Langs de Japanse kust staan vijftig kerncentrales. Ze liggen stil sinds de aardbeving, tsunami en kernramp in Fukushima op 3 maart 2011. Zestig procent van de 
Japanners zegt in peilingen tegen herstart 
te zijn, maar slechts weinigen durven zich uit 
te spreken. Twee boeddhistische abten aan 
de westkust doorbreken het taboe.

De gasten van zijn vader waren toeristen. Ze zwommen in de baai van Wakasa, ze visten, ze roeiden en ze bezochten boeddhistische tempels in de bergen. De zoon ziet nooit meer een toerist. De herberg die Hiroji Morishita van zijn vader overnam, zit vol met arbeiders van de kerncentrale Ohi. Vier pastelgroene koepels aan de baai. De arbeiders spreken in de herberg over van alles en nog wat, maar nooit over wat ze in die koepels doen.

De kerncentrale is offline, de arbeiders doen alleen maar onderhoud en voeren orders van hogerhand uit. Ze bouwen een elf meter hoge muur in een uitloper van de baai, tegen de tsunami’s waarvoor iedereen vreest sinds de aardbeving, tsunami en kernramp van 11 maart 2011 die het leven wegvaagde uit Fukushima. De Japanners hebben de ramp vernoemd naar de datum waarop hij plaatsvond: 3/11. Een dag als een waterscheiding, analoog aan het Amerikaanse 9/11, de dag waarop de Twin Towers werden neergehaald.

Hiroji Morishita reisde twee keer naar Fukushima om de gevolgen te zien van wat er die dag plaatsvond. Hij legde 650 kilometer af, stak het land over van de westkust naar de oostkust. Spookdorpen trof hij aan. Karkassen van koeien en paarden. Weggeslagen huizen. In Fukushima vond de grootste aard beving in Japan ooit plaats en de grootste kernramp ter wereld na Tsjernobyl in 1986. Meer dan 24.000 mensen kwamen om of raakten vermist door het geweld van de aardbeving en tsunami, 80.000 inwoners van de streek moesten gedwongen vertrekken vanwege radioactieve straling. De meesten zijn nog steeds niet teruggekeerd.

Vissershaven met uitzicht op een centrale. Foto Q. Sakamaki/Redux/HH
Vissershaven met uitzicht op een centrale. Foto Q. Sakamaki/Redux/HH

‘Als wij in Ohi een aardbeving hebben,’ zegt Morishita, ‘dan hebben we hier een kernramp met de kracht van drie Fukushima’s in elk van de vier reactors.’

Nucleaire slaven
Hiroji Morishita is uitzonderlijk: hij praat over de kerncentrale die het leven in Ohi beheerst, maar waarover niet gesproken wordt. Waarover nooit gesproken wordt. Zijn vader had een moeizaam leven, het was elk seizoen weer afwachten hoeveel toeristen er in zijn herberg zouden komen. Morishita heeft dat probleem niet meer. Sinds de eerste twee van de vier kernreactors hier in 1979 gebouwd werden, zitten de kamers automatisch vol met arbeiders uit andere delen van het land. Ze worden afgeleverd in busjes van hun werkgever, tijdelijke arbeidskrachten die het vuile en gevaarlijke werk uitvoeren in het hart van de kerncentrale. Later, in Tokyo, vertelt iemand me de naam waaronder ze bekendstaan: nucleaire slaven.

Morishita is dubbelhartig over de kerncentrale aan de baai van Wakasa. ‘De centrale maakt mijn leven gemakkelijk,’ zegt hij, ‘daarom ben ik blij dat hij hier gebouwd is en hoop ik dat hij spoedig weer opengaat. Maar sinds ik in Fukushima ben geweest, weet ik ook dat kernenergie giftig is en het leven op aarde bedreigt. Binnenskamers kan ik daar wel wat over zeggen, maar daarbuiten kan ik me dat niet veroorloven.’

