Wolkers’ zwarte wolk

Toen Jan Wolkers op 24 oktober 2007 na een lang en bewogen leven werd gecremeerd, met achterlating van een oeuvre dat bol staat van levenslust en doodsdrift, ging met hem mee in de oven een klein doosje met daarin de haarlok van een meisje. Neem jij dat maar mee, had Eric Wolkers, Jans oudste zoon, gedacht toen hij het doosje in zijn vaders doodskist legde. De haarlok was van Erics overleden zusje geweest, Eva Wolkers.

Eric Wolkers haalt rustig adem als hij over de doden spreekt. De knellende astma die zijn vader zijn leven lang parten speelde, heeft hij niet. De zware shag dampt bij Eric lekker door. Geboren in 1948 in Leiden (zijn vader was 22) nadert hij nu zelf de pensioengerechtigde leeftijd. Eric is fotograaf, kunstenaar en vrije geest, en woont met vrouw in Enk­hui­zen. Hem voor het eerst ontmoeten is ontregelend, zo sterk lijkt hij in uiterlijk, woord en gebaar op zijn beroemde vader. Een vader met wie Eric het niet altijd makkelijk heeft gehad.

Jan Wolkers was een overheersende man (‘Hij kon zo tetteren, hè,’ zegt Eric, maar het klinkt als Jan), een vader die een wandeling door de natuur tot een overhoring kon maken, waarbij de zoon de namen moest noemen van elk plantje en diertje dat onderweg werd aangetroffen. Een vader die achter hem stond toen Eric aan de tekentafel zijn eerste schetsen maakte, en elke pennenstreek van kritisch commentaar voorzag. Zie daar maar eens onderuit te groeien als zoon. Dat is Eric gelukt. Hij zegt dat hij nu kan schilderen en fotograferen zonder dat hij Jans adem nog in zijn nek voelt.

Ook dat zijn moeder en hijzelf het geregeld moesten ontgelden onder Jans losse handen, is Eric bereid weg te strepen als een deels door de moraal van die dagen ingegeven zwakte. En er stond veel tegenover: Jan was inspirerend, zorgzaam en toen het hem voor de wind begon te gaan ook gewoon gul.

Wat voor deze ‘zoon van’ veel moeilijker blijkt te zijn, is het afschudden van de schaduw die boven het gezin Wolkers heeft gehangen sinds die noodlottige dag, 10 juni 1951, toen zijn zusje is omgekomen.

Eva, twee jaar oud, zat boven in de wastafel, bij wijze van bad. Ze is daar alleen gelaten en heeft de hete kraan opengedraaid. Pas toen het water beneden langs de muren begon te druipen, begrepen de ouders dat er iets mis was. Jan is niet met zijn vrouw mee naar boven gegaan. Eva heeft nog enkele uren geleefd maar is in het ziekenhuis aan haar brandwonden bezweken.

Eric was toen drie. Of hij zelf thuis was op het moment van het ongeluk, weet hij niet. Of de ruzie die zijn ouders hadden, waardoor ze het meisje alleen hadden gelaten in die wastafel, misschien over hem ging, is een vraag die soms nog aan hem knaagt.

Eh-eh-eh

Wat Eric met zich meedraagt, is niet zozeer het trauma van het ongeluk, of het gemis van een zusje dat er maar zo kort is geweest, maar de manier waarop zijn ouders omgingen met hun rouw. Beter gezegd: daar niet mee omgingen. Bovenop de dood van het meisje kwam de dood van hun onderling contact, resulterend in een gefaseerde scheiding, en daar bovenop kwam het anathema, de dood van het onderwerp. ‘Over Eva werd niet meer gesproken. Niet! Nooit! Never!’ zegt Eric op een toon waar de verbazing nog steeds niet uit is verdwenen. Eric kreeg een nieuw broertje, Jeroen, geboren in 1953. Toen de afgrond tussen hun ouders onoverbrugbaar was geworden (beiden hadden intussen ook een andere relatie), verhuisden de jongens met hun moeder naar een woning een paar straten verderop. De contacten bleven, maar het echte contact was weg.

