Professor Henk Wesseling (64) is een boom van een heer. Stevig en rustig. Goede pakken, zijden dassen en geen haast. Als hoogleraar algemene geschiedenis in Leiden bezet hij vanaf 1973 de leerstoel van de roemruchte Huizinga. Hij wordt gezien als de meest invloedrijke historicus van ons land. Sinds 1995 is hij rector van het Nias (Netherlands Institute for Advanced Study). Een rustige studieplek in de Wassenaarse duinen, waar een paar uitverkorenen in alle rust een jaar aan een wetenschappelijk werk kunnen besteden. Het instituut is de kroon op ons hogeronderwijsstelsel, de sfeer is er eerder te vergelijken met een Engels college dan met de formica tafels en tl-verlichting van de Nederlandse universiteiten.

Maar nu nadert het pensioen. De datum van het afscheidscollege in Leiden is al vastgelegd. 27 september. Midden juni neemt hij afscheid van het Nias.

Trots laat hij in zijn werkkamer de zes vertalingen zien van Verdeel en heers, een dikke pil over de verdeling van Afrika door de Europese koloniale machten aan het eind van de negentiende eeuw. ‘In mijn ijdelheid zeg ik dan dat bij mijn weten van de Nederlandse geschiedkundigen alleen Huizinga méér vertaald is.’ In Frankrijk geeft Gallimard het boek uit: een jongensdroom voor Wesseling, die kort na de oorlog als middelbare scholier met zijn twee jaar oudere broer naar Parijs reisde om daar Sartre en de Beauvoir op het terras van Les Deux Magots te bewonderen en de eerste jazzkelders te bezoeken. Frankrijk werd zijn vakgebied. En de geschiedenis van het kolonialisme.

‘De meeste mensen in Leiden interesseren zich niet voor elkaar en ik vind dat altijd een heel goede eigenschap, zodat iedereen gewoon zijn eigen werk kan doen.’

In 1975 richtte hij het instituut voor de geschiedenis van de Europese expansie op. ‘De kolonisatie was toen echt uit de gratie, die geschiedenis werd helemaal weggedrukt. Leiden is internationaal de motor van dat soort onderzoek geweest.’

Hij vertelt met weemoed over zijn twee goede vrienden in het vakgebied, de Fransman Jean-Louis Miège en de Engelsman Robbie Robinson. ‘Robbie was vliegenier geweest in de oorlog. Hij had meer dan zestig vluchten boven Duitsland gemaakt en het overleefd. Hij kreeg een beurs voor Cambridge en daarom heeft hij niet gekozen voor het voetbalcontract dat Arsenal hem aanbood. Robbie was a very good drinking man, net als ikzelf trouwens. ’s Nachts samen doordrinken, daar heb je veel aan. Als de pub dicht ging dan werd er op de kamers van Robbie in Balliol College – daar was hij ondertussen professor geworden – doorgehaald. Dat waren echte makkers. Maar Robbie is dood en Miège heeft deze zomer twee hartaanvallen gehad – de levensstijl geeft daar ook wel aanleiding toe.’

Hij is verknocht aan Leiden. ‘Het liberalisme van de collega’s onder elkaar is een groot voordeel. De meeste mensen interesseren zich niet voor elkaar en ik vind dat altijd een heel goede eigenschap, zodat iedereen gewoon zijn eigen werk kan doen. Er werd in mijn vakgroep een keer per jaar vergaderd van vijf tot zes. Twaalf mensen. Om kwart voor zes zaten we al in het café. Daar werd dan het hele jaarprogramma besproken.’

Een 7,5 voor de kroonprins

Hij was de scriptiebegeleider van kroonprins Willem-Alexander. De suggestie dat de kroonprins zijn titel enigszins cadeau gekregen heeft, noemt Wesseling ‘volkomen absurd’. ‘Er is een hele lijst met tentamenuitslagen, de computer rekent het dan uit. Er doet zoveel onzin de ronde. Laatst die Plasterk, die Volkskrant-columnist, die had de marathon gelopen, en schreef dat zijn tijd even geheim was als het studieresultaat van Willem-Alexander. Ik heb hem een briefje gestuurd. Er is namelijk helemaal niets geheims aan. Het is zelfs op de televisie geweest dat ik de bul uitreik en het judicium uitspreek en daarbij zeg dat dat in cijfers uitgedrukt een zeven en een half is.’

‘Het zou me ook wat waard zijn als dat verhaal over de geheimhouding van de scriptie eens uit de wereld werd geholpen. Er houdt helemaal niemand iets geheim. Een proefschrift wordt gedrukt, maar een doctoraalscriptie niet. Ik heb wel een exemplaar, maar het is volstrekt ondenkbaar dat ik het werk van iemand anders ga verspreiden. Als iemand die scriptie wil zien, dan moeten ze zich melden bij de auteur en als hij zegt: “Daar heb ik geen zin in,” dan geef ik hem groot gelijk.’