Als voorzitter van de lokale ondernemersbond spreekt hij met de bazen van de centrale over de verdeling van de arbeiders over de herbergen en de tarieven daarvoor. ‘Ik heb me aangepast aan de kerncentrale,’ zegt Mori shita, ‘en als de centrale dicht blijft, dan pas ik me aan die situatie weer aan. Men moet yoyu hebben, evenwichtig zijn onder alle omstandigheden, dan hebben die geen vat op je. Wij Japanners zijn daar goed in. Maar ik hoop dat de kerncentrale snel weer opengaat, omdat het economisch gezien beter is. Veel mensen hier denken zo, ook al weten we dat kernenergie schadelijk is. Zo is de mens: we weten dat bepaalde dingen niet goed voor ons zijn, maar we doen ze toch. Iedereen weet dat de energieverspilling in onze steden de aarde opwarmt en het leven bedreigt, maar niemand verandert er zijn levensstijl voor.’

In 2010 leverden de kerncentrales dertig procent van de totale energie in Japan; sinds de ramp in Fukushima is dat teruggebracht tot nul

Na anderhalve week in Japan is Morishita de eerste Japanner die zijn mond tegen me opendoet. De duizenden Japanners in de straten van Kyoto en Tokyo vormden een onneembaar front van gelijk ogende wezens, met elkaar verbonden door een taal die zij wel spreken en ik niet. Met miljoenen bevolken zij Kyoto, Tokyo en Osaka: steden van staal, glas, neon en beton, waarin het leven onvoorstelbaar is zonder de elektriciteit waarop hun computers draaien, de neonlichten schijnen, de metro’s rijden, de roltrappen stijgen en dalen, de airco’s koelen.

De Japanse steden groeiden na de Tweede Wereldoorlog uit tot de megasteden van nu. De oorlog eindigde hier zoals bekend met twee Amerikaanse kernbommen op Hiroshima en Nagasaki, waarna in een paar decennia tijd het moderne Japan uit de grond werd gestampt. Om hun steden van stroom te voorzien, bouwden de Japanners sinds midden jaren zestig meer dan vijftig kerncentrales, verspreid over het land. Ze staan in gebieden zoals Fukushima: ver weg van de steden waarvoor zij de elektriciteit opwekken, in dun bevolkte streken aan de kust, waar het water van de oceaan als koelwater dient. In ruil daarvoor ontvingen gemeentebesturen jaarlijkse commissies en subsidies van de nationale overheid, die nauwe banden onderhoudt met de industrie.

In 2010 leverden de kerncentrales dertig procent van de totale energie in Japan; sinds de ramp in Fukushima is dat teruggebracht tot nul. Alle centrales zijn nu dicht. Ze moeten aan verscherpte veiligheidseisen voldoen om weer te mogen starten. Ter compensatie importeert Japan extra olie en gas uit het buitenland, voornamelijk uit het Midden-Oosten. Aan deze situatie moet volgens premier Shinzo Abe zo snel mogelijk een einde komen, met een nationaal begrotingstekort dat inmiddels is opgelopen tot meer dan honderd miljard euro. In april 
vorig jaar keurde het kabinet zijn nieuwe energieplan goed, waarin kernenergie tegen de verwachting in een belangrijk on derdeel blijft van de energiemix van Japan. Vorige maand bevestigde Abe’s Liberaal Demo cratische Partij haar meerderheid in het parlement met ingelaste verkiezingen. Kernenergie was geen verkiezingsthema, de economische malaise was dat wel. Abe wil vaart zetten achter de herstart van centrales om van de dure import af te komen. De premier heeft wel een probleem: volgens opiniepeilingen wil een meerderheid van de Japanners drie jaar na Fukushima af van de kerncentrales.

Kritiek is taboe
Ik breng de nacht door in een huis op vijftig kilometer afstand van de kerncentrale van Ohi aan de westkust, op de bank. Niet bij een Japanner, maar bij de Canadese Tracey Glass. Fors als een sumoworstelaar, haar wilde bos grijze krullen doorschoten met paarse en groene lokken, aan één stuk door pratend met een stem als Tom Waits, is ze alles wat een Japanse vrouw niet is. Maar ondanks haar exotische uiterlijk – of misschien wel dankzij haar exotische uiterlijk – blijkt ze bij de Japanners in de streek Wakasa, waar vijftien kerncentrales langs de kustlijn staan (de grootste concentratie ter wereld), met ongewone uitbundigheid ontvangen te worden. Ze is kind aan huis bij hen. Morishita de herbergier brengt uren met ons door aan zijn keukentafel.

