst werd overwogen D66 op te heffen.

Maar bij de verkiezingen van november 2006 wist Pechtold toch nog drie zetels te halen. Op de verkiezingsavond zat de nieuwe leider met zijn getrouwen op een hotelkamertje bij Artis op de rand van het bed naar de televisie te kijken toen Hans van Mierlo zich meldde. ‘Alex­ander,’ sprak de D66-oprichter, ‘je hebt niet drie zetels verloren, je hebt drie zetels gewónnen.’

Het bleef de slechtste uitslag bij Tweede Ka­mer­verkiezingen sinds het geboortejaar van de partij, 1966.

‘Voor D66 was het Stunde Null,’ zegt Alexander Pechtold. ‘Toen we in het kabinet zaten, waren we voortdurend aan het donderjagen, we waren alleen maar met onszelf bezig. Daar houden de kiezers niet van. Onze boodschap was niet helder. De organisatie was een chaos. De ledenadministratie klopte niet, acceptgiro’s werden naar de verkeerde mensen gestuurd, de brieven van het partijbureau zaten vol taalfouten. Afdelingen gebruikten vlaggen en campagnemateriaal met verschillende logo’s. Ik schrok me rot van wat ik aantrof.’

Wat Pechtold vooral stak, was dat hij als nieuwe partijleider zelfs niets te zeggen had over de samenstelling van zijn eigen Tweede Ka­mer­fractie. Voor de verkiezingen van 2006 werd hij uitgenodigd voor een bijeenkomst van de onafhankelijke stemadviescommissie in Hostellerie Schuddebeurs op Schouwen-Dui­ve­land: ‘een warm welkom in een unieke ambiance’. Daar werd hem droogjes meegedeeld wie er verder op de lijst kwamen te staan. ‘Ze behandelden me als een soort toeschouwer in plaats van als de lijsttrekker.’ Met moeite wist hij een plekje te bemachtigen voor Ageeth Tel­le­man uit Amsterdam en topambtenaar Kajsa Ollongren. Maar bij de schriftelijke stemming onder de leden werd de volgorde op de lijst overhoop gehaald zodat zijn beide droomkandidaten buiten de boot vielen. ‘Ik heb daarna gezegd: geef de lijsttrekker een mandaat zodat hij op zijn minst een stemadvies aan de leden mag geven. Ik voelde me als een loodgieter die op z’n knieën in een keukenkastje onder de lekkende gootsteen bezig was. Toen ik om een Engelse sleutel vroeg, kreeg ik een hamer.’ De conclusie die hij daaruit trok: ‘Nooit meer Schuddebeurs.’

Onder dat motto nam Pechtold zich voor de hele partij te professionaliseren. Hoe belangrijk dat in elke organisatie is, leerde hij al van zijn vader. ‘Hij was aannemer. Toen ik in de politiek begon, zei hij: ik verkocht stenen, jij verkoopt ideeën. In beide gevallen is het belangrijk je klanten goed van dienst te zijn.’ Ook zijn ervaring als veilingmeester bij Van Stockum kwam van pas. ‘Als klein veilinghuis moesten we keihard concurreren met grote jongens als Christie’s en Sotheby’s. Om dat vol te houden, moet je je zaken heel goed op orde hebben.’

D66 had zijn zaken helemáál niet op orde, vond hij.

Een ‘bruisende ideeënpartij’

Pechtold was niet de enige die aanstoot nam aan het houtje-touwtjekarakter van de partij. Gerard Schouw zat in het rampjaar 2006 voor D66 in de Eerste Kamer. De oud-wethouder van Dordrecht was van 1999 tot 2002 Pechtolds voorganger als partijvoorzitter geweest. Erva­ring buiten de politiek deed Schouw op als adviseur en projectleider bij Boer & Croon – ‘hoogwaardige dienstverlening op het gebied van consulting, corporate finance en management’, en als voorzitter van de raad van bestuur van Nicis, maatschappelijk topinstituut voor steden. Tegenwoordig is hij een van Pechtolds getrouwen in de Tweede Kamer­fractie. ‘Als senatoren waren we het amateurisme in de partij behoorlijk zat,’ zegt Schouw. ‘We vonden dat het zo niet verder kon. We hebben er een geëmotioneerde bespreking over gehouden, en ik heb toen een stuk geschreven waarin stond: of we gaan D66 reorganiseren, of de stekker kan eruit. Het was nogal hoekig geformuleerd, maar soms moet je mensen even schrik aanjagen om ze in beweging te krijgen.’ De Eerste Kamerfractie besloot ook: de kandidaat-lijsttrekker die de noodkreet ter harte neemt, krijgt onze steun. Schouw: ‘Ale­x­ander zei dat hij er wel wat in zag.’

