Beschouwing / Emotie en de computer in ons hoofd

De engste computer aller tijden is HAL uit Stanley Kubricks film 2001: A Space Odyssey. HAL is het computerbrein van het ruimteschip Discovery, dat op een geheime missie naar Jupiter vliegt. HAL is een gedroomde boordcomputer. Als een beschermengel waakt hij over de bemanning. Hij is een speelkameraad, een vriend en een luisterend oor. Maar HAL krijgt het gevoel dat de bemanning hem niet vertrouwt. Zijn vreemde gedrag werkt de bemanning op de zenuwen. De astronauten denken erover zijn hogere intelligente functies uit te zetten. Maar de computer krijgt de bemanning door, hij wordt overmand door doodsangst, zijn emoties nemen bezit van hem en HAL verandert in een moordenaar.

Het emotionele gedrag van HAL is voor een groot deel te danken aan Marvin Minsky, die Stanley Kubrick op de set van de film adviseerde. Marvin Minsky is een origineel denker op het gebied van de psychologie. Maar ook is hij een knappe wiskundige en een knappe technicus. Hij is een pionier op het gebied van robothanden en vond de confocale microscoop uit waarmee je objecten driedimensionaal kunt afbeelden.

In 1965 bouwde Minsky met een paar collega’s een karretje met mechanische handen, elektronische ogen en een computerprogramma. Het doel was om het robotje eenvoudige opdrachten te laten uitvoeren, zoals het stapelen van blokken. Het soort dingen die peuters kunnen. Het duurde jaren voordat de robot redelijk werkte. Een machine is dommer dan een mens zich kan voorstellen. Een robot moet je echt álles voorkauwen. Dat je een blok niet op zichzelf kan stapelen, dat je een blok niet in een ander blok kan zetten. Waar een peuter van drie al niet eens meer over nadenkt, daar loopt de grootste supercomputer vast.

Gaandeweg kwam Minsky erachter hoe belangrijk het is dat een machine één actie op meer manieren kan uitvoeren. Een robot die goed functioneert, kan een blokje op verschillende manieren waarnemen en oppakken. Ook realiseerde Minsky zich hoe handig emoties zijn. Een robot die de opdracht heeft om blokjes te zoeken en ze op te pakken, blijft eindeloos trekken aan een blokje dat klem zit. Het is beter om heel boos te worden en te schoppen zodat het blokje losschiet. Ook kan het goed zijn om gedeprimeerd te raken zodat je je afvraagt wat de zin is van die stomme blokjes. Dan kan je treurig wegsjokken en misschien tegen een blokje aanlopen dat je wel kan optillen.

De gedachten over intelligentie en emoties die Minsky sinds de jaren zestig opstapelde, zijn uitgekristalliseerd in het boek The Emotion Machine. Een boek dat is te beschouwen als de opvolger van zijn boek The Society Of Mind dat in 1985 een groot publiek bereikte en veel indruk maakte.

In The Society Of Mind presenteerde Minsky het menselijk brein als een kamer waarin een paar honderd computers en databases staan, die allemaal via onoverzichtelijke bedradingen met elkaar verbonden zijn. Iedere computer neemt een neurologische functie voor zijn rekening, en geen enkele computer is de spin in het web. Er is geen baas. Het brein is een verzameling van denkprocessen die allemaal door elkaar praten.

Wat mensen goed kunnen, is niet zozeer diep nadenken, of gestructureerd nadenken, maar vooral op heel veel verschillende manieren nadenken. In The Emotion Machine geeft Minsky een kort zinnetje als voorbeeld: ‘Jan geeft het boek aan Piet.’ Dit zinnetje wordt door de verschillende computers op een verschillende manier verwerkt. Eén computer ziet in een database een verband tussen een boek en een rechthoekige geometrie in de ruimte, een andere computer ziet een boek als een verzameling woorden, weer een andere ziet het boek als een bezit van Jan, weer een andere ziet het boek als een object waarmee Jan invloed kan uitoefenen op Piet. Al die computers samen bepalen de betekenis van het woord ‘boek’ voor het speciale geval dat Jan dat aan Piet geeft.

Op dezelfde manier staan in verschillende databases miljoenen woorden met ieder tientallen associaties. Mensen zijn in staat om razendsnel tussen al die betekenissen heen en weer te schakelen. Zo snel dat ze het niet eens door hebben. Mensen hebben een ongelooflijk gelaagde kennis van de wereld waarin ze leven. Ze kunnen denken in ‘panalogieën’, zoals Minsky het noemt, en dat is nu precies wat de robots en computers van vandaag niet kunnen. Computers kunnen snel, gestructureerd en lang rekenen. Mensen kunnen op heel veel verschillende manieren rekenen. Voor een computer is tien een getal. Voor een mens is tien een verzameling punten, een toren van blokjes, een vlucht ganzen, vier letters, een woord en een getal.