‘Bij Kissinger kwamen zo nu en dan secretaresses binnen met een kaartje in de palm van hun hand. Daar stond dan op dat de keizer van Japan of zo iemand aan de lijn was.’

Wesseling volgt zijn oud-leerling nog altijd met belangstelling. De discussie over het verleden van Jorge Zorreguieta was volgens hem ‘onvermijdelijk. Maar die is wel in goede banen geleid. Er zijn natuurlijk mensen die zichzelf nu interessant proberen te maken. Ik geloof overigens wel dat oud-ambassadeur Maarten Mourik het heel goed meent met zijn aanklacht tegen Jorge Zorreguieta. Ik ken Mourik goed. Het lijkt me voor ieder meisje vervelend als je vader niet bij je huwelijk kan zijn. Maar het is onvermijdelijk. Je kunt niet zeggen: ach nee, over dat verleden praten we maar niet meer.’

Wesseling heeft zich altijd verre proberen te houden van bestuurszaken. Hij prefereert met veel succes de eettafel boven de vergadertafel.

‘Mijn finest hour als dinerganger beleefde ik tussen Henry Kissinger en prins Bernhard. Thuis bij Ernst van der Beugel, voormalig staatssecretaris en KLM-directeur. Dat was de nacht dat er een of ander kabinet viel. Toen kwamen er opeens zeven ministers niet opdagen. Anders was ik vast niet naast hem geplaatst, dan had Van Agt of Van der Stoel daar gezeten. Van der Beugel was een goeie vrind van Kissinger. Zij hadden samen op Harvard gezeten en een flat gedeeld. Lang voordat Kissinger beroemd werd. Ik heb hem niet lang geleden nog eens bezocht in zijn kantoor in New York. Ik was in Princeton en volgens Ernst moest ik bij “Henry” langs. Fenomenaal om mee te maken. Er kwamen zo nu en dan secretaresses binnen met een kaartje in de palm van hun hand. Daar stond dan op dat de keizer van Japan of zo iemand aan de lijn was. Bij een zo’n kaartje zei hij met die diepe steenkolenstem: “Zeg maar tegen de prime minister dat ik hem morgen terugbel.”‘

De garde in kuras

De groten der aarde zijn aan Wesseling zeer besteed. Zo mocht hij tot zijn vreugde met de koningin mee op staatsbezoek naar Parijs.

‘Zogenaamd als wetenschappelijk adviseur, maar het was natuurlijk gewoon een aardigheidje. Met mijn snobistische aanleg vond ik het wel wat om in dat regeringsvliegtuig te zitten, de PBX. Te landen met een helikopter op de Place des Invalides. Met de garde in kuras er omheen, paarden, wapperende pluimen op de helmen. Te logeren bij de president in het gastenpaleis van het Elysée.’

Hij glundert. ‘Dat overkomt je niet iedere dag. ’s Avonds gedineerd. Zat ik tussen Jack Lang en de barones de Rothschild. Ik vroeg haar hoe ze daar kwam. “Ik ben de buurvrouw,” zei ze bescheiden. Ze woont naast het Elysée. Grappig mens. Ze schrijft boekjes over hoe hoort het, omgangsregels. Ze kwam uit de Moulin Rouge, een revuemeisje dat met de baron was getrouwd.’

‘Chirac vond mijn toespraak kennelijk zo geweldig dat hij van zijn tafeltje wegholde en mij begon te knuffelen.’

De Franse buitenlandse politiek is volgens Wesseling vleugellam. Al sinds de val van de Muur zijn de Fransen hun onafhankelijke positie grotendeels kwijt. En door 11 september is dat nog verergerd. Maar misschien is het falen van de samenwerking tussen president en premier wel het belangrijkste. Het Franse systeem werkt niet goed als die twee uit verschillende politieke kampen komen. ‘In tijden van internationale crises zie je er de nadelen van. De president gaat over de buitenlandse politiek en defensie, maar dat staat nergens zwart op wit. Dat is traditie omdat president de Gaulle vanzelfsprekend over die gebieden ging. Maar hoe kun je over de defensie gaan als je niet over bijvoorbeeld de begroting gaat? En als ze dan ook nog in verkiezingstijd terechtkomen, dan blijft er niet veel over van hun internationale uitstraling. President Chirac is niet een man waar nu veel gezag omheen hangt.’

Wesseling heeft Chirac van nabij meegemaakt. ‘Hij hield een toespraak in de Ridderzaal, daarna Kok en dan was er nog een derde spreker die iets vrolijks moest vertellen. Dat was ik. Chirac vond dat kennelijk zo geweldig dat hij van zijn tafeltje wegholde en mij begon te knuffelen. Kok, die altijd een beetje zuur kijkt, kon toen niet anders dan ook wat te mompelen in de trant van: dankuwel, professor. Toen Chirac wegging, kwam hij weer even knuffelen. Heel onfrans.’