Soms moet je mensen even schrik aanjagen om ze in beweging te krijgen.

Na de verkiezingen van 2006 zegde Pechtold het vertrouwen in partijvoorzitter Frank Dales op omdat hij zich niet door hem gesteund voelde. Gerard Schouw bleek bereid tijdelijk terug te komen als voorzitter. Een vertrouwelijke notitie van het bestuur met de aarzelende titel Door met D66? werd door Schouw herschreven tot het opbeurende rapport Klaar voor de klim. Het stond vol statistiekjes en grafiekjes met opgaande lijnen, klaar voor de powerpoint-presentatie. Schouw: ‘Je moet zo’n plan niet te dik maken, en niet te onduidelijk. Dat heb ik geleerd in de organisatiewereld.’

De essentie van Klaar voor de klim: D66 moest weer een ‘bruisende ideeënpartij’ worden. Daartoe diende de organisatie te worden verbouwd. Met expertpanels om mensen uit het bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld meer bij de discussie te betrekken, en met een scoutingcommissie die op zoek ging naar high potentials die in een talentenklas zouden worden klaargestoomd voor de bestuurscolleges in de gemeenten en de Tweede Kamer­fractie. Verder moest D66 in 2010 zijn gegroeid van tienduizend naar minstens vijftienduizend betalende leden. ‘Het waren concrete doelen waarmee de partij aan de slag kon,’ zegt Schouw. ‘Zo’n ledenwerfcampagne valt te managen, en het levert nog geld op ook.’

Alleen huiskamerbijeenkomsten

Op het D66-congres in Rotterdam, dat Klaar voor de klim omhelsde, werd Ingrid van Engels­hoven gekozen tot opvolger van Schouw als partijvoorzitter.

Ze was op dat moment nog in de dertig, maar had toch al ruime ervaring opgedaan in D66: als afdelingsbestuurder in Nijmegen in haar studententijd, als medewerker van de Kamer­fractie onder Hans van Mierlo en Gerrit Jan Wolffensperger en als lid van het partijbestuur. In 2006 maakte ze – net als Gerard Schouw – deel uit van het campagneteam van Pechtold. Twee jaar daarvoor was ze directeur geworden van de Stichting Verantwoord Alcoholgebruik, opgericht door de drankindustrie om in Den Haag te lobbyen tegen al te draconische anti-alcoholwetgeving. In 2009 werd ze partner bij Dröge en Van Drimmelen, het lobbybureau van Frans van Drimmelen, de oud-penningmeester van de partij die ook aanwezig was bij de voor de toekomst van Pechtold zo cruciale brainstorm ten huize van Carla Pauw. Als lijsttrekker in de gemeente Den Haag voerde ze D66 bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen naar een monsterzege.

Vanaf mei 2007 trok Van Engelshoven het land in om te inspecteren wat er nog over was van de afdelingen. Ook zij schrok zich rot. ‘In veel gemeenten waren we zo klein geworden dat er alleen nog maar huiskamerbijeenkomsten werden gehouden. We hadden twaalf jaar op rij verkiezingen verloren. We waren een partij van losers geworden.’ De ene afdeling gebruikte nog affiches en folders uit de tijd dat D66 nog met een apostrof geschreven werd, bij de andere hingen verbleekte groene vlaggen uit de jaren tachtig. ‘Ik heb er wel eens een in beslag genomen, want met zulk spul kon je echt niet meer aankomen.’

Het landelijk bureau kreeg een nieuwe slagvaardige directeur, Robert Strijk, die zijn carrière begon bij Deloitte & Touche. Pechtold kende hem uit Leiden, waar hij de binnenstad had gerevitaliseerd. Het landelijk bestuur introduceerde een nieuwe huisstijl, die door alle afdelingen gebruikt moest worden. Een commissie onder voorzitterschap van Ingrid van Engelshoven regelde dat Pechtold meer te zeggen kreeg over de samenstelling van de Kamerlijst. De leden hielden het recht de volgorde van de lijst te bepalen, maar de onafhankelijke stemadviescommissie werd vervangen door een gremium dat bestond uit de lijsttrekker, de partijvoorzitter en één onafhankelijk lid.