Er is een groot evolutionair voordeel aan al die parallelle mechanismen in het brein. Als er ergens een draadje los zit, betekent dat niet dat alles meteen in de soep loopt. Mensen met hersenbeschadiging kunnen vaak een nieuw soort evenwicht vinden. Computers en machines zijn meestal gewoon kapot.

Een nadeel is dat onafhankelijk van elkaar opererende hersengedeelten regelmatig met elkaar in conflict zijn. Iets wat iedereen wel kent: hoe moeilijk is het niet om je ergens op te concentreren terwijl er een spannende film op televisie is en je eigenlijk moe bent? En is het niet vreemd dat je jezelf soms moet omkopen met roomsoesjes om een opdracht af te maken?

Het wordt makkelijk een zootje in de computer in ons hoofd. Als je wilt, kun je je helemaal suf associëren. Een appelboom is een boom met appels, maar we kunnen ons ook een appel voorstellen waar bomen aanhangen. Een appel heeft een hogere X-factor dan een peer. Het slaat helemaal nergens op, maar een mens kan dit soort dingen denken en zelfs voelen. We kunnen ons zonder problemen een sprinkhaanachtige peer voorstellen die in een parallelle ruimte schuin achteruit loopt, en dat dan op een heel gênante manier. Soms is het vrije associëren handig, als we behoefte hebben aan een creatief idee. Op andere momenten zitten de vrije associaties alleen maar in de weg, en moeten ze stilgelegd worden.

Daarom staan er kritische computers in de computerkamer van de menselijke geest. Die houden een soort boekhouding bij. Ze onthouden welk gedrag van andere computers in het verleden negatieve gevolgen had en ze geven een seintje als de ezel zich weer aan dezelfde steen dreigt te stoten. Zo word je langzaam een expert. En een expert is niet alleen iemand die weet wat hij moet doen. Hij is vooral ook iemand die zelden fouten maakt omdat hij weet wat hij níet moet doen.

Als de kritische computers de overhand hebben, voel je je gedeprimeerd. Alle ideeën die je hebt zijn stom. Je hebt alleen maar waardeloze gedachten en sterker nog: je kan niet eens iets nieuws meer verzinnen. Als de kritische computers niet opletten, ben je daarentegen manisch. ‘Ik ga een sprinkhaanachtige peer schilderen en ik word beroemd. Champagne!’ Bij gezonde mensen wisselen de depressieve en manische toestanden elkaar razendsnel of in gematigde vorm af, bij mensen met een bipolaire stoornis is er iets mis met de timing.

En volgens Minsky is het precies hetzelfde met alle andere emoties. Als je oog in oog staat met een ontsnapte leeuw, worden alle databases en computers die geen relevante informatie hebben tot zwijgen gebracht, zodat een beperkt gedeelte van je brein optimaal kan werken. Op zo’n moment reageer je emotioneel. En dat is ook wat je moet doen.

Bang wegrennen, of juist heel intimiderend kwaad worden en boze oerwoudgeluiden produceren, kunnen briljante oplossingen zijn voor een levensbedreigend probleem. Op sommige momenten kun je langzaam denken, op andere momenten moet je snel denken. En snel denken gaat anders dan langzaam denken. Heel snel op een gekke manier denken, noemen we emotioneel gedrag. Emoties zijn geen rommel die een strakke organisatie in de weg zitten. Emoties zijn eerder een soort filter die uit de wanorde van het brein de relevante processen kiezen die nuttig zijn voor het oplossen van een acuut probleem.

Er is nog te weinig bekend over de werking van het menselijke brein om te kunnen beoordelen of dit beeld klopt. Maar wat Minsky schrijft ‘voelt goed’. Hier is duidelijk iemand aan het woord met een leven aan praktische kennis van hoe machines en computerprogramma’s werken. Iemand die zijn sporen al lang verdiend heeft, maar die echt wil begrijpen wat er in de menselijke geest gebeurt en zich verzet tegen vage woorden als ‘bewustzijn’ en ‘nadenken’. Bewustzijn is volgens Minsky heel veel dingen. Bewustzijn is een optelsom van sommige van de processen die in de ‘computerkamer’ plaatsvinden. En het heeft weinig zin om de optelsom een naam te geven als je de deelprocessen niet goed kent.

The Emotion Machine is een boek dat je aan het denken zet (wat denken ook zijn mag) en bewustzijnsverruimend is (wat bewustzijn ook zijn mag). Het is wel lastig dat er in de computerkamer van Minsky een paar computers staan die bromtonen produceren als je gaat zitten nadenken over nadenken.

‘The Emotion Machine’, door Marvin Minsky, 387 pagina’s, uitgeverij Simon & Schuster, New York