‘Mitterrand had een enorme afstand. Ik werd bij de nazit van een diner aan hem voorgesteld. Ik zei tegen hem dat ik niet zo veel socialistisch aan zijn bewind kon ontdekken. Ze waren met atoombommen bezig. Dat was begin jaren tachtig. “Hoe had u het dan willen kwalificeren, meneer de professor?” Nou had ik wel gedacht dat ik Mitterrand even te spreken zou krijgen dus ik was niet geheel onvoorbereid en zei dat ik het een mengsel van colbertisme en saint-simonisme vond. Hij keek me aan alsof hij dacht: nou, dat had ik toch niet achter die kerel gezocht. Toen zei hij met dat hautaine mondje: “Dat is tamelijk juist, meneer de professor,” en draaide zich meteen om.’

‘Mitterand las zelfs als president vaak een roman per dag. En dan schreef hij ook nog boeken. Het regeren deed hij er ook zo tussendoor.’

‘Ik was wel zeer van die man onder de indruk. Zo belezen. Hij las zelfs als president vaak een roman per dag. En dan schreef hij ook nog boeken. Onvoorstelbaar. Het regeren deed hij er ook zo tussendoor. Hij had iets zeer soevereins. Toen uiteindelijk bekend werd dat hij nog een buitenechtelijke dochter had en hij daarop aangesproken werd, was zijn enige reactie: “Et alors?”‘

‘De Fransen verwachten ook niet anders. Dat een man van betekenis het met één vrouw zou moeten doen, is ondenkbaar. Dat vinden de vrouwen ook. Dat is het wonderlijke. “De president houdt van vrouwen,” werd er dan gezegd, op een toon alsof de goede man van labradors hield. Hij was ook zeer gecharmeerd van de koningin. Hij is toen nog speciaal naar het station gekomen om haar uit te zwaaien. Dat was bij een staatsbezoek nog nooit vertoond. Daar stond hij op het Gare de Montparnasse met een sjaaltje om de koningin uit te wuiven. Hij was ook al spontaan naar het Institut Néerlandais gekomen, dat stond helemaal niet op het programma. Ik had de indruk dat hij haar wel leuk vond.’

Opgroeien tussen gravinnen en baronessen

Wesseling is opgegroeid in Den Haag. Hij was katholiek. Zijn vader had eind jaren twintig een linkse katholieke splinterpartij opgericht. De Katholiek Democratische Partij was voor samenwerking met de SDAP. Vader Wesseling overleed in 1947 toen Henk tien jaar was. ‘Hij was tweeënzeventig en daar was de oorlog aan voorafgegaan. Na de oorlog is hij in een rusthuis geweest hier in Wassenaar. Daar gingen we wel eens op bezoek. Ik heb eigenlijk nauwelijks herinneringen aan hem.’

‘Het laatste oorlogsjaar was een heel donker jaar. Er was letterlijk helemaal geen licht. Wij woonden in de Nieuwe Schoolstraat pal naast de vroegere Koninklijke Bibliotheek, waar nu de Hoge Raad zit. Daar is mijn vader in de jaren twintig gaan wonen. Mijn moeder heeft er haar hele leven gewoond, is er ook overleden. Een negentiende-eeuws Haags herenhuis. Wij woonden tussen allemaal gravinnen en baronessen, maar we waren zelf helemaal niet deftig. Tegenover alleen maar hofdames. Freule Van den Bosch, gravin Dumonceau, barones Groeninx van Zoelen. Naast ons de familie Verwey waarvan het gerucht ging dat zij een maîtresse is geweest van prins Hendrik.’

‘Je zou best kunnen zeggen: god, wat een sombere jeugd, maar zo is het in mijn herinnering toch niet.’

‘Bijna iedereen in de straat was ongetrouwd of weduwe, een freule, een douarière. Er was nergens een man bij. Ze hadden allemaal dienstbodes, minstens twee. Veel Oostenrijksen. In de oorlog waren die goed. Heel belangrijk in de oorlog, dat je overburen te vertrouwen waren. Wij hadden evacuées, woonden in dat huis op een gegeven moment met zestien man. Op de parterre het gezin van een neef dat uit Scheveningen geëvacueerd was. Daar zat het kantoor van mijn vader, maar in de oorlog was de partij opgeheven en de krant verscheen niet meer. Wij woonden voornamelijk op de eerste verdieping. Voor alle ouders moet het ellendig geweest zijn.’

Als kind had hij er niet veel mee te maken. ‘Je zou best kunnen zeggen: god, wat een sombere jeugd, maar zo is het in mijn herinnering toch niet. Ja, op een gegeven moment was alles op. Er was geen verwarming en geen licht, nauwelijks eten.’

