Soms is het moeilijk om níét goed te doen. Heb je een nieuwe bril nodig, gaat er bij aanschaf een bedrag naar brillen voor een derdewereldland. Koop je schoenen voor jezelf, krijgt ook een arme sterveling een paar. Wil je een abonnement, dan word je lid en steun je een goedwillend bedrijf. Je nieuwe auto rijdt zuinig, liefst hybride of zelfs helemaal elektrisch opdat jij de wereld een beetje minder vuil maakt. De meeste bedrijven hebben waarachtig het beste voor met jou, met de mensheid, de natuur, de hele planeet.

Ja, het bedrijfsleven is goed bezig. Bedrijven steunen goede doelen, willen duurzaam zijn, groen. Hun werknemers storten zich op maatschappelijke projecten en springen her en der bij, hetgeen fraaie foto’s oplevert van Hollanders die in tropische landen knutselen aan een waterput of dak. Van gêne is geen sprake. Philips noemt zich een ‘toonaangevende aanbieder van gezondheidstechnologie die zich richt op het verbeteren van de gezondheid van mensen en het bereiken van betere zorgresultaten’. Ondertussen verkoopt het bedrijf gewoon lampen, televisies, scheerapparaten en andere huishoudelijke maar ook medische apparatuur. Op de website kun je stemmen voor een goed doel waarvan jij vindt dat Philips het moet steunen, je krijgt zelfs 10 procent korting als je dat doet en je opgeeft voor het Better Me, Better World-project, gepresenteerd met een exotisch plaatje van een kindje met grote ogen; je moet wel je e-mailadres opgeven.

Momenten van ontspanning

De missie van de Rabobank is: ‘Growing a better world together’ – nou, Milieudefensie heeft nog wat suggesties omtrent vervuilende investeringen van deze bank. Unilever wil CHANGING THE WORLD FOR THE BETTER, TOGETHER, Right here, right now, we need you and millions of others to come together and create a movement for change. Ooit verkochten ze gewoon pakjes boter – niks mis mee.

Philips, de Rabobank, Unilever, het zijn toevallige voorbeelden, want elk modern bedrijf doet het goede. Liefst samen, zoals Albert Heijn: ‘Voor het milieu, voor onze gezondheid, voor eerlijke producten, voor het welzijn van dieren en voor de buurt.’ Zijn ‘actieve bijdrage’ krijgt bijvoorbeeld gestalte in een samenwerking met het Voedingscentrum teneinde ‘basisschoolkinderen te leren gezonde keuzes te maken’. Had Albert Heijn werkelijk die ambitie, dan verkocht het geen ongezonde energiedrankjes of felgekleurde shotjes die gemarket worden op pubers.

Ze bieden oplossingen voor problemen die binnen het huidige systeem ontstaan (armoede, vervuiling, et cetera) maar ze pakken de onderliggende oorzaken niet aan.

Wat is er mis mee om een koffiemachine te maken en die te verkopen? Waarom houdt Ikea het niet bij de verkoop van meubels maar pretendeert het zorg te dragen voor alle mensen en de gehele planeet? Sinds wanneer verkoopt Jamin niet gewoon snoep maar propageert het een ‘goede levensstijl’ die de ‘basis voor een gezond lichaam’ is? De suikerdealer van het winkelcentrum wringt zich in een lachwekkende bocht: ‘Wij vinden het bij Jamin dan ook erg belangrijk een bijdrage te leveren aan deze gezonde levensstijl. Dat doen we door bij te dragen aan je momenten van ontspanning.’ Het staat er echt: eet snoep van Jamin, dat ontspant, dus word je er gezond van.

Verdienen aan Heather

Het is maar reclame, het is marketing, dat weten wij consumenten ook wel. Een beetje schijnheiligheid hoort daarbij. En het is ook niet allemaal onzin: werknemers vinden het echt fijn om af en toe iets betekenisvols te doen, zeker als de kerst weer voor de deur staat. Bovendien brengt het een stukje teambuilding als je bij het bedrijfsuitje vóór het diner eerst een middagje plastic ruimt in de open lucht.