Zonder Tracey Glass was het zeer twijfelachtig geweest of hij en andere Japanners in Wakasa hun mond tegen me open zouden hebben gedaan. Het Engels dat ze allemaal op school hebben geleerd, komt bij de meesten niet over de lippen uit angst om fouten in de grammatica te maken. ‘Daar komt bij,’ zegt Glass, ‘dat Japanners niet graag hun mening geven; discussie wordt gezien als gevaar dat de evenwichtige relaties kan verstoren. Kritiek op de kerncentrales is hier taboe. Ook al laten peilingen zien dat een grote meerderheid nu voor sluiting is, buiten een kleine groep actievoerders hoor je er niemand over.’

Kerncentrale van Ohi aan de baai van Wakasa. Foto Annerieke Goudappel
Kerncentrale van Ohi aan de baai van Wakasa. Foto Annerieke Goudappel

Twintig jaar geleden bouwde ze met hulp van Japanse aannemers haar huis met atelier en kleioven, waarin ze haar keramische kunstwerken bakt. Lang zocht ze naar de perfecte plek: in de bergen, nabij een riviertje, niet te dicht bij de bewoonde wereld en ook weer niet te veraf. De aanwezigheid van de kerncentrale speelde in haar zoektocht geen rol. ‘Maar sinds de ramp bij Fukushima is het een enge gedachte om vlakbij een kerncentrale te wonen, op een plek die net zo gevoelig is voor aardbevingen als Fukushima. Toch ga ik niet zomaar weg, ik woon hier, ik ben hier thuis.’

Kerncentrale op breuklijnen
Met haar 4 x 4 rijdt Glass met me langs de plekken in Ohi die er niet waren geweest als de Kansai Electric Power Corporation hier geen kerncentrale had neergezet. De brug naar het schiereiland. Strakke asfaltwegen. Een immense sauna. ‘Waarin nooit iemand zit,’ zegt Glass. Voetbalvelden. Het gemeentehuis. ‘Allemaal betaald met geld dat de gemeente binnenkrijgt omdat de kerncentrale hier staat.’

Op de achterbank zit Takumi Saruhashi, gemeenteraadslid voor de communistische partij. Hij is een van de drie raadsleden die zich door de jaren heen tegen de kerncentrale bleven verzetten. Saruhashi zegt dat er begin jaren zeventig een flink aantal inwoners van Ohi tegen de komst van de centrale was. Vooral de vissers. Ze waren bang dat niemand hun vis meer zou willen en vonden het onlogisch om een kerncentrale te bouwen op breuklijnen. ‘De protesten verstomden toen de centrale er eenmaal stond. Veel mensen die eerst tegen waren, kwamen in dienst van de kerncentrale of een van de toeleveranciers. Ze zagen hun welvaart stijgen. De gemeente had geen moeite meer om infrastructuur aan te leggen en begrotingen rond te krijgen.’

De kerncentrale van Ohi ligt op de punt van een schiereilandje in de Baai van Wakasa, aan de Japanse Zee. Manshoge verrijdbare hekken versperren de toegang, drie bewakers kijken door de tralies met strakke blik de weg op. Tracey Glass wisselt wat woorden met de bewakers. De jongste van de drie verdwijnt in een gebouwtje en keert even later terug met een brochure waarin de werking van de kerncentrale wordt toegelicht. ‘In dat gebouwtje,’ zegt Glass, ‘ontvingen zij bezoekers. Elke kerncentrale heeft zo’n bezoekerscentrum voor pr-doeleinden. Hele schoolklassen kwamen eropaf en Kansai betaalde de busrit.’ Sinds 3/11 is er geen rondleiding meer geweest.