Voor wethouderschappen werd voortaan geen beroep meer gedaan op mensen die toevallig boven waren komen drijven. Er kwam – zoals in Klaar voor de klim al was voorgesteld – een professioneel selectietraject, gerund door Rudi Nieuwenhoven, oud-personeelsdirecteur bij KPN en oud-directeur sociale zaken bij werkgeversorganisatie VNO-NCW. Aan de nieuwe werving & selectiemethode dankt D66 succesvolle Kamerleden als Wouter Koolmees, het rekenwonder van het ministerie van Financiën, en Kees Verhoeven, directeur van MKB Amster­dam. Om de professionele scouting en ­coaching te bekostigen, werd later de Business Club D66 in het leven geroepen, waar ondernemers en leiders van bedrijven voor minimaal 366 euro per jaar lid van konden worden om ‘direct en eerlijk’ in contact te komen met landelijke politici en hun adviseurs.

Intussen werd op lokaal niveau streng opgetreden tegen afdelingen die hun zaken niet op orde hadden of vechtend over straat gingen. Zoals de beruchte afdeling Roosendaal. ‘Ik heb ze gemeld: jullie mogen niet onder de naam D66 aan de gemeenteraadsverkiezingen deelnemen,’ zegt Van Engelshoven. ‘Niemand had gedacht dat ik dat zou durven, maar het was wel nodig.’

Organiseren was altijd het ondergeschoven kindje van D66 geweest. ‘Dat was onze traditionele makke. Hans van Mierlo ging heel verveeld kijken als je het erover had, en hij was niet de enige. In die cultuur hebben wij verandering gebracht.’

Vijf richtingwijzers

In het voorjaar van 2009 namen Van Engels­hoven, Pechtold en Schouw met zijn drieën hun intrek in een bed & breakfast nabij het Gra­vensteen in Gent. De organisatie stond enigszins op de rails. De ledenwerfcampagne begon vruchten af te werpen. De target van vijftienduizend leden was al bijna gehaald. Ook aan de boodschap van D66 was inmiddels gesleuteld. De partij van de twijfel moest heldere standpunten leren innemen. Als voorzitter van de Permanente Programmacommissie – ook een nieuwe uitvinding – had Joris Backer vijf ‘richtingwijzers’ opgesteld die de geloofsbelijdenis van de partij moesten vormen, zoals: ‘vertrouw op de eigen kracht van mensen’ en ‘denk en handel internationaal’. Maar dat klonk nog wat abstract.

De meritocratie heeft aan belang gewonnen.

In Gent boog het supertrio van D66 – de partijleider, de fractieleider in de Eerste Kamer en de partijvoorzitter – zich over de vraag hoe de richtingwijzers konden worden omgezet in concrete politiek. Wat waren de unique selling points van de partij? Samen stelden ze een ‘hervormingsagenda’ op die op alle niveaus moest worden uitgedragen, van de Tweede Kamer­fractie tot de gemeenteraden. Inves­teren in onderwijs en hervorming van de arbeidsmarkt en van de woningmarkt vormden de crux. Pechtold: ‘Boris Dittrich en Lousewies van der Laan wilden van de staatsrechtelijke vernieuwing uit de tijd van Hans van Mierlo af. Wij hielden daar wel aan vast, maar als onderdeel van een breder pakket dat ook uit sociaal-economische hervormingen bestond. Dat gingen we zo wervend mogelijk uitdragen.’

Van Engelshoven: ‘D66’ers hebben altijd moeite gehad met het weglaten van de zin achter de komma. In Gent hebben wij ervoor gekozen onze positie helder te maken.’

De slagkracht van een CEO

In de hal van het partijbureau aan de Hoge Nieuw­straat, vlakbij het Binnenhof, staat een bronzen borstbeeld van Hans van Mierlo. Op de stemmig grijs geschilderde wanden prijken de richtingwijzers van de Permanente Pro­gram­macommissie: ‘Beloon prestatie en deel de welvaart’, ‘Koester de grondrechten en gedeelde waarden’. In de vergaderzaal hangt een collage van krantenartikelen over de glorieuze overwinning van 19 maart.

