Emma Bruns (34) overbrugt bijna elke dag de honderd meter van haar huis aan de boulevard in Egmond aan Zee naar de kustlijn van de Noordzee om een duik te nemen. Ongeacht het weer – binnen het acceptabele. De chirurg in opleiding en publiciste over gezondheidszorgelijke kwesties in onder meer NRC Handelsblad is geen Wim Hof-volgeling. Er verschijnen ook geen heldhaftige foto’s van haar zwempartijtjes op Instagram. Ze is gewoon, zegt ze op haar site, een ‘sucker for nature’, en ze is sportief aangelegd. Zwemmen in de zee verbindt die twee kwaliteiten binnen een kwartier. Handig voor iemand die weinig tijd heeft.

Ik tref Bruns tussen twee nachtdiensten in. Die zijn sinds de lockdown-met-avondklok een stuk rustiger dan voorheen: geen dronken scholieren die van hun fiets lazeren, geen kroeggevechten, nauwelijks nachtelijke verkeersongevallen. Te midden van alle corona-ellende zit daar ongeplande gezondheidswinst, zegt ze. Wat is gebleven, zijn veel oude mensen die om vier uur ’s ochtends onderweg naar de badkamer vallen en een heup breken.

Bruns heeft het niet zo op de nachtdienst. Niet om de hoeveelheid of het soort werk, maar omdat ze liever opstaat als het licht wordt en naar bed gaat na zonsondergang. Dat past bij een buitenmens, die overigens verdraaid veel tijd binnen doorbrengt: een uur of zestig per week op operatiekamers, in de polikliniek en op de Eerste Hulp van de Noordwest Ziekenhuisgroep in Alkmaar of Den Helder, waar ze een deel van de algemene chirurgieopleiding doet (voor de academische kant daarvan verkast ze na de zomer naar het Amsterdam UMC). Als ze niet bezig is met patiëntenzorg, zit ze er thuis vaak kritisch over te schrijven voor een column of een TED-talk.

Thuis, een appartement op de begane grond dat ze deelt met haar vriend, is in haar geval niet helemaal where the heart is. ‘Ik vind spullen irritant,’ zegt ze. Die antipathie is zichtbaar. De weinige meubelstukken komen van het grijze-muizenhoekje in de kringloopwinkel. Er hangt vrijwel niets aan de muren en er ligt geen kleed op de grijswitte plavuizen. Een bezem, in de meeste huishoudens uit het zicht gewerkt, neemt bij hen een centrale positie in. Voor de sfeer moet de woonkamer het hebben van een elektrische piano, de slingers aan het plafond (Bruns was vijf maanden geleden jarig, haar vriend twee) en natuurlijk van het uitzicht op zee.

Emma Bruns

Het huishouden van een chirurg

Ze zet thee terwijl ze een paar grappen maakt over de inrichting. ‘Mijn vrienden geven me vaak planten om het hier gezelliger te maken. Hopeloos in het huishouden van een chirurg.’

‘Komen mensen bij ons met een versleten heup, dan is dat vaak omdat ze te zwaar zijn. Maar ze zijn niet zomaar te zwaar geworden.’

Om plaats te maken, schuift ze haar laptop naar de zijkant van de tafel. Vers uit de nachtdienst was ze vanmorgen alweer voor dag en dauw bezig met een column voor NRC die vandaag af moet. Onder de titel ‘Onverschillig activisme’ gaat hij over de kunst van het niets doen: ‘misschien wel het moeilijkste wat er is omdat het grote goed van druk zijn ons met de paplepel wordt ingegoten’, citeert ze uit het stuk.

‘Daar komt bij dat de hoeveelheid data, en het onophoudelijke updaten daarvan, de laatste jaren enorm is toegenomen, terwijl ons vermogen daar conceptueel en rustig over na te denken is geslonken. Kijk naar corona. In plaats van dat eens per maand zinnige informatie uit de internationale onderzoekswereld voor ons op een rijtje wordt gezet, zitten tientallen experts, onder wie talloze experts tussen aanhalingstekens, op radio en televisie de hele dag door van alles te beweren, aangestoken door de dagelijkse stroom aan cijfers, die helemaal niet in dat tempo te duiden valt. Door niemand. Iets aanverwants zie je bínnen ziekenhuizen. We hebben nu bijvoorbeeld 24-uurssensors om de lichaamstemperatuur van patiënten te meten. Het is een technologische vooruitgang, maar wat moeten we eigenlijk met de extra stroom aan temperatuurgegevens? We weten niet waarnaar we kijken, maar we willen er toch iets mee, want informatie vergaren en er vervolgens niet op reageren, dát is moeilijk. Bij uitstek voor dokters, meestal mensen die geneeskunde zijn gaan studeren omdat ze iets willen doen. Tijdens de opleiding word je dan ook nog eens enorm gestimuleerd in de geldingsdrang die uitnodigt tot ingrijpen, versterkt door een hang naar superspecialisatie binnen het vak.’

https://www.vn.nl/product/vrij-nederland-nr-5-2021/

Wat is de samenhang tussen die twee?

