Interview / Staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten

‘Hoe ik in de politiek terecht ben gekomen? Maxime belde míj omdat ik zijn gezin al jaren ken. Annemieke, zijn echtgenote, was studente van me aan de Vrije Universiteit. Zij heeft op enig moment gezegd: zullen we een keer met elkaar gaan eten want Maxime ziet zo weinig gewone mensen. Aan tafel vervulden mijn man en ik de rol van de niet-politici: argeloos, we spraken anders. Ik heb dertig jaar in de zorg gewerkt, daar weet ik veel van, daar ben ik bij betrokken. Maxime bleek die gesprekken enorm te waarderen.’

De ouderenarts was op weg naar een patiënt toen Verhagen belde: of ze staatssecretaris van VWS wilde worden. Ze kreeg weinig tijd om te antwoorden. Marlies Veldhuijzen van Zanten droeg haar dienst aan een collega over en nam een besluit. ‘Ik heb het aanbod met beide handen aangegrepen want dit kabinet heeft veel geld voor ouderen uitgetrokken.’

Veertien maanden later heeft ze nog steeds geen spijt van die stap, ondanks de wervelstorm waarin ze terecht is gekomen: emotionele protesten tegen haar plan om het gebruik van het persoonsgebonden budget in te dammen, de oppositie in de Kamer die twee keer een motie van afkeuring tegen haar indiende (vergeefs maar wel een unicum in de parlementaire geschiedenis). Dan was er ook nog een opmerkelijk mediamoment: haar uitgestoken linkerarm die voorzitter Pauline Smeets het spreken onmogelijk maakte tijdens de zoveelste commissievergadering over het persoonsgebonden budget. Een hit op YouTube en reden voor Gerdi Verbeet om in De Wereld Draait Door het impertinente gedrag van de staatssecretaris ondubbelzinnig te veroordelen: ‘Dit kan echt niet.’ Veldhuijzen van Zanten is niet trots op het incident. ‘Het was een blooper, zoiets ga ik natuurlijk nooit meer doen. Ik heb meteen tegen Pauline gezegd: “O, wat spijt me dit, het is mijn schuld dat jij nu ook voortdurend op YouTube langskomt.” Ik dacht: kon ik de tijd maar terugdraaien.’

Waarom deed u het dan?

‘Het gebeurde gewoon opeens.’

U deed het toch zelf?

‘Ja, het was inderdaad mijn hand. Hartstikke stom.’

Dat ze al twee moties van afkeuring op haar naam heeft staan, vindt ze minder gênant: ‘Dit is een moeilijke portefeuille en ik kom voor mijn overtuiging op. Dus ik sluit niet uit dat ik nog wel vaker met de oppositie in conflict zal komen. Misschien volgen er nog meer moties van afkeuring. Ik ga de confrontatie niet uit de weg.’

Een wonder dat u er na veertien maanden nog zit!

Lachend: ‘Ik ben ook al een paar keer glansrijk onderuit gegaan.’ We zitten in een kring op haar werkkamer op de vijfde verdieping van het ministerie van VWS. Veel lichtkleurig hout, rode fauteuils, schilderijen die haar geboorteland Zweden voorstellen: ‘Kijk, mijn zus die in Göteborg woont, heeft dit uitzicht op zee.’ Bij het gesprek is een voorlichter aanwezig die op een strategische plek tegenover haar is gaan zitten. Indien nodig kan hij haar via oogcontact en met handgebaren bijsturen. De staatssecretaris heeft nog niet veel grote interviews achter de rug en vindt het hele experiment naar eigen zeggen ‘best een beetje eng’. Ze is klein van stuk, rap van tong en met zorg gekleed. Haar taalgebruik heeft soms iets meisjesachtigs, alsof ze uit een boek van Cissy van Marxveldt is weggelopen: haar baan is ‘snoeimoeilijk’ maar ze heeft een ‘meesterlijke klus’. Ze ziet ‘dondersgoed’ waar dingen fout gaan. Het kabinet waarin ze zit is ‘héééél leuk’.

Was u voordat u staatssecretaris werd politiek actief?

‘Nee. Ik heb me nooit gerealiseerd hoe belangrijk politiek is, hoeveel beslissingen er in Nederland via politieke netwerken lopen. Tot nu.’

Was u wel CDA-lid?

‘Nee, maar dat ben ik toen ik tot het kabinet toetrad snel geworden. Ik kom wel uit een familie die altijd CDA heeft gestemd. Mijn Zweedse vader was luthers, mijn Nederlandse moeder – ze leeft gelukkig nog – is katholiek. Ik ben niet dogmatisch opgevoed maar wel in de geest van: je moet wat voor een ander over hebben, je moet de wereld een stukje verder helpen.’