Maar dit is geen spel. Een voorbeeld. Heather Jacobs woont in Silicon Valley. Ze werkt als masseuse, zowel bij een keten als zelfstandig. Van het massagebedrijf krijgt ze soms weinig werk, soms meer. Het gaat zoals dat in de huidige economie is geregeld: het risico van meer of minder werk ligt niet bij het bedrijf, maar bij de werknemer. Heather heeft geen vast salaris maar krijgt betaald naar gelang er werk is. Haar inkomen varieert van 45 tot 350 dollar per week. Ze heeft schulden, maakt reiskosten, ze heeft 60 dollar medische kosten per maand en omdat haar financiële situatie achteruitgaat, moet ze boodschappen doen bij de goedkoopste supermarkt. Het fabrieksvoedsel, vol zout en suiker, maakt haar en haar man dikker.

Het verhaal over Heather komt van een marktonderzoekster van tech-bedrijf Even, dat is opgericht met een investering van tech-miljardair Vinod Khosla. Je kunt de coole app downloaden op je telefoon: How busy people master their money staat erbij. Khosla zag dat na de crisis van 2008 de nieuwe economie er een was waarbij steeds meer mensen steeds onregelmatiger gingen werken. Een vast salaris met vaste uren raakt uit de tijd. Daar viel aan te verdienen. Het bedrijf Even helpt mensen als Heather Jacobs met een app die zorgt dat al haar inkomen op een rekening komt, waarvan ze maandelijks een vast bedrag krijgt, zodat Heather met tekorten noch overschotten komt te zitten. Handig voor de flexwerker, mooi design, veel gamification. Maar wordt Heather er echt mee geholpen? Ze moet de app 260 dollar per jaar betalen en Even kan de overschotten op de rekening gebruiken om meer geld te te verdienen, voor Even.

Heus, de oprichters van Even wilden Heather Jacobs echt helpen, vast, maar ze deden het op een manier die hen zelf ook beter maakte. Hielpen ze Heather wezenlijk met een app die haar inkomen met nog eens 260 dollar per jaar omlaag bracht? Als de mensen van Even echt hadden willen helpen, dan hadden ze wat moeten doen aan het systeem waarin dit kan gebeuren: meer bescherming bieden aan de werknemer, andere geldverdeling via belastingen en dergelijke. Maar er zit geen win-win in een verandering aan het systeem dat de mensen van Even zo rijk heeft gemaakt.

Het meest te verliezen

Het voorbeeld van Heather komt uit het boek Winners Take All. The Elite Charade of Changing the World. Anand Giridharadas beschrijft mooi hoe het idee dat het bedrijfsleven de enige juiste plek is om goed te doen dominant werd na de crisis. Bill Gates van Microsoft, Mark Zuckerberg van Facebook, Jeff Bezos van Amazon, Carlos Slim van Telmex, Larry Ellison van Oracle, Warren Buffett (grootaandeelhouder in Apple en IBM); er zijn uiteenlopende berekeningen hoeveel precies, maar duidelijk is dat deze tycoons immens veel meer bezitten dan het gros van de aardbewoners – en dat blijft zo, ook al geven ze steeds van alles weg.

Volgens Giridharadas doen deze rijken goed om het systeem waarin zij de grootverdieners zijn in stand te houden. Ze falen er niet alleen in om de wereld echt beter te maken, ze zorgen er ook nog eens voor dat alles blijft zoals het is. Ze bieden oplossingen voor problemen die binnen het huidige systeem ontstaan (armoede, vervuiling, ongelijke kansen et cetera) maar ze pakken de onderliggende oorzaken niet aan. Giridharas haalt er Oscar Wilde voor aan, die schreef dat behulpzame elites de boel eerder erger maken: ‘Zoals de ergste slavenbezitters degenen waren die zachtaardig deden tegen hun slaven en zo voorkwamen dat de horror van het systeem doordrong tot de mensen die eronder gebukt gingen, zo doen in het huidige Engeland degenen het meeste kwaad die proberen het meest goede te doen.’

De huidige extreem rijken zijn de mensen die het meest te verliezen hebben van sociale omwenteling. Door goed te doen, stellen ze zich op als de dragers van sociale veranderingen (de meesten afficheren zich ook niet als vertegenwoordigers van de status quo maar als rebelse verstoorders). De massa kan zich ook afvragen wat was gebeurd als die extreem rijken en al die hedgefondsen en investeringsbanken niet zo creatief waren geweest in het vermijden van belasting betalen, als niet zoveel mogelijk geld in belastinghavens was geparkeerd of geld was verdiend aan de schulden van arme landen. Misschien had er dan wel genoeg geld in de staatskassen van rijke landen gezeten om onderliggende oorzaken van armoede, vervuiling en ongelijkheid uit te schakelen.