‘Het draagt bij aan de moeizame verstrengeling van zowel gebrek aan kennis als de overdaad aan informatie in de geneeskunde. Een grappig voorbeeld vind ik altijd dat medicijnenstudenten aan het eind van de studie wel weten wat een feochromocytoom is, een zeer zeldzame bijniertumor waar je allerlei rare hoge bloeddrukverschijnselen van krijgt, maar niet weten wat een atheroomcyste is, een superveelvoorkomend goedaardig huidgezwel waar mensen echt last van hebben.

Dat toont aan hoezeer wij, artsen van nu, product zijn van een totaal doorgespecialiseerd systeem waarbinnen we te ver verwijderd zijn geraakt van huis- tuin- en keukengeneeskunde en te weinig oog hebben voor het lichaam en de geest van de patiënt in hun totaliteit. Zeker met de alsmaar toenemende vergrijzing zie je dat de drang naar superspecialisaties onder artsen steeds meer wringt. Komen mensen bij ons met een versleten heup, dan is dat vaak omdat ze te zwaar zijn. Maar ze zijn niet zomaar te zwaar geworden, een gesteldheid die dan weer tot gevolg heeft dat ze ook vaak diabeet zijn, waardoor hun wonden eerder infecteren na een operatie – aan die heup. Zo grijpt alles in elkaar.’

Emma Bruns

Rode draden tussen vakgebieden

Bruns’ overtuiging dat hybride denken de manier is om problemen op te lossen, werd gevoed als middelbare scholier in Antwerpen, waar haar vader een diplomatenbaan had in de haven en haar moeder werkte als rechter. Op een kleine nonnenschool doorliep Bruns het klassiek algemeen humaniora: een gymnasiumopleiding waarin tot het einde van het laatste schooljaar de nadruk ligt op zoveel mogelijk kennisvergaring in alle vakken. ‘Je begint met alles uit je hoofd te leren en op te zeggen, van de stelling van Pythagoras tot gedichten in het Oudgrieks. Uiteindelijk word je door dat eindeloze stampen van kennis beter in het zien van rode draden tussen vakgebieden, ook waar je ze niet verwacht.’

Dit alles gebeurt in een sterk hiërarchisch systeem met niet-getutoyeerde leerkrachten voor wie de leerlingen in uniform opstaan als ze binnenkomen. Bruns hield er een zeker respect voor hiërarchie aan over; niet om functie of titel, maar om wat iemand weet en hoe zij of hij zich gedraagt.

Joost mag weten waar ze de uren vandaan tovert, maar ze leest veel, ook over de geschiedenis van de chirurgie, het vakgebied waarin ze zich nu bekwaamt. Een medicus uit de zestiende eeuw die haar boeit is Andreas Vesalius. ‘Als jonge student geneeskunde in Antwerpen dacht hij tijdens de anatomielessen, toen gebaseerd op dierenlichamen: volgens mij klopt dit niet. In zijn vrije tijd haalde hij ’s nachts stiekem doden van de galgen, hij kookte ze in grote potten tot het vlees eraf viel, bestudeerde de skeletten en zette ze als puzzels weer ineen om te zien hoe een mens in elkaar zit. Er werd schande van gesproken, maar hij ging vervolgens de geschiedenis is als de grondlegger van de menselijke anatomie.’

Wat kunnen artsen van nu leren van Vesalius?

‘Toen ik anatomieles gaf aan beginnende geneeskundestudenten dacht ik altijd aan hem, door expres een fout te maken en dan te wachten tot een student opstond zei: volgens mij klopt dit niet. Dan vertelde ik zijn verhaal, met als boodschap dat we ons voortdurend moeten blijven afvragen of onze afspraken over wat waarheid is, en vooruitgang, nog wel kloppen.’