Erics moeder, Maria de Roo, was een dochter van goeden huize. Wolkers’ biograaf Onno Blom vond in het archief een brief uit 1947 waarin Wolkers haar omschrijft als ‘een vrouw, met wie je kunt praten over de dingen die je ziel beroeren, en die de waarde weet van een gedicht van Bloem, gezegd voor het venster openstaande op een lauwe voorjaarsavond’.Voordat zij Jan Wolkers ontmoette, was Maria de geliefde van schrijver Hans Warren. Die bleef zijn leven lang – ook al bekende hij zich tot de herenliefde – een aanbidder van zijn ‘zwijgzame Sybille’. Nog op zeer hoge leeftijd fluisterde hij Eric toe: ‘Jij had mijn zoon kunnen zijn, jongen.’ Met wolkeriaans bulderende lach vertelt Eric het na. ‘Dan zei ik: nou, Hans, rustig aan, hoor.’ Warren kwam ook na het ongeluk bij de familie Wolkers over de vloer, en getuigde in zijn Geheim dagboek van de ruziënde sfeer die er altijd hing. Een dochter van Wolkers’ buurman van destijds, de beeldhouwer Marius van Beek, heeft later aan Eric verteld hoe verstikkend het in zijn ouderlijk huis was, vanwege de ruzies en het beladen zwijgen van Jan en Maria.

De plaats van handeling was nochtans idyllisch. In de jaren dertig was in de Amsterdamse Zomerdijkstraat bij wijze van experiment een serie atelierwoningen gebouwd. Voor 75 gulden per maand konden kunstenaars er wonen (aan de voorkant) en werken (aan de achterkant, onder hoge ramen waardoor het noorderlicht naar binnen viel). Behalve Wolkers en Van Beek woonden er nog veel meer beeldhouwers, toewijzing geschiedde via de Rijksakademie. Nummer 22, waar Wolkers woonde, was het huis van beeldhouwer en verzetsstrijder Gerrit van der Veen geweest.

In het kerstnummer van Vrij Nederland uit 1981 stond een interview van Frits Barend en Henk van Dorp met Jan Wolkers en zijn derde vrouw Karina, over zijn gevoelens toen hij in 1980, na dertig jaar, de Zomerdijkstraat verliet om op Texel te gaan wonen. Daarin zegt Wolkers: ‘“Het was afscheid van veel mensen die me lief en dierbaar zijn geweest, van eh-eh-eh… nou van mijn kat Voske, van Gerrit Jan van der Veen. Ik woonde daar dertig jaar, ik –” Een lange stilte. Zenuwachtig schuifelen op de stoel (…) Wolkers, langzaam en zacht pratend: “Sorry, ik kan niet meer. Laten we even stoppen.” Zijn ogen tekenen rood, hij maakt slikkende geluiden (…) We zitten zwijgend tegenover elkaar. Karina kijkt omhoog. Ze fluistert zonder richting: “In dat huis is een dochtertje van Jan omgekomen.”’

Eh-eh-eh, verder dan de eerste letter van haar naam komt hij niet, Karina moet het voor hem oplossen.

Meer Eva’s

Eric Wolkers heeft vaak geprobeerd om een gesprek met zijn vader aan te gaan over wat er precies is gebeurd. ‘Dat stuitte altijd op een betonnen muur. Ik kreeg het er niet uit. Ik vroeg dan: hoe zit het nou echt in elkaar? Wat is er nou precies gebeurd? Want als kind hoor je zus en je hoort zo. En dan heb je ook nog eens een hele periode waarin je rondloopt met de vraag: heb ik er zelf ook een rol in gehad? Was die ruzie niet om mij? Net als Jan kreeg ik schuldgevoel.’ De optelsom van het ongeluk en daarna het zwijgen erover noemt Eric ‘de zwarte wolk’.

Onbeantwoorde vragen en schuldgevoelens laten zich niet verbranden in een crematorium en gaan niet vanzelf weg. Eric heeft niet eerder in het openbaar zijn verhaal willen doen. Maar thuis met zijn vrouw heeft hij er veel over gepraat. ‘Ik heb ook wel eens periodes gehad dat er niks uit mijn vingers kwam. Maar in je huwelijk word je bij de les geroepen, dan moet je vertellen wat je dwarszit.’ Bijvoorbeeld over het gevoel dat Jan nog steeds achter hem stond zodra hij een kwast op het doek wilde zetten. ‘Ik hoor het hem nog zeggen: “Nou, daar maak jij je wel een beetje met een jantjevanleien van af.” Altijd als ik iets doe op die manier, hoor ik mijn vader dat zeggen. Dan zeg ik tegen mijn vrouw: “Jan staat weer tegen me te kletsen.” “O,” zegt zij dan, “Jantjevanleien bedoel je?”’ Ook over de zwarte wolk die sinds het ongeluk met zijn zusje ‘eigenlijk alles verpestte’ sprak Eric met zijn vrouw. Zijn eerste dochter heeft Eric Eva Maria genoemd. ‘Maar dat zegt op zich niks, hoor, er zijn wel meer Eva’s in de familie.’ En dan: ‘Misschien was die naam ook wel weer een poging van mij om het gesprek met Jan open te breken.’