‘Hebzucht ligt aan de wortel van de levensstijl waarvoor we kernenergie nodig hebben, onze hele natie is sinds een halve eeuw in de greep van de hebzucht’

Japan werd na 3/11 een ander land – niet alleen vanwege Fukushima, waar tot op de dag van vandaag radioactief water weglekt, maar vooral vanwege een veranderd sentiment. Het vertrouwen in het landsbestuur is nog nooit zo laag geweest. Bij de verkiezingen van vorige maand ging maar 52,7 procent van de bevolking stemmen, de laagste opkomst sinds de Tweede Wereldoorlog. De Japanners komen op me over als gespleten mensen: met één been in een tijd waarin alles wat de overheid deed in het belang van het volk was en één been in de tijd na 3/11 waarin zo’n overheid ontmaskerd werd als een mythe. Velen hinken van het ene been op het andere.

De schimmige berichtgeving over Fukushima helpt ze ook niet. Rapporten over de hoeveelheid radioactieve straling, over de maatregelen en het optreden van de overheid spreken elkaar tegen. Reporters Without Borders meldt dat onafhankelijke journalisten die onwelgevallig over Fukushima berichten de geheime dienst op bezoek krijgen. Japan kelderde in de afgelopen twee jaar 31 plaatsen op de Reporters Without Borders Press Freedom Index, wat met name te danken is aan regeringsfunctionarissen die informatie over Fukushima achterhouden en manipuleren. Eind december 2013 keurde het parlement een nieuwe veiligheidswet goed die het geheimhouden van informatie over kernenergie en andere vitale onderwerpen legaliseert, als dit omwille van het landsbelang wordt geacht.

Niet gewend om zich uit te spreken, niet gewend om zich met politiek te bemoeien, niet gewend om de straat op te gaan, houden de meeste Japanners zich stil. Actiegroepen hebben moeite om zich financieel staande te houden en om mensen de straat op te krijgen. Het aantal demonstranten dat in Tokyo met regelmaat protesteert tegen de plannen om de kerncentrales te herstarten, is in dit land met zijn 127 miljoen inwoners nog nooit boven de 200.000 uitgekomen.

Tempel in Ohi. Foto Annerieke Goudappel
Tempel in Ohi. Foto Annerieke Goudappel

In de schaduw van de kerncentrale van Ohi drijven houten vlonders in de baai waarop jongens hun hengel uitgooien in het azuurblauwe water. Rondom hen verrijzen de rotsen langs de kust, de bergen steken zwart af tegen de lucht. Verscholen tussen de bomen moet daar de eeuwenoude Myotsuji-tempel liggen.

Voordat hoofdabt Tetsuen Nakajima een woord over kernenergie vuilmaakt, wil hij zijn tempel laten zien. De oude abt is een minzaam lachende man met een groot, kaalgeschoren hoofd op een tenger lichaam. Met snelle tred gaat hij voor op een trap naar een houten pagode van drie verdiepingen hoog. De abt zegt dat zijn voorgangers eeuwen geleden deze plaats voor hun tempel uitkozen vanwege de bergen, de twee rivieren en de zon die ’s ochtends verschijnt boven de bergtoppen. ‘Zij stellen ons in staat om op te gaan in de omringende natuur. Volgens de legende bouwde een oude man in 806 de eerste tempel aan de hand van deze geografische richtlijnen. In een droom werden ze hem meegedeeld. De pagode is uit de dertiende eeuw, toen de Mongolen het land binnenvielen en overal chaos heerste. Het is een symbool voor de vrede. De inwoners van Wakasa kozen destijds voor vreedzame actie en tegen gewapende strijd. Dat is de geest waarin ook wij actie voeren: geweldloos, voor het behoud van onze natuurlijke omgeving.’

Omringd door helse katten staren drie standbeelden iedereen aan die het hoofdvertrek binnenkomt. Hun ogen puilen uit hun kassen, een verbeten trek speelt om hun opengesperde mond. In de dertiende eeuw heeft iemand deze beelden uit een boom gesneden en nu zijn ze nationaal cultureel erfgoed en trekken ze duizenden bezoekers per jaar. ‘De beelden symboliseren woede,’ zegt Nakajima, ‘maar ze doen dat met groot mededogen, zodat de mensen zich niet laten afleiden door woede en andere emoties. Ze sporen aan om emoties te beheersen in plaats van dat zij jou beheersen.’