Ze maakt een sprongetje naar het alarmerende aantal jonge artsen dat kampt met burn-outklachten en/of het bijltje erbij neergooit. ‘Veel artsen van mijn leeftijd vinden ons vak te zwaar. De oplossing wordt gezocht in coaching en minder werken. Terwijl ik denk: we moeten meer investeren in kennis – wat iets anders is dan informatie – en zorgvuldiger gebruik van tijd.’

Leg de rode draad tussen meer kennis en minder burn-outs eens uit met een praktijkvoorbeeld?

‘Een oudere vrouw, hartpatiënt met een nieraandoening, belandt in het ziekenhuis met een gebroken heup. Komt veel voor. Die heup moeten we opereren, dat doen we ook en daardoor is mevrouw de volgende dag ontregeld. Ze moest de vorige dag nuchter blijven, ze heeft te weinig gedronken, de bloedverdunners voor het hart moesten tijdelijk worden stilgelegd. Dat leidt na de operatie tot een paar niet extreem ongebruikelijke complicaties.

De jonge arts – geconditioneerd om iets te doen en opgeleid door superspecialisten – wordt er onzeker van en vraagt voor alle symptomen een consult: aan de internist, aan de cardioloog, aan een geriater. De logistieke druk van artsen en verpleegkundigen die elkaar de godganse dag van alles vragen, geeft enorm veel stress. Vooral voor de jonge dokter, die na een x-aantal van dit soort kwesties overwerkt raakt. Niet omdat hij te veel werkt, maar omdat hij te weinig weet en te weinig zelf kan oplossen. Vrijheid krijgen zonder kennis levert verwarring en stress op.’

‘Hoe meer zinnige kennis we hebben, des te minimalistischer we kunnen zijn in het verhelpen. Dat is vooruitgang.’

Je haalt ook graag Voltaire aan: geneeskunde is het vermaak terwijl het lichaam zelf het probleem oplost.

‘En Hippocrates: niet de arts, maar het lichaam geneest de ziekte. Tijdens mijn opleiding tot tropenarts, ingegeven door mijn liefde voor reizen en de natuur, werkte ik een tijd in Afrika. Daar hebben ziekenhuizen weinig middelen, het politieke systeem is hopeloos corrupt en de armoede is enorm. Dat is allemaal verschrikkelijk, maar de kern van de geneeskunde – efficiënt, to the point, niet al te duur en makkelijk te begrijpen – kun je er uitstekend leren. Omdat je werkt in een organisatiestructuur die niet is ondergesneeuwd door een industrie aan innovatieve gadgets en behandelingen. Daarmee bedoel ik natuurlijk niet dat wij kiezen moeten gaan trekken zonder verdoving en ons niet moeten laten vaccineren, maar ik vind wel dat we nederiger moeten zijn naar de miljoenen jaren evolutie die de wereld kent, beter moeten kijken naar wat er al is. En hoe moeilijk dat ook is – en ik vind dat ook zelf heel moeilijk – we moeten in de geneeskunde veel meer naar de achtergrond treden.’

Hoe moet dat eruit zien in het huidige systeem? Neem de monsterfusie tussen het VUMC en het AMC, twee grote ziekenhuizen in Amsterdam. Die is er toch op gericht om juist meer te doen? En nog gespecialiseerder?

‘En toch treedt de geneeskunde ook daar meer naar de achtergrond, grappig genoeg vooral bij aandoeningen die we uitstekend begrijpen, zoals botbreuken. We houden mensen die iets hebben gebroken steeds korter in bed en we gebruiken steeds minder schroeven om een stabiele constructie te maken. Hoe meer zinnige kennis we hebben, des te minimalistischer we kunnen zijn in het verhelpen. Dat is vooruitgang, aansluitend bij Voltaire: een beetje minder vermaak terwijl de patiënt beter wordt.’

Helaas zijn botbreuken niet het grootste probleem van de huidige gezondheidszorg.

‘Vlak al die gebroken heupen niet uit. Maar inderdaad, een veel groter probleem is dat het gros van de patiënten – kinderen en dronken jongeren daargelaten – zestig jaar of ouder is en in de vorm van een welvaartsziekte de rekening gepresteerd krijgt van een bepaalde levensstijl. De verstokte roker heeft kanker of dichte vaten, de slechte eters hebben die ook plus diabetes, en die zwakke heupen en knieën. Het frustrerende is dat wij artsen vaak iets staan op te lossen terwijl we dondersgoed weten dat het voornamelijk pappen en nathouden is.’