Erics vrouw spoorde hem aan om nog eens met ‘tante Janna’ te gaan praten, een zuster van Jan Wolkers. Die zou hem vast meer kunnen vertellen over hoe de vork in de steel heeft gezeten die dag. ‘Maar tante Janna was al oud en der dagen zat,’ moest Eric constateren toen hij haar opzocht. ‘Ze wilde er niet over praten. En om zo iemand dan het vuur na aan de schenen te gaan leggen, daar had ik geen zin in.’

Rouwverwerking was geen begrip dat erg in zwang was in het naoorlogse Nederland. En zeker niet in huize Wolkers. ‘Nee,’ zegt Eric, ‘dat heb ik niet geleerd. Er was veel om over uit te huilen, maar ja, het gaat zoals het gaat.’ Het idee om professionele hulp te zoeken, kwam in de familie Wolkers bij niemand op. De wolk was zo groot en dicht dat het jaren kostte voordat Eric überhaupt kon zien dat het een wolk was, dat hij er ook onderuit kon.

Voor Jan Wolkers is dat inzicht nooit gekomen. De wolk sloeg naar binnen en veroorzaakte zijn astma. ‘Als er iets gebeurde wat je tegenwoordig stress zou noemen, dan begon Jan te piepen,’ vertelt Eric. ‘Toen ik achttien of negentien was, wilde hij me nog een keer een pak op mijn sodemieter geven. Maar dat heb ik niet laten gebeuren, toen heb ik hem een paar beuken gegeven. Echt hard ook. En toen kon hij meteen de ambulance bellen, want hij werd helemaal paars van benauwdheid.’

Lichamelijk geweld

Zou die gewelddadige kant van Jan Wolkers ook iets te maken gehad kunnen hebben met de onverwerkte rouw om de dood van zijn dochtertje? Dat het meer was dan een incidentele tik is inmiddels gevoeglijk bekend. In een aflevering van Benali boekt begin dit jaar, gebruikte Annemarie Nauta, Wolkers’ tweede vrouw met wie hij in het atelier in de Zomer­dijkstraat ging samenleven terwijl Maria, Eric en Jeroen nog aan de straatkant woonden, het begrip ‘lichamelijk geweld’. Ze keek erbij op een manier die geen ruimte liet voor misverstand. Eric noemt het, vanuit zijn perspectief, ‘kindermishandeling’. Hij vertelt: ‘Jan had zo’n houten lat om de klei mee op het armatuur te rammen, en daar kreeg ik mee op mijn flikker. Echt over de knie en rammen. Niet een tikje, hoor. Echt dat ik een dag niet kon zitten.’ Later heeft Eric van Jan te horen gekregen: ‘Die lijfstraffen, dat moest van je moeder.’ Maar die kreeg er zelf ook van langs. Niet alleen werd ze geslagen, als ze naar Jans zin te lang in bed bleef liggen, kieperde hij zo een pan koud water over haar slapende lijf.

Tegenover de buitenwereld hield Jan Wolkers er een andere opvatting over lijfstraffen op na. Aan de Leeuwarder Courant vertelde hij in 2002 over het schoolhoofd dat in zijn jeugd had beslist dat hij naar de ulo moest. ‘Een klootzak, zeg maar gerust (…) een ploert. Ons mocht hij niet meer slaan, dat was bij de wet verboden, maar zijn eigen kinderen sloeg-ie wel, voor de klas. Op een perverse manier.’

Voor Eric zijn de ‘aframmelingen’ van zijn vader er de oorzaak van ‘dat de liefde voor hem dubbel is. Des te meer daar Jan het later met Tom en Bob (de tweeling die hij met zijn derde vrouw Karina kreeg) zo verschrikkelijk anders heeft gedaan. Dat is wel begrijpelijk natuurlijk, toen had hij zijn fouten al gemaakt. Maar wij dachten wel: godverdomme.’ Maar Eric gelooft niet dat het gewelddadige in zijn vader iets met diens onverwerkte rouw te maken heeft. Dat geldt wel voor de astma. ‘Ja,’ zegt Eric, die zich zijn vader herinnert met steevast een puffertje Ventolin onder handbereik, ‘dat denk ik zeker. Als hij dat eruit had gegooid, was het zeker beter geweest met die astma.’

