Groene sprookjes: 5 mythen over biologisch eten

door
Joost van den Broek/HH
Iedereen zou biologisch moeten eten: het is onbespoten, lekkerder, gezonder en levert minder CO2 op. Maar niet heus.

Progressieve wereldburgers eten bij voorkeur biologisch. Het is duurder, maar dat hebben wij graag over voor een betere wereld. Ook bij Vrij Nederland beschouwen we het als onze plicht om zo veel mogelijk biologische producten in ons winkelwagentje te leggen. Maar weet wat gij eet: biologisch voedsel wordt geplaagd door een aantal hardnekkige mythen.

Voordat u nu een verhitte brief naar de redactie stuurt: dit stuk is geen betoog tegen biologisch eten. Sterker nog, de lunch op onze redactieburelen bevat overwegend biologische producten. Zo is biologisch vlees veel diervriendelijker dan gewoon vlees en is biologische landbouw duurzamer omdat bijvoorbeeld uitputtende monocultuur wordt vermeden.

Maar een aantal veelgenoemde voordelen van biologisch eten blijken niet op te gaan. De informatie in dit verhaal is afkomstig uit artikelen die zijn verschenen in wetenschappelijke tijdschriften van naam en faam. Met ‘biologisch voedsel’ wordt verwezen naar producten die voldoen aan wettelijke richtlijnen, zoals die van het EKO-keurmerk, de officiële Europese standaard.

1. Biologisch eten is onbespoten

Heerlijk, onbespoten eten – wie wil dat niet? Voor 95 procent van de consumenten die biologisch eten kopen, is het idee dat het onbespoten is de belangrijkste reden, blijkt uit Brits onderzoek. Maar biologisch eten is helemaal niet onbespoten. De richtlijnen voor het EKO-keurmerk (de Europese standaard) staan een groot aantal pesticiden toe. Zit er dus toch gif op uw biologische groenten? Ja, maar het verschil met reguliere landbouw is dat de bestrijdingsmiddelen natuurlijk zijn, en niet chemisch. ‘Natuurlijk’ klinkt fijn, maar het zegt niets: chemicaliën zijn lang niet altijd ongezond en natuurlijke producten kunnen dodelijk zijn. Sterilon is een kunstmatig product en toch zeer helend. Arsenicum is een honderd procent biologisch product maar zeer dodelijk.

Zo staan de EKO-richtlijnen het gebruik van rotenon toe, gemaakt van de wortels van subtropische planten. Rotenon, ook wel C23H22O6, is giftig. Uit onderzoek blijkt dat ratten er parkinson-achtige verschijnselen van kunnen krijgen. Het goedje valt mitochondria in de neuronen aan, en dat maakt het gevaarlijk voor mensen en dodelijk voor veel insecten en vissen. Als rotenon verstandig wordt gebruikt, hoeft er geen gevaar op te treden. Maar dat geldt ook voor synthetische bestrijdingsmiddelen.

Biologische bestrijdingsmiddelen hebben als voordeel dat ze over het algemeen sneller afgebroken worden dan chemische (rotenon in maximaal zes maanden). Sommige chemische middelen zijn pas na decennia volledig afgebroken, en zo kunnen ze het grondwater langdurig vervuilen of via de voedselkringloop aan de andere kant van de aarde opduiken (via trekvogels die insecten opeten). Evengoed kunnen natuurlijke bestrijdingsmiddelen giftiger zijn dan hun chemische concurrenten. Cana­dees onderzoek vergeleek een synthetisch en een biologisch bestrijdingsmiddel tegen bladluis op sojaplanten. Het synthetische middel blijkt effectiever te zijn, waardoor er minder van nodig is. Bovendien veroorzaakt het biologische gif meer ecologische schade: in tegenstelling tot de chemische variant doodt het niet alleen de bladluis, maar ook de dieren die bladluis eten.

En als het eten op ons bord ligt, zitten er dan op of in regulier voedsel meer restanten van chemische bestrijdingsmiddelen? Ja, maar dat levert geen gezondheidsproblemen op en de percentages liggen ver beneden wettelijke eisen. De wetenschappelijke consensus is dat biologisch voedsel niet veiliger of onveiliger is dan regulier voedsel.