Geen cynisme

Op zaterdag 2 oktober 2010 zat ze samen met haar man thuis te kijken naar het CDA-congres dat een besluit moest nemen over het minderheidskabinet met gedoogsteun van Wilders. ‘Ik zag de vertwijfeling, de verwarring. Twee vleugels van het CDA die zo overtuigd waren van hun eigen gelijk en zo met elkaar botsten. Ik vond het aangrijpend.’

U was het eens met Maxime Verhagen dat het CDA wel met Wilders in zee moest?

‘Ik vond dat het CDA met de PVV in gesprek moest blijven. Het gaat om anderhalf miljoen kiezers van wie je wilt weten: wat bezielt ze, waar zijn ze gefrustreerd over, waar zijn ze bang voor? Je moet niet met je rug naar die mensen toe gaan staan. Dat gevoel had ik sterk. Mijn man ook. We zaten van opwinding te hippen op de bank. Ik vond dat het CDA ja moest zeggen. Ik riep tegen de televisie: wel doen, hoor, wel doen! Tegelijk begreep ik dat iemand als Ernst Hirsch Ballin nee, nee, nee zei. Ik zei tegen mijn man: moeten we het CDA niet gaan helpen, kunnen we iets doen om de brug te slaan? De partij kon op dat moment bevlogen mensen goed gebruiken.’

Anderhalve week later kwam het telefoontje van Maxime.

U heeft het over bevlogenheid, de wereld verbeteren. Zit u dan wel bij de goede partij? In Den Haag staat het CDA vooral bekend als een cynische, machtshongerige club.

‘Dat heb ik gehoord. Maar bij de mensen ;met wie ik in het kabinet veel optrek, zie ik geen spoortje van machtsbelustheid of cynisme.’

Maxime Verhagen wordt een machiavellist genoemd.

‘Zo zie ik hem niet. Hij is een heel bevlogen man.’

Dat hoor je nooit iemand over hem zeggen.

‘Mij wél. Ik vind dat Maxime lef toont, weet wat hij wil, een stip op de horizon ziet. Dat geeft me veel energie. Als dat niet zo was geweest, had ik deze stap nooit gezet. Ik vind trouwens dat dit hele kabinet lef heeft getoond. Zo makkelijk is het niet om op dit moment het land te regeren, dat durft niet iedereen. Ik vind het inspirerend dat iemand als Hans Hillen, die het rustiger aan wilde doen, toch heeft gezegd: ik kom aan boord. Dat Piet Hein Donner voor de vierde keer in een kabinet is gestapt. Ze doen dat omdat ze idealen hebben en passie voor de partij.’

Onverantwoord beleid

Het kabinet als geheel noemt ze behalve ‘hééél leuk’ ook ‘fideel’. ‘Op momenten dat het moeilijk wordt – en die zijn er veel – zijn we loyaal aan elkaar. Dat geeft een fijne sfeer. Er is respect voor elkaars capaciteiten. Bij de eerste kennismaking zei Mark meteen: jullie zitten hier omdat je van iedereen de beste bent op je terrein. Dat is wat hij zei. Op dat moment keek ik om me heen. Ik zag ervaren politici en mensen die ik alleen van de tv kende. Maar hij had ook over mij gelijk. Op het terrein van de ouderenzorg en de care ben ik goed.’

Als het moeilijk wordt, is Hans Hillen haar tot steun: ‘Hans is zo gepokt en gemazeld. Hij kan zo goed relativeren. Hij weet hoe het Haagse wereldje functioneert. Het is soms een mijnenveld en hij gidst me daar doorheen. Met opmerkingen als: laat je niet leiden door incidenten, het is de waan van de dag, morgen is iedereen het weer vergeten. Zijn ongereserveerde steun geeft me rust.’ Dat Marlies Veldhuijzen van Zanten een gepassioneerde, betrokken en vakbekwame staatssecretaris is, lijkt de oppositie tot nu toe te zijn ontgaan. Als het om de bezuinigingen op het persoonsgebonden budget gaat, overtreffen Renske Leijten (SP), Linda Voortman (Groen­Links), Agnes Wolbert (PvdA) en Esmé Wiegman (ChristenUnie) elkaar in misprijzende bewoordingen. De staatssecretaris laat de pgb-houders in de kou staan, haar cijfers kloppen niet, ze breekt haar beloften, ze levert broddelwerk, het ontbreekt haar aan christelijke naastenliefde. Haar beleid is onverantwoord.

Proberen de beroepspolitici u als outsider in Den Haag aan een ontgroeningsritueel te onderwerpen?