Geen medelijden

In zijn werk heeft Jan Wolkers het verdriet om zijn verloren dochter er tweemaal ‘uitgegooid’: een keer als beeldhouwer en een keer als schrijver. In 1956 kreeg hij van de gemeente Kruiningen de opdracht een beeld te maken ter nagedachtenis aan de watersnoodramp van 1953. Dat beeld toont een vrouw met een dood kind in de armen, waarvan alleen een handje te zien is, de rest gaat schuil onder een doek. Pas een halve eeuw later trad Wolkers naar buiten met de ontstaansgeschiedenis van het beeld. Bij de vijftigste herdenking van de watersnoodramp vertelde hij aan de Provinciale Zeeuwse Courant dat Maria er model voor had gestaan, met hun zoontje Jeroen, die vlak na de ramp werd geboren, in haar armen: ‘Dat heeft natuurlijk sterk te maken met dat andere kindje. Daarom heeft het zoiets echt triests gekregen. Het kwam echt uit mijzelf, anders had ik wel een vrouw met zo’n Zeeuwse kap op het hoofd gemaakt, zoals ze ook bij de onthulling van het beeld stonden. Ik had dit beeld nooit kunnen maken als dat ongeluk niet gebeurd was.’

Als schrijver heeft hij het lot van ‘dat andere kindje’ beschreven in de roman Een roos van vlees, die in 1963 is verschenen, twaalf jaar na het ongeluk. De hoofdpersoon, Daniël, worstelt even hard met zijn wrok als met zijn astma, sinds hij alleen is achtergebleven in het huis waar zijn dochter in het hete water is verbrand, zijn vrouw en twee zoons zijn verderop gaan wonen. In Erics woorden: ‘Ons eigen verhaal.’

Medelijden met zijn vader heeft hij bij het lezen – en voor dit interview weer herlezen – van het boek nooit gevoeld. De lezer krijgt naar Erics zin te veel de indruk opgedrongen dat de moeder de schuldige is aan het ongeluk, ook al stikt Daniël in het boek bijna van zelfverwijt. Als hij maar geen ruzie had gemaakt, als hij maar mee naar boven was gegaan, als… Eric kapt de opsomming af: ‘Als, als, als!’ Doordat hij na de scheiding met zijn moeder meeging en niet bij zijn vader bleef, trekt hij misschien intuïtief eerder partij voor haar, denkt Eric. Maar hij weet dat ook zij niet perfect was. ‘In een ander huis, in Leiden, ben ik als klein kind eens in de dakgoot geklommen. Jan kwam aanfietsen en zag me zitten. Mijn moeder had niks in de gaten gehad, die zat waarschijnlijk op de bank een boek te lezen, zonder mij in de gaten te houden. Dat heeft Jan altijd gestoken. Moet ik het mijn moeder kwalijk nemen? Ik weet het niet.’ Maria de Roo is in 1993 gestorven.

Doodsthema

Schrijver Jan Wolkers koos als motto voor zijn prozadebuut, de verhalenbundel Serpentina’s Petticoat (1961), een spelregel van het Ganzenbord: ‘Wie op den dood komt / Moet terug naar af / En betaalt den inzet’.

De schrijver wiens boeken vanaf die allereerste pagina zo doortrokken zijn van het doodsthema, de natuurvorser die, toen hij voor de radio een week in zijn eentje op Rottum­er­plaat verbleef een dode zeehond opensneed om het dode jong eruit te halen, kon niet praten over die ergste verschijning waarin de dood zich in zijn leven had voorgedaan: bij zijn kind.

Wolkers had in zijn jeugd zijn broer verloren, het grote thema van Terug naar Oegstgeest en aanwijsbaar op vele andere plaatsen in zijn werk. (Ook Maria had overigens een broer, Kees, verloren in haar tienerjaren, aan lymfeklierkanker.)

In een interview in 1995 zei Wolkers dat alles wat hij over zijn gestorven broer had geschreven, eigenlijk ook over zijn dochtertje ging. Eric gelooft het niet. ‘Die jongen lag daar dagenlang dood te gaan, terwijl het voor Eva toch vrij snel is gegaan, denk ik… hoop ik.’ En bovendien: ‘Over zijn broer sprak hij ook niet zoveel.’

Eric Wolkers moet ongeveer zes jaar geweest zijn, toen zijn vader hem urenlang model liet staan voor het beeld Jongen met haan (te zien op het schoolplein van de Kadeschool in Sloter­meer). Het poseren was zwaar, want de jongen heft zijn handen boven zijn hoofd. Wie Eric nu hoort praten over zijn vader die achter hem stond en ‘de zwarte wolk’ boven Jan, het gezin en dus ook zijn eigen hoofd, moet wel denken aan dat beeld.

Voor dat andere beeld, in Kruiningen, dat Jan Wolkers maakte in opdracht maar uitvoerde als een persoonlijk in memoriam, koos hij een tekst van A. Roland Holst op de sokkel: Hoort gij de zee achter mijn hart? / Dan zal ik heen zijn / en gij zult met de zee alleen zijn; / de golven zullen breken in uw hart.

Wolkers is heen, het verleden is heen. Eric verstrooide vorig jaar een deel van zijn vaders as op Rottumerplaat.