Drie woorden komen bij mij op: pre.ven.tie.

‘Ook daarvoor geldt dat we het eerst beter moeten begrijpen om tot zinnige interventies te komen. Het woord preventie valt de hele dag door van links tot rechts, maar eigenlijk weten we nog niet goed hoe het moet. Sinds de verlichting geldt in ons deel van de wereld: ik denk dus ik ben, en daarmee ga ik, en alleen ik, over mijn lichaam. Zelfbeschikking is een groot goed, natuurlijk – en tevens een illusie want het kapitalistische systeem manipuleert ons waar we bij staan, maar goed, stel nu dat de volgende minister van Volksgezondheid nobel en vervuld van ambitie streeft naar nul obese burgers in 2050. Hoe paternalistisch gaan we dat dan aanpakken? En hoe krijg je de voedselindustrie in line? Er is ook nog relatief weinig onderzoek gedaan naar de effectieve methodes van preventie.

Laatst was er een grappig interview bij de BBC over de enorme stress die mensen krijgen van de stappenteller. Daarmee raak je goedbedoeld van de regen in de drup, met een torenhoge cortisolspiegel.’

Emma Bruns

Parallelle werelden

Bruns onderzocht voor haar promotie in 2019 de mogelijk gunstige effecten van preventie vlak voor een operatie. Het pakte zo goed uit dat ze nu vervolgsubsidie krijgt, en wereldwijde studies door andere wetenschappers plaatsvinden. ‘Een operatie is een helder, afgebakend moment waarin mensen een haast sportieve topprestatie moeten leveren. De ingreep en de narcose doen een gigantisch beroep op een lichaam qua hart, longen, immuunsysteem, wondgenezing, spijsvertering, noem maar op. Als je in een slechte conditie bent, ga je achteraf door een dieper dal, akelig voor de patiënt en een extra belasting voor het overbelaste systeem.

Mijn idee was: train mensen voor de operatie, stuur ze bij in voeding en ze komen er sterker uit. Samen met drie co-onderzoekers ontwikkelde ik een programma waarmee ze thuis onder meer seven minute workouts konden doen en dagelijks twee voedingsadviezen kregen. Met de uitvoering konden ze medailles sparen die ze na de operatie konden inruilen voor leuke dingen zoals een bezoek aan de Apenheul met hun kleinkinderen. Simpel, maar het werkt.’

En behoorlijk hybride, van een operatie naar de Apenheul.

‘De gedachte achter mijn onderzoek was ook dat we gezondheid en ziekte veel meer samen onderdeel moeten laten zijn van het gewone leven. Er zijn nu twee parallelle werelden: die van de zieken en die van de normale mensen. Terwijl het leren kennen van je lichaam en hoe het ergens op reageert, ook in de onaangenaamheden, waardevol is voor de manier waarop we er mee omgaan als het er op aankomt. En het komt er ooit op aan, nu we zo oud worden.’

Dat doet me denken aan de boze lezersbrieven naar aanleiding van jouw NRC-column over ‘binnenvetters’. Het enige wat je schreef was dat mannen met te veel vet rond de organen, vaak opgebouwd door een bepaalde levensstijl, snel gevaccineerd moeten worden omdat zij de ic’s bezetten. Hoe verklaar jij die boosheid?

‘Door een gebrek aan kennis over hun lichaam, en daar onzekerheid en angst over voelen. Mensen realiseren zich te weinig hoe gaaf het is dat ze hun plas kunnen ophouden, uren als het moet. Of dat ze het kunnen ruiken als iets verbrandt en dat ze vervolgens in actie komen omdat ze beschikken over een ongelooflijk signaalsysteem. Is daar iets over op televisie, dan vinden ze het superinteressant, maar geef ze in een spreekkamer de regie terug – u bent deel van de oplossing – en ze worden bang of boos, in plaats van trots. We moeten in de gezondheidszorg veel handiger gebruikmaken van de ingebouwde menselijke nieuwsgierigheid naar het lichaam. Hoe meer mensen ervan weten, hoe meer ze zelf kunnen oplossen.’

Hoe doe jij dat dan?

‘Ik zeg vaak tegen patiënten dat ze hun eigen drie hechtinkjes eruit kunnen halen: u pakt het op met een pincet, knipt het af onder het knoopje en dan hoeft u helemaal niet naar de huisarts. Vinden ze meestal prima. We zouden miljoenen kunnen besparen door mensen veel terug te geven en niet alles wat met zorg te maken heeft eng en ingewikkeld te maken. Dat is het namelijk niet. Geneeskunde is vooral logisch nadenken. Als ik vrienden die geen arts zijn een medisch probleem voorleg, komen ze een heel eind.’