Mark Zuckerberg.
MarketWorld

Giridharadas staat niet alleen: kritiek op het goeddoen zwelt aan. BBC-journalist Alan Kasujja trok naar Oeganda en Kenia om er te kijken wat er gebeurt met de miljarden die via Bill Gates, de Rockefeller Foundation en andere donoren die landen in stroomt. Hij ontdekte dat het door Gates zwaar gesponsorde anti-malariaprogramma inderdaad verbetering opleverde, maar dat er een keerzijde is wanneer je Gates laat bepalen wat de prioriteiten in de Afrikaanse gezondheidszorg zijn. Het zou beter zijn om een land als Kenia te ondersteunen bij het faciliteren van algemeen goede gezondheidszorg en hygiënische wijken. Door alleen te strijden tegen malaria, boekt Gates sneller en opzichtiger resultaat en bedreigt hij niet het systeem waarin Afrikaanse economieën zwakker zijn.

Giridharadas noemt extreem rijke weldoeners als Bill Gates en de bedrijven die werken onder het mom van win-win de MarketWorld: de elites geloven en promoten dat sociale verandering in principe moet worden bereikt middels de vrije markt en vrijwillige actie. Niet via de publieke sfeer, de politiek of het recht. Het bestaande systeem hoeft zodoende niet te worden hervormd. Sterker: vrijemarktprincipes moeten ook in de hulpverlening gaan regeren; het is het enige systeem dat werkt, zeggen ze. Verandering moet worden geleid door de winnaars van het kapitalisme en mag niet conflicteren met hun noden. Zij die van de status quo profiteren, moeten een leidende rol hebben in hervormingen van de status quo.

Annexatie

Een paar jaar geleden verscheen Linsey McGoey’s No Such Thing as a Free Gift. The Gates Foundation and the Price of Philanthropy, nog zo’n kritisch boek over dit filantrokapitalisme. Ook zij beschrijft hoe een elite van veelal nieuwe rijken de wereld van liefdadigheid annexeerde en haar systeem van snelle bezuinigingen, grote winsten, hyperconcurrentie, disruptie en financieel kapitalisme opdrong. In het geval van Gates en de Afrikaanse gezondheidsprogramma’s kwam ze na interviews met mensen in het veld tot dezelfde conclusies als BBC-journalist Kasujja.

Ook liet McGoey zien hoe het samenwerken met Goldman Sachs, Coca-Cola, Rupert Murdoch en anderen maakte dat veel van het gegeven (en van de belasting afgetrokken) geld gewoon weer in het Westen terechtkwam en dat lokale handel en boeren juist activiteiten uit handen werd genomen. Mensen als Gates doen volgens McGoey alsof ze zichzelf al zoveel belasting opleggen dat dus niemand verder moet zeuren. Het is serieuze kritiek en geen afgunstige van het type: ja, jij kan lekker gemakkelijk je geweten afkopen.

Hard voor werknemers

Zie een optimist over een TED-podium trippelen. De zaal heeft er zin in. Een beamer projecteert een Venndiagram. Kijk, zegt de optimist, in dit rondje zit alles wat jij nodig hebt. In het rondje ernaast, smaalt de optimist, zitten de wensen van de maatschappij, de behoeften van je medeburgers. Vervolgens arceert hij of zij de overlap en spreekt het heilige woord van de eenentwintigste eeuw tweemaal achter elkaar uit: win-win. Richt je bedrijfsactiviteiten op de overlap en jij bent een van die helden die deze maatschappij beter maakt, en jezelf!

De bedrijfscultuur van na de digitale revolutie is win-win en echoot Adam Smith: als je flink je best doet voor jezelf, wordt het vanzelf beter voor anderen.

Maar als alle bedrijven luisteren naar de TED-optimist, wat gebeurt er dan met het niet gearceerde deel van de behoeften van je medeburgers? Daarvoor zou de overheid moeten zijn, maar die overheid moet volgens de win win-bedrijven juist steeds kleiner worden, zelf gaan werken via de principes van de vrije markt en vooral het win-win kapitalisme ondersteunen.
De bedrijfscultuur van na de digitale revolutie is win-win en echoot oude ideeën van Adam Smith: als je maar flink je best doet voor jezelf, dan wordt het vanzelf ook beter voor de anderen.

Het nieuwe geven moet worden gedaan op de wijze waarop het nieuwe bedrijfsleven is ingericht: hard voor werknemers, oude structuren en concurrentie, direct winstgevend voor de aandeelhouders. Als we allemaal – dus ook de goede doelen – maar gaan werken volgens hét systeem, als goede doelen zich gaan gedragen als bedrijven, inclusief het winst maken, als de bedrijfsmatige methoden maar worden gebruikt, dan wordt alles beter.