Altijd ieder jaar beter

Dat hij door de oorlog meer belangstelling voor geschiedenis heeft gekregen, acht hij wel waarschijnlijk. ‘Het was natuurlijk wel eens moeilijk. Maar het grote verschil is dat het eigenlijk altijd ieder jaar beter gegaan is de laatste vijftig jaar. Mijn generatie is een beetje armoedig begonnen, er was niet zoveel na de oorlog, maar heeft het steeds beter gekregen. Mijn kinderen zeiden laatst dat het ze wel leuk leek om zo geleefd te hebben. Ik ben hoogleraar geworden in een tijd dat je meteen een groot salaris kreeg. En professor Schaper, mijn voorganger, was zo vriendelijk om vroeg met pensioen te gaan. Schaper was oud-redacteur van Vrij Nederland, een echte PvdA’er, trouw aan de rode familie.’

Het leerstoelstelsel van de universiteit is volgens Wesseling volstrekt verouderd. ‘Mijn leerstoel, algemene geschiedenis, komt pas vrij als ik wegga. Ook al zijn er mensen die briljant zijn en die we tot iedere prijs in Leiden zouden willen houden; we kunnen ze geen leerstoel aanbieden zolang ik er nog zit. Dat stelsel past helemaal niet meer bij deze tijd. Het leidt er toe dat mensen die zeer verdienstelijk zijn nooit professor worden en dat mensen met minder verdienste het wel worden omdat er op een gelukkig moment een leerstoel vrijkomt. Zoals in mijn geval. Ik had nog helemaal niet zoveel laten zien. Ik was vijfendertig, het was een kredietbenoeming.’

‘De Nederlandse universiteit beleeft op dit moment de overgang naar een nieuw stelsel. In Amerika is het heel anders. Iedereen die les geeft aan de universiteit heet er professor, er zijn rangen: assistant, associate en full professor. Je rang, je salaris en je condities worden allemaal bepaald aan de hand van je verdienste. Dat komt hier ook en dat is duidelijk een verbetering. Dat betekent dat de decaan een personeelsbeleid kan voeren.’

‘Ik heb al twintig jaar geleden geschreven dat het onderscheid tussen universiteit en hbo mag verdwijnen.’

‘Amsterdam heeft de universiteitsleerstoelen, dat komt ook uit Amerika. Je bent professor, maar je mag zelf uitzoeken waarin. Henk van Os, Bram de Swaan, Karel van Wolferen. Leiden doet het op een andere manier. Het credo dat ik al twintig jaar uitdraag, is een goed sabbaticalsysteem, waarbij je eens in de zes jaar zegt: en nu ga ik dat boek schrijven. Wat hebben we niet allemaal voor onzinprogramma’s van NWO? Je wordt er helemaal horendol van.’

‘Ik heb al twintig jaar geleden geschreven dat het onderscheid tussen universiteit en hbo mag verdwijnen. Het hbo wil natuurlijk omhoog, dat kán niet anders. De titel is de fetisj van de Nederlandse samenleving. In overlijdensadvertenties staat nog drs. Tot in het gráf, tot op de grafsteen. De universiteit geeft titels: meester, doctorandus. Het hbo geeft niks. Als je gewoon iedereen bachelor maakt, dan ben je van het hele gedonder af. Het gaat ernaar toe dat het er helemaal niet toe doet welke graad je behaald hebt, maar wáár je hem gehaald hebt. Dat is prima. Een BA van Princeton is echt iets anders dan een van South-Dakota State University.’

‘Maar de nieuwe BaMa-structuur die nu in heel Europa op de universiteiten wordt ingevoerd, is mij tamelijk onduidelijk. Drie jaar ba en twee jaar ma wordt er gezegd. Maar dat is precies het systeem uit de tijd dat ik studeerde, toen was er drie jaar kandidaats en nog twee jaar doctoraal. Het kan toch niet de bedoeling zijn dat we daar naar teruggaan? Het lijkt erop dat niemand precies voor ogen heeft hoe het gaat worden. Hoe moet dat dan met de rechtenstudie? Wat is een BA rechten? Hoe gaat het met de meester-titel? Gaat de minister drie jaar of vijf jaar voor iedereen betalen? De minister weet niet wat hij wil. De universiteiten ook niet. Ik ben heel benieuwd wat hier uit gaat komen.’

Voor Wesseling zelf maakt het niet meer uit. Hij verheugt zich al op zijn pensioen, heeft plannen voor wel vijf verschillende boeken. Een met memoires, een boekje over zijn vader. En meerdere over Frankrijk. Liefkozend streelt hij de ruggen van de rijtjes boeken die zich langzaam ter voorbereiding van de verschillende projecten verzamelen op hun eigen boekenplankje.