De farmaceutische industrie en de ziekenhuizen zijn gebaat bij interventies. Er zit geen geld in terughoudendheid en in ‘los het zelf op’.

‘Dat is een groot struikelblok. Sterker nog, door een kortzichtige bril kóst terughoudendheid geld. Als een man bij de huisarts komt met hoge bloeddruk is het veel makkelijker een bloeddrukpil voor te schrijven dan een gesprek te voeren over levensstijl. En patiënten willen ook die pil, want geef je die niet, dan vraag je ze medeverantwoordelijkheid te nemen voor hun eigen ziekte. En dat is er bij ons uitgebakken.

Neem bezoekers van een voetbalkantine of een bruin café. Veertig jaar te weinig bewogen, te veel gehaktballen gegeten en bier gedronken, jaren gerookt. Als je ze ziet rondlopen, zijn het tikkende tijdbommetjes, maar op dat moment behoren ze zogenaamd nog tot de wereld van de normale mensen, niet die van de zieken.

‘We moeten collectiever gaan denken en handelen, met weloverwogen hulp van moderne middelen als AI.’

Dan komt dat infarct. “God, Jan lag op de grond, ambulance, reanimatie, ze hebben hem gedotterd.” Dat infarct wordt gezien als een externe aanval van het lot, zoals vroeger de Griekse goden een oogst lieten mislukken met een vloek. Dat is ook veilig, want in dat hele traject treft de Jannen geen blaam: ze zijn getroffen. Maar ze zijn helemaal niet getroffen, ze waren al twintig jaar een slow moving accident.’

Bruns ziet twee rode draden, zegt ze dan. ‘We moeten collectiever gaan denken en handelen, met weloverwogen hulp van moderne middelen als AI. Stel, je hebt een rare moedervlek en die kun je laten zien aan een database waarin 180 miljoen gediagnosticeerde moedervlekken staan opgeslagen: een collectief brein dat wij mensen samen hebben opgebouwd. Dat is niet eng, dat is saamhorig en slim, helemaal als je het advies vertaalt naar jouw context. Ben je een vrouw van 40 met twee jonge kinderen: hup, wegsnijden die hap. Of ben je 87 en denk je: gooi die afwijkende moedervlek ook nog maar in mijn pet.

Wat is voor een patiënt in zijn leven nog van waarde? Daar moeten we over praten, want het bepaalt wat je nog gaat doen bij iemand. De grootste uitdaging van de komende tijd is empathie. Het zou te gek zijn als je met vr-bril kon ervaren hoe het is om als 86-jarige over straat te schuifelen.’

Wat is de andere rode draad?

‘Het minimalistische: zolang we doenerig blijven zonder van tevoren goed na te denken over de toegevoegde waarde, zullen we heel druk blijven met onze boven het hoofd groeiende data en gaan nog veel meer jonge artsen afhaken. Informatie zonder heldere, intelligente duiding geeft geen vrijheid, integendeel.’

Krijg jij als jonge arts het gevoel dat je in je dagelijks werk al een beetje uitvoert waar je voor staat?

‘Totaal niet. Mijn dagelijkse praktijk staat lijnrecht op waar ik in geloof voor de toekomst van de geneeskunde. Ik heb zo vaak dat ik moet plassen en vijf uur later denk: o ja, ik moest plassen. Dat ligt aan mezelf, maar ook aan de constante drang om te reageren en met antwoorden te komen in ons protocollaire administratief mega-overbelaste systeem.

We werken tegenwoordig met een early-warning-system waarbij we per dag een aantal controles uitvoeren: temperatuur, pols, bloeddruk. Als de sporen boven de 4 uitkomen, moeten verpleegkundigen ons bellen. Sommigen nemen even de tijd – o ja, deze meneer heeft net gedoucht, natuurlijk is zijn hartslag wat hoger − maar een heleboel anderen bellen standaard. Uit angst ook, sowieso de basis van veel beslissingen in de zorg, wat verlammend werkt én aanzet tot reactief handelen: doe maar alles, baat het niet, het schaadt ook niet. Het zijn soms honderden belletjes per dienst. Dat nodigt niet uit tot rustig nadenken. Daarom ben ik ook gaan schrijven, om iets van voet aan de grond te krijgen met het gedachtegoed waar ik over nadenk als ik in de duinen loop.’