Filantrokapitalisten

Dit stuk gaat niet over goeddoen, maar over de hegemonie van een bedrijfscultuur die decennia geleden werd voorbereid, toen politici als Reagan en Thatcher de rol van de overheid kleiner maakten. Thatcher zei zelfs: ‘Er bestaat niet zoiets als dé samenleving. Er zijn individuele mannen en vrouwen, en er zijn gezinnen. Een overheid kan slechts werken via de mensen, en de mensen moet eerst naar zichzelf kijken.’ Ter linkerzijde verklaarde Bill Clinton niet heel veel later ‘het tijdperk van een grote overheid’ ten einde.

Van Adam Smith tot de win-win theorie: de ondernemer is niet iemand die zo af en toe een cheque uitschrijft voor het goede doel, maar de aangewezen persoon die het beste voor de massa kan bewerkstelligen. Ondernemers kunnen de belangen van de burgers beter behartigen dan de overheid. En onder hen zijn de grootste hanen de filantrokapitalisten. Anders dan politici hebben zij geen last van periodieke verkiezingen, zij hebben zoveel verdiend dat ze ook geen last meer hebben van aandeelhouders. Ze hoeven ook geen geld meer op te halen. Zij kunnen echt op lange termijn denken, zo nodig snel handelen, op eigen initiatief, ook waar dat te riskant is voor een overheid.

Het win-win systeem maakt de overheid zo klein dat die gereduceerd wordt tot faciliteerder en financier van het kapitalisme. Het moet ervoor zorgen dat het zover mogelijk de publieke sector binnendringt: onderwijs, zorg, vervoer, leger – alles moet volgens het win win-systeem.
Het geloof in ondernemers is zo groot dat zelfs overheden een win-win-model zagen: ontsla werknemers en huur consultants en vertegenwoordigers van het bedrijfsleven in om overheidsbeleid te bedenken en uit te voeren. Niet alleen het Witte Huis huurde zowel onder Democratische als Republikeinse presidenten McKinsey in, De Groene Amsterdammer liet in 2011 zien dat een orakel van het nieuwe bedrijfsleven als McKinsey ook rapporten opstelt voor Nederlandse ministeries. Maar, schrijft Giridharadas, McKinsey staat voor precies die bedrijfsmatige aanpak die de kern vormt van het systeem dat problemen elders oplevert.

Iedereen met iedereen verbonden

Kom, nog een voorbeeldje: Justin Rosenstein (het joch is uit 1983) is mede-uitvinder van spectaculaire mijlpalen als Google Drive, Gmail en de Like-button op Facebook. Wat te doen met de rest van zijn leven? Goeddoen! Na een spirituele zoektocht en de uitkomst dat iedereen met iedereen verbonden was, wist Rosenstein: ik wil de menselijke conditie verbeteren. En daarom creëerde hij Asana software met de bedoeling om iedereen 5 procent productiever te maken. Uber, Airbnb, Dropbox, ze maakten dankbaar gebruik van de software.

Giridharadas, van wie dit voorbeeld komt, noteert dat de productie van de gemiddelde Amerikaan best goed is: tussen 1973 en 2014 is die met 72% gestegen. Het gemiddelde inkomen steeg in die periode maar met 9%. Je zou denken dat dit het nijpende probleem is. Dat, als je echt goed wil doen, je moet beijveren voor een inkomensstijging met 5%, door meer regulering van de economie, hogere belastingen voor bedrijven, meer bescherming voor werknemers zodat die niet steeds worden wegbezuinigd en het werk wordt uitbesteed aan freelancers, en door het aan banden leggen van de winsten die de financiële sector maakt en huizenprijzen en pensioenkosten omhoog jaagt.

Eigenlijk werkt een initiatief als dat van Rosenstein precies andersom. Met nog minder arbeidskosten wordt het nog gemakkelijker de toestand waarin er te weinig wordt betaald te laten voortduren. Rosenstein is lid van een elite die na 2008 de afstand heeft vergroot met een proletariaat dat steeds minder vast werk vindt en sappelt voor een modern stukloon als Uber-chauffeur of naar gelang er uren zijn, zoals onze Heather de masseuse. De bejubelde nieuwe technieken die het leven simpeler, nuttiger, productiever, béter hadden moeten maken, hebben het grootste deel van de burgers armer gemaakt ten opzichte van de tech-elite.