Om de tafel zitten drie generaties D66’ers. Joris Backer (61), voorzitter van de Mr. Hans van Mierlo Stichting, Marty Smits (41), vicevoorzitter van het partijbestuur en opvolger van Backer als voorzitter van de Permanente Pro­grammacommissie, en Jieskje Hollander (30), staflid en in Groningen gepromoveerd op het onderwerp Europese integratie. Samen met Hans Wijers, oud-minister en oud-topman van AkzoNobel, schreef Smits het meest recente verkiezingsprogramma voor de Tweede Ka­mer: En nu vooruit. In het dagelijks leven is hij partner bij de Boston Consulting Group, waar Wijers voor zijn overstap naar Akzo senior vicepresident was. Samen maken ze de balans op van de vernieuwing in de partij.

Backer: ‘Bij Shell en Schiphol heb ik geleerd wat de waarde is van organisatieprincipes als: denk strategisch, zet de juiste man op de juiste plaats en zorg voor solide financiën. D66 heeft het belang daarvan te lang ontkend. Onze politiek leider heeft nog steeds niet de slagkracht van een CEO in het bedrijfsleven, maar het gaat de goede kant op. De partij is strakker georganiseerd, er is meer vertrouwen in de politieke leiding en er is niet meer de hele tijd overal discussie over.’

Smits: ‘De sleutel tot succes is professionaliteit. Daar hebben we hard aan gewerkt. De vrijblijvendheid is er af.’

Backer: ‘Nou, bij D66 valt de vrijblijvendheid nooit helemaal uit te bannen, maar wel te verminderen.’

Smits: ‘Als je vijftien jaar had geflyerd, werd vroeger gezegd: nu heb je recht op een wethouderschap of een zetel in de gemeenteraad. Nu staat de kwaliteit voorop. We durven tegen mensen te zeggen: nee jij niet, dit is een tikkeltje te groot voor jou.’

Backer: ‘We hebben te lang geleefd in de nadagen van de jaren zestig en zeventig, toen ieders mening evenveel waard was. Nu geven we veel meer aandacht aan de mening van de experts.’

Smits: ‘Je kunt wel volhouden dat alle meningen gelijkwaardig zijn, maar dat is niet zo.’

Backer: ‘De meritocratie heeft aan belang gewonnen.’

Hollander: ‘Ik ben bij D66 gekomen in 2009 omdat ik dacht: die mensen deugen. Voor mijn generatie is het heel normaal dat er aan scouting wordt gedaan, en dat je beoordeeld wordt op je talent.’

Smits: ‘Wat we nu meemaken, is de volwassenwording van D66.’

In de onderste la

Strategisch denken, je financiën op orde hebben, geen ongeschikte types op verantwoordelijke functies zetten: het lijken allemaal open deuren voor een politieke partij. Waarom heeft D66 dat niet al veel eerder bedacht?

Het antwoord: het ís al eerder bedacht, maar het kwam er niet van. Frans van Drimmelen was van 1999 tot 2004 penningmeester van D66. Zijn professionele credits: stafmedewerker bij VNO-NCW, algemeen secretaris van Jong Management en senior adviseur bij het bureau Bikker Communicatie. Op zijn visitekaartje staat: ‘Dröge & Van Drimmelen corporate communication & public affairs’.

Je ziet dat de aan dacht voor scouting en coaching zich nu uitbetaalt.

Als lid van het partijbestuur stelde hij in 2003 al voor een ‘strategieteam’ in te stellen dat D66 toekomstbestendig moest maken. Alexander Pechtold, die partijvoorzitter was, werd zozeer in beslag genomen door het blussen van brandjes in de partij (‘Een nieuwe koers uitzetten was toen niet mijn ding’) dat hij de zaak overliet aan zijn penningmeester. Met enkele partijgenoten schreef Van Drimmelen de nota Sociaal-liberale strategie naar 2010. Met daarin toen al het voorstel met scoutingcommissies en talentenklasjes te beginnen.