Flip Franssen/HH
Flip Franssen/HH
2. Biologisch eten is gezonder

De wetenschap probeert al ruim vijftig jaar een antwoord te vinden op de vraag of biologisch voedsel gezonder is, wat resulteerde in bergen onderzoeksgegevens. Britse wetenschappers analyseerden de uitkomsten van 162 onderzoeken die tussen 1958 en 1998 werden uitgevoerd en in totaal 3.558 vergelijkingen bevatten tussen biologisch en gewoon voedsel. Ze vonden geen verschillen voor vijftien belangrijke nutriënten, zoals vitamine C en calcium. Conventionele groenten bevatten meer nitraten, terwijl biologische weer meer fosfor in zich dragen, maar dit betekende geen grote verschillen voor de voedselkwaliteit. Ook in vlees en zuivel werden geen noemenswaardige verschillen gemeten. “Op één aspect na: biologisch voedsel bevat meer vetten, met name de gezonde, onverzadigde vetten.

Biologisch voedsel is genetisch niet anders dan regulier voedsel (in Europa is genetisch gemodificeerd voedsel verboden). Een biologische sinaasappel bevat evenveel vitamine C als een reguliere en in een antroposofisch geteelde tomaat zit niet meer of minder kalium dan in een waterbom uit een gasgestookte kas. Volgens hoogleraar voedingsleer Martijn Ka­tan kunnen er kleine verschillen zijn, maar deze zijn niet relevant. In zijn boek Wat is gezond? schrijft hij: ‘Het gaat er voor je voorziening van voedingsstoffen meer om wat je eet dan hoe het verbouwd is. Wat die keuze van voedingsmiddelen betreft kunnen we wél wat leren van de biologische landbouw, want bonen en volkorenbrood zijn gezonder dan hamburgers en roomijs. Dat geldt echter ongeacht of die bonen met kunstmest en bestrijdingsmiddelen of met koeienmest en zonder [chemische; E.N.] bestrijdingsmiddelen zijn verbouwd.’

William Hoogteyling/HH
William Hoogteyling/HH
3. Koop lokaal, dat is beter voor het milieu

Als één vuistregel voor de wereldverbeteraar met winkelwagen onomstreden lijkt, is het deze: koop lokaal gekweekt voedsel. Het is onzin om appels uit Nieuw-Zeeland te laten overvliegen als we ze ook in de Betuwe kweken. ‘Voedselkilometers’ moeten tot een minimum beperkt worden.

Helaas, soms is het tegengestelde waar. Ameri­kaans onderzoek berekende de calorieën die het kost om voedsel te kweken, transporteren, bewaren, kopen en koken. Het produceren van voedsel kost de meeste energie en de vervoerskilometers zijn bijna te verwaarlozen. Een pond sla (70 calorieën) kweken vergt bijvoorbeeld een kleine 5000 calorieën, en deze per vrachtwagen 2500 kilometer (Neder­land – Zuid-Spanje) vervoeren kost 175 calorieën. Omdat de kroppen sla met duizenden tegelijk in een vrachtwagen gaan, is de benodigde energie per krop gering. Veruit de meeste energie wordt verbruikt door consumenten bij het halen, bereiden en bewaren van het voedsel. Een koelkast verbruikt in een week bijvoorbeeld 9000 calorieën. Een autoritje van 15 kilometer naar de boerenmarkt kost al snel 10.000 calorieën – twee keer meer dan het kost om de sla te kweken. De meeste voedselkilometers per product worden dan ook door de consument zelf gemaakt, namelijk als hij boodschappen doet.

Brits onderzoek berekende dat sperziebonen die per vliegtuig worden ingevlogen uit Kenia minder milieubelastend kunnen zijn dan die van een Britse akker. Ook al is het aantal voedselkilometers naar een Britse consument veel groter, de productiemethoden in Kenia kunnen minder belastend zijn omdat boeren in Kenia natuurlijke mest gebruiken in plaats van kunstmest en omdat het werk met de hand wordt gedaan in plaats van met diesel slurpende tractors. In de woorden van Gareth Tho­mas, Brits minister van Handel en Ontwik­ke­lings­samenwerking toen het onderzoek werd gepubliceerd: ‘Met de auto 10 kilometer naar een winkel rijden kost meer CO2 dan een pak sperziebonen uit Kenia laten vliegen.’