Warren Buffett.
Outsiders

En dat gebeurde door de jongens in hoodies en op gympen, met als stereotype de in zichzelf gekeerde Mark Zuckerberg. Dat puberale, rebelse uiterlijk is niet toevallig. Nieuwe rijken zijn zich niet als de beursrijken van voorheen direct met de symbolen van de macht gaan tooien: geen stropdassen en mantelpakken. Ze cultiveren zorgvuldig het imago van outsiders. Ze doen alsof zíj niet de vertegenwoordigers zijn van de macht, maar juist degenen die er tegenaan schoppen, die disrupten. Giridharadas citeert uit het essay De tirannie van structuurloosheid (1972) van feminist Jo Freeman om dit te illustreren. Zij schrijft dat wanneer groepen op een vage, anarchistische wijze opereren, de afwezigheid van structuur ‘een rookgordijn wordt van waarachter de sterken of gelukkigen een onbetwiste hegemonie over anderen kunnen opbouwen.’

Wat leren jonge mensen die de wereld willen veranderen hiervan? Dat ze het van de overheid niet moeten hebben en dat de methoden uit het kapitalistische bedrijfsleven zich beter lenen om goed te doen.

Giridharadas beschrijft hoe al op de universiteit jong talent wordt gelokt door de McKinseys en Goldman Sachsen. Met mooie fondsen en bijeenkomsten worden ze verleid te komen helpen de wereld te verbeteren, en wel met de spreadsheet-methodiek van McKinsey. In 2014 rekruteerde McKinsey jong talent met een pamflet waarin stond: Verander de wereld, Verbeter levens, Vind iets nieuws uit, Los een complex probleem op, Verbreed je talenten, Bouw duurzame relaties op. Morgan Stanley schreef in advertenties: Capital Creates Change. De waarde van kapitaal was volgens de bank niet alleen dat het rijkdom creëert maar ook de dingen die ertoe doen. Volgens Airbnb gaat het in bedrijven uit de sharing-economie niet om geld maar om liefde: ‘De meeste mensen die delen, doen dat omdat ze de wereld een betere plek willen maken.’
We zijn weer terug bij Jamin dat snoep verkoopt ten bate van een gezonde leefstijl.

Een bacchanaal

Goeddoen is hét onderwerp wanneer het bedrijfsleven samenkomt in Davos, Aspen, Bilderberg en elders, want de nieuwe rijken van het digitale tijdperk verzamelen zich ook op Burning Man, South by Southwest en TechCrunch Disrupt. Giridharadas beschrijft een cruise voor de grote weldoeners, die meer wegheeft van een bacchanaal. Deelnemers: de grote mensen achter Apple, AOL, Dropbox, Google, MTV, Paypal, Toms Shoes, Uber, Zappos e.a. Plus wat yogaleraren, kunstenaars, influencers en thought leaders. Derde regel aan boord: ‘Het gaat er op de boot niet om dronken te worden en je uit te kleden. Nou ja, eigenlijk wel. Maar het gaat ook om sociale gerechtigheid.’

Giridharadas beschrijft hoe er dan over democratie wordt gediscussieerd in gebouwen die door fervente antidemocraten zijn geschonken, of een beurs wordt geschonken die honderd autistische kinderen moet helpen en wordt gefinancierd door bedrijven die miljoenen onttrekken aan de publieke zaak, waaronder de gezondheidszorg. Op zulke bijeenkomsten gaat het om grote vragen: waarheen en waarvoor? Het voorspellen is er een retorisch spel: er wordt niet belangeloos nagedacht over waar het heengaat met de wereld, maar alvast een claim gelegd op waar het heen moet met de samenleving. Noem een scenario en overtuig de rest.

Geen intellectuelen!

Er is veel plek voor blijheid, optimisme en vooruitgang, maar niet voor serieuze kritiek. Het een na best bekeken TED-filmpje ooit is van iemand die vrouwen leert om een powerpose aan te nemen: dat maakt zelfverzekerder en wapent vrouwen tegen de macht van mannen. Een typisch voorbeeld, zegt Giridharadas, van hoe het intellectuele klimaat is bepaald door het win-win kapitalisme. Nog buiten beschouwing gelaten dat het onderzoek later onderuitgehaald werd, gaat het hier om hoe slachtoffers (van seksisme) zich kunnen manifesteren, en daarmee lijkt het probleem opgelost. Aan het onderliggende probleem (seksisme) doet het niks.