Het plan stuitte op hevig verzet van de Tweede Kamerfractie, op dat moment aangevoerd door Boris Dittrich, die volgens D66-huis­his­to­ri­cus Menno van der Land laconiek opmerkte: ‘Leuk dat mensen in de partij willen meedenken, maar ze weten niet altijd hoe het in de politiek gaat.’ Van Drimmelen: ‘Tegen ons zei de fractie: jullie moeten geen politiek bedrijven, hou je erbuiten.’ Er werd werk gemaakt van de reorganisatie van het partijbureau, maar de strategienota verdween in de onderste la.’

De urgentie om het amateurisme te lijf te gaan, werd door een groot deel van de partij nog niet gevoeld, analyseert de expert in public affairs. De partij had nog zes zetels in de Kamer en honderden gemeenteraads- en Statenleden in het land. ‘De situatie was nog niet erg genoeg. Pas in 2006 werd de nood zo hoog dat niemand er meer omheen kon.’

Pechtold, volgens van Drimmelen een ‘heel goede marketingman’, onderschrijft dat oordeel: ‘Eigenlijk was het een voordeel dat er in 2006 bijna niets meer van D66 over was. Daardoor konden we een nieuw begin maken.’

Jonge Turkse ondernemers

Op 4 juni 2009 heerste er een uitgelaten stemming in salsaclub Havana aan het Haagse Bui­ten­hof. D66 vierde haar eerste verkiezingsoverwinning in vijftien jaar. Met een uitgesproken standpunt – ‘Europa? Ja!’ – sleepten de De­mo­craten niet twee maar drie zetels in Brus­sel in de wacht. Ingrid van Engelshoven herinnert zich de euforie nog als de dag van gisteren. ‘Ik dacht: dit is het keerpunt waarop we zo lang hebben gehoopt.’

Sindsdien vertonen de grafieken bij de powerpoint-presentaties van D66 alleen nog maar een stijgende lijn. Tien zetels bij de Tweede Kamerverkiezingen van 2010, twaalf zetels twee jaar later. Van nog geen drie naar acht procent bij de Provinciale Statenverkiezingen van 2011, van acht naar twaalf procent bij de gemeenteraadsverkiezingen van 19 maart jongstleden. D66 veroverde bijna alle grote steden. Het ledental is inmiddels de 24.000 gepasseerd. Sinds maart zijn er alweer vijfhonderd nieuwe leden bij.

Bij de gemeenteraadsverkiezingen kon D66 van twee ontwikkelingen profiteren. In steden met een universiteit of hogeschool zit de bevolkingsgroei de afgelopen jaren vooral in hoogopgeleide young urban professionals die er na hun studie blijven hangen. Juist zij voelen zich aangetrokken tot de eerste drie richtingwijzers: vertrouw op de eigen kracht van mensen, denk en handel internationaal en beloon prestatie. Bij die bevolkingsgroep valt dat beter dan de paternalistische pleidooien voor nivellering van de PvdA.

Vanaf dat moment dacht ik: we kunnen in Amsterdam de grootste worden.

Richtingwijzer nummer twee – denk en handel internationaal – zorgde ook voor een onverwacht goede uitslag onder kiezers van Turkse en Marokkaanse komaf. Terwijl VVD, CDA en PvdA jarenlang bezig waren de Wilders-stem­mer niet te veel van zich te vervreemden, zagen allochtonen op de televisie maar één politicus die voortdurend van leer trok tegen de geblondeerde PVV-leider: Alexander Pech­told. Jonge Turkse ondernemers die de VVD teveel Wilders-light vonden, kozen voor het eerst massaal voor D66. Ook onder Marok­kaan­se Nederlanders, voorheen nog trouw aan de PvdA, werden opvallend veel stemmen op de Democraten uitgebracht.

Bovendien slaagde D66 er beter dan ooit in een professionele campagne op touw te zetten. De flyers en de folders lagen op tijd klaar, de campagnebus verscheen op het juiste moment, en er werd een record aantal vrijwilligers op de been gebracht om de wijken in de trekken. Niet alleen in welvarende buurten als Amsterdam-Zuid en het Haagse Benoordenhout, maar ook in volkswijken als Slotervaart en Transvaal.