Dit kan ook voor Hollandse appels gelden. Ze worden in de nazomer geoogst en de rest van het jaar in koelcellen bewaard. Als ze tien maanden in een koelcel hebben gelegen, hebben ze meer energie verbruikt dan het kost om verse appels in te vliegen uit Nieuw-Zeeland. Ook biologische kiwi’s uit Nieuw-Zeeland kunnen dankzij hun productiemethode het milieu minder belasten dan niet-biologische kiwi’s die minder (vlieg)kilometers hebben afgelegd.

Dichtbij is dus lang niet altijd beter. Zelfs groenten die nul voedselkilometers afleggen – die uit eigen moestuin – kunnen het milieu zwaarder belasten dan groenten van verafgelegen akkers. U hoeft maar een keer met de auto een zak (kunst)mest te halen en de CO2-uitstoot per kilo wortelen (of andere groenten) overstijgt die van wortelen die in de supermarkt liggen, zo leert Australisch onderzoek. Grote boerenbedrijven gaan over het algemeen efficiënter om met mest, water en andere grondstoffen dan u dat thuis kunt – ook al moeten hun groenten nog een paar honderd kilometer vervoerd worden.

Arie Kievt/HH
Arie Kievt/HH
4. Iedereen moet biologisch eten

Dat zou een ramp zijn: honderden miljoenen mensen zouden van de honger sterven. Biologisch voedsel is gemiddeld drie keer duurder dan gewoon voedsel. Ruim een miljard mensen leeft van minder dan een dollar per dag en zij besteden meestal de helft tot tweederde van hun inkomen aan voedsel. Een verdrievoudiging van de voedselprijzen zou voor hen catastrofaal zijn.

Ook als rijke mensen in het Westen meer biologisch voedsel eten, krijgen ’s werelds armste mensen minder te eten. Biologische boeren produceren per vierkante kilometer slechts tachtig procent van wat de akkers van reguliere bedrijven opleveren, en volgens sommige onderzoeken zelfs vijftig procent. Om evenveel voedsel te produceren, hebben biologische bedrijven dus aanzienlijk meer land nodig. Het Hudson Institute’s Center for Global Food Issues schat dat moderne, efficiënte landbouwtechnieken de wereld 39 miljoen vierkante kilometer aan natuurgebied hebben bespaard, oftewel vijf keer de oppervlakte van het Amazone­regen­woud. Als de wereld zou overgaan op biologisch boeren, zou echter nog eens 26 miljoen vierkante kilometer aan onontgonnen bos tegen de vlakte moeten.

Als meer mensen biologisch gaan eten zonder dat er meer landbouwgrond bijkomt, daalt de totale mondiale productie en stijgen de prijzen, wat in de sloppenwijken van Tunis, New Delhi en Rio de Janeiro gevolgen zal hebben. Totdat de opbrengst van biologisch voedsel per oppervlakte-eenheid is verbeterd, is het niet goed voor de wereld om biologisch voedsel massaal te promoten.

Een nuancering is op zijn plaats. Michael Pol­lan, auteur van invloedrijke voedselboeken als The Omnivore’s Dilemma, merkt op dat een groot deel van het voedsel, met name in arme landen, zeer inefficiënt wordt verbouwd. Als al het voedsel in de wereld biologisch zou worden verbouwd, stijgt volgens hem de opbrengst met vijftig procent. Deens onderzoek gaat zelfs verder, en stelt dat als heel de wereld biologisch zou verbouwen, er genoeg voedsel voor iedereen zou zijn zonder dat daar extra land voor hoeft te worden ontgonnen. Wel moeten arme boeren dan toegang hebben tot voldoende mest, en dat is niet altijd het geval.

Aan biologisch voedsel kleven nog meer nadelen. Zo leidt biologisch vlees tot meer klimaatverandering dan gewoon vlees. Biologisch vee mag gelukkiger zijn, het produceert wel meer klimaatgassen. Per liter geproduceerde melk stoten biologische koeien minder CO2 uit dan hun zusters in de reguliere veehouderij, maar ze produceren weer veel meer methaan en lachgas, die veel schadelijker zijn (de oorzaak is een verschil in dieet). In totaal levert dit meer klimaatverandering op. Ander onderzoek vergeleek de CO2-uitstoot per liter melk in de Verenigde Staten in 1944 (toen er biologischer werd geboerd) met die van 2007. Tegenwoordig is de CO2-uitstoot per liter melk 37 procent van wat die zestig jaar geleden was.