Netflixserie

Met een verlegen glimlach zegt ze dat ze wel een House of Cards-achtige Netflixserie zou willen schrijven over de gezondheidszorg. ‘Interessant en ongelooflijk waardevol aan fictie is dat je een randomized control met de werkelijkheid kan doen. Je kunt dogma’s omdraaien en mensen daarin meenemen. Een lijn die ik interessant vind, is de dominantie en het imperialisme van het Westen als het om geneeskunde gaat. Engels is de voertaal en studies uit de Verenigde Staten en wat andere westerse landen zijn toonaangevend.

Literatuur uit China kan rekenen op argwaan en dingen als acupunctuur zijn sowieso flauwekul. Is dat terecht? Ik weet het niet. Voor ik naar Afrika ging, woonde ik een tijd in Bolivia waar ik op pad ging met medicijnmannen en junglebewoners. De diversiteit van stoffen die zo’n jungle te bieden heeft en de geneeskracht die ze ons in potentie kunnen brengen, is eindeloos.

Hoe zouden zij onze welvaartsziekten, die ze daar niet hebben, aanpakken? In een serie zou je daar iets spannends mee kunnen doen. Je kunt ook veel meer mensen bereiken met fictie, zeker als je ideeën hebt die voor de meesten conceptueel nog lastig te vatten zijn. Naar Grey’s Anatomy kijken wereldwijd negentig miljoen mensen.’

Stel dat Netflix belt, wil je dan nog arts blijven?

‘Voor de grap zeg ik wel eens tegen collega’s van mijn leeftijd: ik verzamel gewoon personages. De geldingsdrang die ik bij veel van hen zie, heb ik niet zo sterk. Ik heb lang getwijfeld of ik journalist of dokter zou worden. In beide vakken mag je alles vragen. Als je nieuwsgierig bent, is arts een geweldig beroep.

En een ziekenhuis is een afspiegeling van de samenleving. Wil je weten hoe het met een stad of een land gaat? Ga kijken wat er in de ziekenhuizen ligt en dan weet je het eigenlijk wel. Geneeskunde fascineert me mateloos, omdat je je begeeft in het deel van de samenleving waarvan de gezonde mensen denken: vies en eng. Juist daar zit best veel authenticiteit. Ik ben zelf erg gehecht aan mijn vrijheid. Mensen teruggeven wat ze waardevol vinden door hun medische probleem op te lossen, daarom ben ik uiteindelijk arts geworden, en geen journalist.’

Wat zou je de nieuwe minister van Volksgezondheid aanraden?

‘Neem de tijd om na te denken. Open de discussie over waarden in plaats van te bezuinigen met kortzichtigheid. Wij hadden bijvoorbeeld in ons ziekenhuis soep op de koffiekamer bij de ok’s. Iedereen die tussen twee operaties door even flauw was, kon daar snel een kopje soep eten. Kostte het ziekenhuis op jaarbasis nog geen tienduizend euro. Peanuts op de jaarrekening van 400 miljoen. Wegbezuinigd, en daarmee is ook het sociale gevoel van even samen een soepje eten de nek omgedraaid.

Dat is niet rustig nadenken. En niet definiëren wat van waarde is, maar reactieve doenerigheid: bezuinigen waar het makkelijk kan. Maar wel investeren in gigantische computerschermen waar niemand op kijkt. Elk computerscherm is weer een verpleegkundige minder.’

Van oudsher zijn chirurgen barbiers, geen dokters, schrijf je ergens als aanbeveling van je specialisme. Grijpt dat terug naar de kunst van het niets doen?

‘Met hoe meer no nonsense en boerenverstand je werkt, hoe eleganter de oplossing is in de chirurgie. Dat trekt mij aan in het vak. Ik geloof ook dat het zoeken naar boerenverstand en logica door zeer hoog opgeleiden heel waardevol is voor de samenleving. De kalmte, toewijding en het geduld hebben om het weefsel te laten voor wat het is. Je moet echt heel veel bagage hebben om te weten wat je moet laten.’

Ze kijkt langs me heen naar de zee en dan weer terug. ‘Ik ben er nog lang niet, maar ik streef naar het bereiken van de sweet spot tussen verwondering en ervaring. Een jeugdige blik houden door overstijgende kennis, en echt kunnen luisteren naar anderen – als arts, als schrijver, als mens.’