Op een tafeltje naast de beelden heeft hij een petitie neergelegd tegen de herstart van de kerncentrales in Wakasa, aan de wand hangt een poster die een lezing aankondigt van een wetenschapper die zich uitspreekt tegen kernenergie. ‘Hebzucht ligt aan de wortel van de levensstijl waarvoor we kernenergie nodig hebben, onze hele natie is sinds een halve eeuw in de greep van de hebzucht.’

Obama’s evacuatieroutes
Japan is een boeddhistisch land zoals Nederland een christelijk land is: seculier, maar vol religieuze bouwwerken waarin een slinkend deel van de bevolking haar toevlucht zoekt. In de hoogtijdagen onderhielden de boeddhisten nauwe banden met de heersende shoguns, de Japanners waren verplicht zich aan te sluiten bij een tempel in de buurt waar zij woonden. Tijdens de opkomst van Japan als technologische natie verdwenen de zeventigduizend boeddhistische tempels langzaam naar de marge van de samenleving.

Na 3/11 kwamen veel boeddhisten in actie, alsof ze uit de sluimer van hun bestaan werden gehaald. De meesten van hen zetten zich in als barmhartige Samaritanen. Ze boden de slachtoffers uit het getroffen gebied onderdak in hun tempels, gaven ze voedsel en medicijnen. Boeddhistische monniken die publiekelijk ageren tegen het bestaan van de kerncentrales zijn net zo uitzonderlijk als de herbergier die zich uitspreekt over de schadelijke effecten van kernenergie.

Tetsuen Nakajima trok een kwart eeuw lang met zijn bedelkom door Obama en omstreken. Tussen 1968 en 1994 ging hij van deur tot deur om aandacht te vragen voor de hibakusha, de overlevenden van de kernbommen op Hiroshima en Nagasaki. ‘Zij leven met hun stralingsziekte in de hel op aarde,’ zegt hij. Na verloop van tijd begon hij zich ook te bekommeren om de dagloners van de kerncentrales, die vaak dezelfde verschijnselen vertoonden. In een artikel dat hij elf jaar voor 3/11 schreef, heeft hij het over 350.000 arbeiders die tijdelijk aangetrokken werden om de radioactieve vervuiling weg te halen, voordat de werknemers van Kansai en consorten de reactor betraden. In het jaar van Fukushima schatte de New York Times hun aantal op een half miljoen. ‘Gewone mensen in de stad,’ zegt Nakajima, ‘die comfortabel in hun appartementen wonen waar de opgewekte stroom naartoe gaat, hebben geen benul welke structuur schuilgaat achter hun stroomvoorziening.’

Het lukte Nakajima om eind jaren zeventig mensen bijeen te krijgen in de Obama Citizen’s Association Against Nuclear Proliferation. Ze verzamelden veertigduizend handtekeningen tegen de geplande kerncentrale in Obama, die daardoor nooit is gebouwd. Op straat loop ik niet alleen langs bordkartonnen versies van de Amerikaanse president Obama, maar ook langs borden met evacuatieroutes, omdat de vijftien kerncentrales die er wel kwamen in Wakasa niet ver weg zijn.

‘In een eeuw tijd zijn waardevolle culturele tradities en handvaardigheden verdwenen uit Japan. Bedrijven hebben geen mensen nodig, maar robots’

De kerncentrale van Ohi, hemelsbreed op tien kilometer afstand van Obama, stond in de zomer van 2012 op de nominatie om als eerste van het land weer online te gaan. Tracey Glass was erbij toen enkele honderden demonstranten, afkomstig uit het hele land, met drums en megafoons de toegang blokkeerden, totdat de politie ze wegsleepte. Ze hadden het twee weken volgehouden. ‘Het was vreedzaam,’ zegt ze, ‘we zeiden tegen de agenten: we staan aan dezelfde kant, ook jullie hebben last van de kerncentrales, maar jullie weten het nog niet.’

Voorafgaand aan de herstart van Ohi, in de zomer van 2012, was er een openbare vergadering van de gemeenteraad. De gouverneur was overgekomen uit Fukui en de onderminister van Industrie uit Tokyo. De burgemeester nam het woord. Hij was voor heropening van de kerncentrale, de gouverneur en de onderminister waren het met hem eens. De veiligheid was na de laatste onderhoudsronde voldoende gegarandeerd, de economische noodzaak hoog. Het eerste raadslid dat reageerde, eindigde zijn betoog over de herstart met de woorden: ‘We zijn het er allemaal mee eens, ga alstublieft van start.’