In Amsterdam de grootste

Op een terras aan de Amstel zit Jan Paternotte, fractieleider van D66 in Amsterdam. Op zijn tweeëntwintigste was hij al duo-raadslid. Als voorzitter van de Jonge Democraten viel hij op met ludieke acties als de bezetting van het FNV-hoofdkantoor (hij was het niet eens met de vakbondsacties tegen afschaffing van de VUT), het binnendragen van een stoel voor jongeren in het SER-gebouw (uit protest tegen de dominantie van de grijze mannen in het polderoverleg tussen werkgevers en werknemers) en het wekenlang stalken van Geert Wilders tijdens de grondwetcampagne van 2005. Politiek adviseur Carla Pauw introduceerde hem in de inner circle rond Alexander Pechtold. De high potential uit Amsterdam schreef ook mee aan de ‘richtingwijzers’ van Joris Backer. Nu, op zijn dertigste, is hij erin geslaagd de PvdA van de troon te stoten in de hoofdstad. Op het moment dat we hem spreken, is hij druk in de weer met de onderhandelingen over een nieuw college. Eén kandidaat-wethouder heeft hij al via Twitter kunnen presenteren: secretaris-generaal van het ministerie van Algemene Zaken Kajsa Ollongren.

Paternotte wist dat hij bij de verkiezingen de steun kon krijgen van hoogopgeleide jonge ouders, die er tabak van hadden dat het door de PvdA gedomineerde stadhuis voor hen probeerde te bepalen naar welke school hun kind moest. Ook met de steun van de studenten zat het wel goed. Maar de grote verrassing kwam toen politicoloog André Krouwel een paar weken voor de verkiezingen op de plotselinge populariteit van D66 onder Turkse en Marok­kaan­se Nederlanders wees. ‘Vanaf dat moment dacht ik: we kunnen in Amsterdam de grootste worden.’

Hij schetst hoe zakelijk en doelgericht D66 bij de voorbereiding van de gemeenteraadsverkiezingen te werk is gegaan. Vier jaar geleden werden de kandidatenlijst en het verkiezingsprogramma pas in de laatste maanden in elkaar geknutseld. Nu lagen ze in september 2013 al klaar. Speerpunt van de campagne moest het onderwijs worden. Experts als Thom de Graaf, nu voorzitter van de HBO-raad, werden geraadpleegd. Een onderwijsteam ging bij alle scholen langs, ook in probleembuurten als Am­ster­dam-Noord en Nieuw-West. In mei vorig jaar had Paternotte al een lijst van mogelijke wethouders op zak. ‘Je ziet dat de aandacht voor scouting en coaching zich nu uitbetaalt. Ik heb het gevoel bij een heel professio­nele club te horen.’

Kwikstaartje

Een jaar voor zijn dood gaf D66-oprichter Hans van Mierlo zijn laatste interview aan Vrij Ne­der­land (dit dubbelinterview vindt u hier). Het ging over de vele electorale pieken en dalen die de partij sinds 1966 had meegemaakt. Van Mierlo vergeleek de verkiezingsuitslagen van de Democraten met de vlucht van de kwikstaart: een vogeltje dat telkens een glijvlucht naar beneden maakt en dan weer omhoog. ‘Het nadeel van een partij die in de onderste luchtlagen vliegt, is dat ze de bodem kan raken. Bij een kleine partij als D66 is dat altijd mogelijk.’

Heeft D66 inmiddels beter leren vliegen? Zijn de bovenste luchtlagen definitief bereikt? Gerard Schouw is er nog niet helemaal gerust op. ‘We presteren nu al zeven jaar boven verwachting,’ zegt de auteur van Klaar voor de klim. ‘Als je met elkaar een plan maakt en het komt nog uit ook, is dat geweldig. Maar het is pas echt gelukt als we nog tien jaar zo doorgaan.’

Alexander Pechtold: ‘Als we daarin slagen, zijn we van een kwikstaartje een trekvogel geworden.’

Van Mierlo’s campagnespot uit 1967Het beroemdste filmpje van Hans van Mierlo is ongetwijfeld de campagnespot uit 1967, waarin de D66-oprichter in lange regenjas langs de gracht wandelt en via de voice-over de kijker toespreekt. In de studio aangekomen neemt hij plaats voor de camera: ‘Ik moet proberen het goed te vertellen.’ In het filmpje spreekt Van Mierlo niet alleen over zijn geloof in politieke vernieuwing, maar bekent hij ook hoe chaotisch de oprichting van de jonge partij was verlopen: ‘Vraag niet hoe, en met welke zorgen, en hoe vlug het moest.’ Het gebrek aan een professionele partijorganisatie zou D66 nog decennia achtervolgen.