Herman Engbers/HH
Herman Engbers/HH
5. Biologisch eten is lekkerder

Als u het lekkerder vindt, eet dan vooral biologisch voedsel. Maar de vraag is of u geblinddoekt het verschil proeft. In Brits onderzoek zei tweederde van de ondervraagden dat biologisch voedsel beter smaakt. Maar bijna niemand kon zonder etiket het verschil proeven tussen reguliere en biologische producten (behalve sinaasappelsap, waarover zo dadelijk meer). Ook in Amerikaans onderzoek konden consumenten het verschil niet proeven tussen biologisch en regulier fruit en groenten. Smaken verschillen, bovendien. Zo vonden proefpersonen in het Britse onderzoek biologisch sinaasappelsap lekkerder, terwijl in het Amerikaanse onderzoek regulier sinaasappelsap juist weer smaakvoller werd gevonden.

De claim dat ‘biologisch voedsel beter smaakt’ is in algemene zin dus niet houdbaar. Wel zijn er per product verschillen. Een biologische kip van een goed ras die geleefd heeft zoals in grootmoeders tijd normaal was, smaakt onmiskenbaar beter dan een industriële plofkip. Maar de smaakverschillen tussen een Puur & Eerlijk-kippenbout van Albert Heijn en een reguliere in dezelfde winkel zijn een stuk kleiner. En het verschil tussen biologische en gewone gehaktballen is verwaarloosbaar.

Uiteraard is het mogelijk dat u sla van die gezellige biologische boerenmarkt lekkerder vindt dan die van een grote supermarktketen. Het is zelfs mogelijk dat u deze geblinddoekt als lekkerste aanwijst. Hier zijn echter an­de­re factoren dan de biologische teelwijze voor echverantwoordelijk. In voornoemd Amerikaans onderzoek kon alleen versheid de voorkeuren van de consumenten verklaren. Of een product volgens de eisen van een biologisch keurmerk is geteeld, maakt voor de smaak niet uit.

Het respectabele Zwitserse Forschungsinstitut für biologischen Landbau concludeert: ‘Er is brede overeenstemming dat (…) er geen bewijs is dat biologisch voedsel gezonder en veiliger is, en de meeste studies die de smaak en de zintuiglijke kwaliteit van biologische en conventionele voeding vergelijken, rapporteren geen consistente of significante verschillen.’

Sabine Joosten/HH
Sabine Joosten/HH
Steeds meer biologisch

Nederlandse consumenten besteedden vorig jaar 881 miljoen euro aan biologisch voedsel, 17,1 procent meer dan in 2011. Dit is meer dan de groei van totale voedselbestedingen in 2010 (2,8 procent). Met andere woorden: het aandeel biologisch voedsel stijgt.

Twee procent van al het voedsel in Nederland is biologisch (0,3 procentpunt meer dan in 2010). De groei zit vooral in vers voedsel; daar nam het marktaandeel toe van 2,7 naar 3,1 procent. Bij eieren is de groei zelfs tien procent.

Supermarkten zijn de hofleverancier van biologisch voedsel. Van al het biologisch voedsel wordt 48 procent hier verkocht. Dit is drie procentpunt meer dan het jaar ervoor. Het aandeel van speciaalzaken daalt juist van 35 naar 32 procent. Biologisch voedsel wordt dus steeds meer mainstream.

In Nederland groeit de omzet van biologisch voedsel sneller dan in de rest van Europa, gevolgd door Zwitserland en Oostenrijk. Qua marktaandeel zijn wij echter niet meer dan een middenmoter. Denemarken, Zwitserland en Duitsland zijn koploper. Wereldwijd groeide de omzet van biologisch voedsel met 8,8 procent (in 2010, recentere cijfers zijn niet voorhanden). Bron: LEI (onderdeel Wageningen UR) Monitor Duurzaam Voedsel 2011.

Lees hier het interview met Teun van de Keuken over ‘puur en eerlijk’ eten. Lees ook over ‘De meest misleidende voedselverpakkingen’.