Toen nam een zenmeester het woord, wat nog nooit eerder was voorgekomen. Jiku Miyazaki wees op de werkelijkheid van Fukushima. Op de radioactieve besmetting van het land, van de rijst en van de zee. Op de mensen die hun huis moesten verlaten, op de boer die zelfmoord pleegde. ‘De laatste boodschap van de boer, op de muur van zijn lege stal, was: “Ik wou dat er geen kerncentrales bestonden.” Van herstart in Ohi kan geen sprake zijn zolang de werkelijke oorzaak van de meltdown niet bekend is. Hetzelfde kan hier gebeuren.’ Uit de stemming bleek dat drie raadsleden de mening van Miyazaki deelden, de rest stemde voor de herstart, die kort daarna Tracey Glass en de andere demonstranten op de been bracht. De Ohi-reactors 3 en 4 gingen open zoals gepland.

In september 2013 gingen ze weer dicht, voor onderhoud. Ze kunnen pas weer herstarten als aan de nieuwe veiligheidseisen van de Nucleaire Regulering Autoriteit is voldaan. Half juli vorig jaar kreeg de Kyushu Electric Power Corporation als eerste toestemming om in het zuidelijk gelegen Sendai met twee reactors weer online te gaan. Na de laatste veiligheidstesten kan dat elk moment gebeuren. In november werd de laatste politieke horde genomen toen de gouverneur akkoord ging, te midden van een bevolking die in dezelfde spagaat verkeert als in Ohi. Aan de ene kant het taboe om zich tegen de broodheer te keren, aan de andere kant de weerstand tegen de kerncentrale, met Fukushima op het netvlies.

Zonnepanelen
De tempel van de 70-jarige Miyazaki ligt tien kilometer ten zuiden van de kerncentrale van Ohi en negen kilometer ten noorden van die in Takahama. Als twintiger liftte Miyazaki door Europa. Hij had nog niets met zen te maken en las Nietzsche. Terug in Japan trainde hij jarenlang in zenkloosters om zijn inzicht te scherpen, maar hij kwam zijn meester pas tegen in het noorden: een abt die zijn tempel verlaten had en achter de balie stond van de drogisterij van de vrouw met wie hij besloten had te trouwen. Miyazaki leerde zichzelf Engels door naar radioprogramma’s van de BBC te luisteren. Hij denkt na en schrijft stukken, maar voor actievoeren heeft hij geen talent, zegt hij. Mensen die daar wel talent voor hebben, kunnen zijn stukken gebruiken bij hun acties tegen kernenergie.

Zijn vrouw heeft een onberispelijke futon voor me gevouwen in een onberispelijk vertrek. De Miyazaki’s staan in de wijde omtrek bekend om hun gastvrijheid. In een handomdraai veranderen zij met schuivende panelen een deel van hun tempel in gastenkamers. Het is een familietempel, de zestig aangesloten families uit de buurt vormen de danka, te vergelijken met de parochies van katholieke kerken. Veertig procent van de inwoners van Ohi werkt bij de kerncentrales of een van de aanleverende bedrijven. ‘Onze tempel,’ zegt Miyazaki, ‘wordt gesteund door een groot aantal van deze mensen. Zij leven van de kerncentrale en moeten hun gezin onderhouden. Dat maakt het zo moeilijk om kritiek te uiten op de kerncentrale.’

Voorafgaand aan de ramp van Fukushima had Miyazaki zijn twijfels over kernenergie, maar hij voelde nooit de noodzaak om zich erin te verdiepen. ‘Ons werd altijd verteld dat er geen ernstige ongelukken konden gebeuren, en nu zagen we elke dag op de televisie radioactieve vloeistof de zee in lekken, de stroom vluchtelingen. Toen ben ik informatie gaan verzamelen. Sinds de discussie over de herstart spreek ik me uit tegen kernenergie, niet alleen voor deze gemeenschappen, maar voor heel Japan. Kernenergie is simpelweg niet te verenigen met het leven op aarde.’