Op de faculteiten humanistiek wordt beknibbeld, studies verdwijnen, arbeidsplaatsen, bladen en zinnige krantenbijlagen verschrompelen.

Dit is dé tijd voor thought leaders en de slechtste tijd voor publieke intellectuelen, schrijft Daniel Drezner in The Ideas Industry. Niemand wil meer luisteren naar de kritiek van de publieke intellectueel; die vormt immers een gevaar voor de nieuwe orde. Op de faculteiten humanistiek wordt beknibbeld, studies verdwijnen, arbeidsplaatsen, bladen, zinnige krantenbijlagen verschrompelen. Maar thought leaders die optimisme prediken en praktische oplossingen voorstaan, aan zogenaamde disruptie doen en het systeem niet echt veranderen, worden gepamperd en verdienen goud met spreekbeurten bij bedrijven en op grote ideeën-festivals, daar levert Steven Pinker het langetermijnbewijs voor de successen van het systeem.

Dansen voor hun donors

Van alle kritiek op het win-win kapitalisme leest het boek van Giridharadas het lekkerst. Hij is op veel plekken geweest. Hij beschrijft zijn reizen met de Afro-Amerikaanse baas van een goed doel die twijfelt aan zijn werk, waarvoor hij steeds weer op fundraisers opdraaft om braaf te vertellen hoe hij zelf als arm kind opgroeide. In een limo reizen ze naar bijeenkomsten waar jonge Afro-Amerikanen moeten ‘dansen voor hun donors’: oudere witte mannen die hen het getto uithelpen, maar wier bedrijven de getto’s hebben doen ontstaan. Het is opdelen, zoals de man van het goede doel in een limo uitlegt: opdelen is een manier van ermee kunnen leven. De zakenmensen doen dingen waar nare kanten aan zitten en die anderen benadelen, maar ze kunnen zichzelf vertellen: in mijn vrije tijd ga ik een school in Harlem helpen, ik word mentor van een paar kids en breng ze naar Yale. Zo kunnen ze zich toch weer fatsoenlijke burgers voelen.

Khosla, de miljardair-investeerder van Even, zag een groot probleem opdoemen: wat zal er op de lange termijn gebeuren met de mensen die te weinig verdienen én te weinig te doen hebben? Hij vroeg zich af of die er niet toe zouden komen het systeem te willen veranderen. Khosla vreesde dat zeven à acht van de tien werkende Amerikanen binnenkort geen baan meer heeft. Wat hieraan te doen? Kon je als oplossing misschien gewoon de sociale onrust afkopen?

Tegenover Giridharadas twijfelde hij aan de app van Even en bedacht dat er toch enige vorm van herverdeling plaats moest hebben. Daarvoor was misschien wel iets nodig, een bepaalde vorm van herverdeling: belasting. (Briljant!) Het was een manier van omkopen, gaf hij toe, maar het leek hem een goede investering: ‘Anders gaan ze aan het werk om het systeem te veranderen, oké?’

Basisinkomen

Ja, de win-win-elite breekt zich het hoofd over wat te doen met de bevolking. Het is toch de oerdiscussie van de maag die met de ledematen en het hoofd in discussie gaat, ze moeten allen bestaan om te kunnen functioneren. Wordt dat cynisch? Ja. Douglas Rushkoff van het boek Throwing Rocks at the Google Bus schreef deze herfst dat hij door Uber werd gevraagd om voor het bedrijf te komen praten – zonder honorarium, ook geen taxikosten. Na afloop vroeg een Uber-man hem naar het basisinkomen en ontspon zich een gedachtewisseling over het nut van een basisinkomen. Grote voordeel: een verarmende bevolkingsgroep kan dan tóch nog Ubers bestellen.

In de businessplannen van Uber, Spotify, Booking, Airbnb en de andere zogenaamde eenhoorns gaat het om het onttrekken van waarde uit een markt die wordt gepenetreerd, wat uiteindelijk leidt tot het uitknijpen van werknemers, klanten en leveranciers. Maar wat als je mensen daarmee zo arm maakt dat ze je diensten niet meer kunnen betalen? Vanuit de business-filosofie gezien moet je hiernaar kijken zoals een programmeur: er zit een zwakke plek in het algoritme van het bedrijf. Hoe rekenen we die weer recht? Meest logische oplossing is meestal een nieuwe kapitaalinjectie om de business te continueren. Zo ook nu: een basisinkomen. Herverdeling en goeddoen is zo bezien een investering.