Foto Annerieke Goudappel
Foto Annerieke Goudappel

Intussen zijn Japanse bedrijven in ijltempo alternatieven aan het ontwikkelen, met in de voorhoede elektronicagigant Panasonic, dat zonnepanelen wil installeren op de daken in de steden. De ontwikkeling wordt aangejaagd doordat alle elektriciteitsbedrijven sinds de zomer van 2012 verplicht zijn om duurzaam opgewekte stroom in te kopen tegen een hoog tarief. Duurzame energie maakt ongeveer tien procent van de nationale energiemix uit, volgens het nieuwe energieplan moet dat in 2030 zijn verdubbeld, een percentage waar de Japan Renewable Foundation behoorlijk teleurgesteld over is. ‘Zelfs Kansai kijkt naar zonnecollectoren en windturbines,’ zegt Miyazaki, ‘maar blijft daarnaast volhouden dat kernenergie schoon en veilig is.’

Op de laatste avond aan de westkust rijdt Tracey Glass dieper de bergen in naar een oude boerderij waar schrijfster Yoshimi Nakagawa laat zien hoe je een traditionele Japanse maaltijd bereidt. ‘Japan is een gespleten land,’ zegt ze, ‘tussen de industrie en de mensen. Het levert ons losgeslagen jongeren op, ze hebben alleen nog maar een connectie met hun elektronische apparaten, maar niet met de mensen om hen heen. In gezinnen wordt niet meer gepraat, de jeugd zit niet meer aan tafel voor de maaltijd. In een eeuw tijd zijn waardevolle culturele tradities en handvaardigheden verdwenen uit Japan. Bedrijven hebben geen mensen nodig, maar robots.’

Zij wil de tradities opschrijven, voordat ze allemaal verdwenen zijn; haar laatste boek heeft als titel Het Japan van niet zo heel lang geleden. Glass en de bankier die ook aangeschoven is, worden luidruchtiger naarmate de fles sake leger raakt, Yoshimi’s kin zakt langzaam op haar borst. ‘Maak je geen zorgen,’ zegt Glass, ‘dat doet ze altijd.’

Fuikui: een wal moet water en modderstromen tegenhouden in een gebied met drie kernreactors. Foto Q. Sakamaki/Redux/HH
Fuikui: een wal moet water en modderstromen tegenhouden in een gebied met drie kernreactors. Foto Q. Sakamaki/Redux/HH

De sake was een geschenk van Miyazaki. Hij liet zonnepanelen op het dak van zijn tempel plaatsen, op een digitaal schermpje ziet hij precies hoeveel kilowattuur stroom hij opwekt en verbruikt. In de winter heeft Miyazaki niet genoeg aan zijn zonnepanelen, dan stookt hij brokjes geperst afvalhout. Ze zien eruit als konijnenvoer. ‘We hebben geen enkele invloed op politici,’ zegt hij, ‘maar dit is wat we kunnen doen. Laten zien dat alternatieve energie de toekomst heeft, een heilzame levensstijl aannemen, mensen bij elkaar halen om te praten over een nieuwe lokale economie. De omschakeling hoeft niet op stel en sprong. Daar is tijd voor, het ontmantelen van de centrales zorgt de komende veertig jaar voor heel wat werk.’

Miyazaki weet dat zijn actieve houding schuurt met de naar binnen gerichte blik die verlangd wordt van zenpriesters. Maar voor hem bestaat die tegenstelling niet. ‘Zen gaat over “niet denken” en “geen zelf”, een staat waarin alles is zoals het moet zijn, zonder dat wij ingrijpen. Maar in het leven van alledag moet je kritisch zijn, ook over wat autoriteiten zeggen. Zenmonniken die zeggen dat alles goed is zoals het is, zijn dead men. Wij zijn levende mensen, we hebben te maken met een dagelijkse werkelijkheid. De kernramp in Fukushima veroorzaakte werkelijk lijden en we kunnen voorkomen dat het nog een keer mis gaat.’

Dit artikel is tot stand gekomen met steun van 
het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten (www.fondsbjp.nl).