‘Nee, dat geloof ik niet. Dan zouden ze dat vorig jaar bij mijn eerste begrotingsdebat al hebben gedaan. Toen wist ik inhoudelijk van veel dingen nog niets af. Maar toen waren de Kamerleden heel keurig en beleefd tegen me. De pijn zit bij het pgb-debat. Het is een ingewikkeld verhaal dat ik moet vertellen en de emoties erover lopen hoog op. Ik denk niet dat er iets gemeens bij zit.’

Ze zeggen wel heel harde dingen over u.

‘Dat is hun werk.’ De voorlichter zit nu waakzaam over de rand van zijn brillenglazen te kijken. Met beginnende bewindslieden die meteen al kritiek op de volksvertegenwoordiging hebben, loopt het meestal slecht af. Lachje: ‘Ik let goed op dat ik niets onaardigs over de Tweede Kamer zeg, hoor. Er is veel onrust in het land. Ik krijg ook stapels boze brieven – net als de Kamerleden. Ik moet mezelf dwingen het korter en bondiger uit te leggen maar het blijft een ingewikkeld dossier. Het pgb-debat raakt mensen persoonlijk. Je ziet verdrietige beelden van gehandicapten in een rolstoel op de tv. En dan ben ik ook nog een onervaren politica.’

Dus denken de oppositiepartijen: die kunnen we vloeren?

‘Ze zouden stapelgek zijn als ze me niet uitprobeerden.’

Paperclip-oplossingen

Het pgb werd in de jaren negentig uitgevonden door Erica Terpstra. Het ging haar om de emancipatie van de patiënt die voortaan zelf moest kunnen bepalen wie hem kwam wassen of op de andere zij kwam leggen en wanneer. Van een eigen budget kon een vakkracht worden ingehuurd maar ook een familielid dat de verzorging op zich nam. Niet ingecalculeerd was de gigantische vlucht die het pgb zou gaan nemen. In 2002 werd er nog maar 400 miljoen aan uitgegeven, in 2010 was dat 2,2 miljard. De groei zat hem voor een deel in jongeren met een psychische aandoening als autisme die vroeger bij hun ouders waren blijven wonen en nu kozen voor een min of meer zelfstandig bestaan. In een lijvig rapport berekende het Sociaal en Cultureel Planbureau dat bijna de helft van de budgethouders zonder pgb nooit een beroep op financiële steun van de overheid zou hebben gedaan. Vervolgens wilde Veldhuijzen van Zanten de criteria aanscherpen: alleen zware gevallen die zonder pgb naar een verzorgingstehuis zouden moeten, hielden recht op hun uitkering. De middengroep moest naar de thuiszorg terug. Bleven over: de lichte gevallen die in de toekomst helemaal niet meer op steun van de overheid konden rekenen. Besparing: tussen de 700 en 900 miljoen euro. Talloze Kamerdebatten en moties verder, om te redden wat er te redden valt, is het plan alleen nog maar ingewikkelder geworden. Maar de emoties blijven.

Veldhuijzen van Zanten denkt dat door haar maatregel zo’n dertig procent van de huidige pgb-houders zal afzien van professionele hulp. Bedriegers of misbruikplegers wil ze de categorie die straks buiten de boot valt niet noemen, want ze hebben alleen maar slim gebruik gemaakt van de regels zoals ze waren. Maar die regels moeten anders: ‘Het kan niet zo zijn dat je op internet zoekt, de naam van een kwaal vindt en dan denkt: kijk, daar kan ik tweeduizend euro per maand voor krijgen. Daar wil ik vanaf. Bij het pgb moeten we het kaf van het koren scheiden.’

Had uw voorganger Jet Bussemaker dat al niet moeten doen?

Stilte. Veldhuijzen van Zanten weigert de vraag te beantwoorden. Zegt dan: ‘Toen ik hier aantrad, was gekozen voor de makkelijke oplossingen die niemand pijn deden. De moeilijke, zware beslissingen waren op de lange baan geschoven. Ik ben niet van de makkelijke weg, van de paperclip-oplossingen. Het pgb is een ongelooflijk zwakke plek in ons zorgstelsel en moet worden aangepakt. Als je dat niet doet, gaat op den duur het hele stelsel kopje onder. Achter de schermen wordt overal gezegd: je moet dit doen, je poot stijfhouden. Alleen zal dat niet hardop worden herhaald.’

65-plussers

Zelfs als het pgb-probleem wordt opgelost, zullen de kosten van de gezondheidszorg blijven exploderen. Volgens berekeningen van het Sociaal en Cultureel Planbureau zal over dertig jaar veertig procent van de rijksbegroting door de zorg worden opgeslokt. Het grootste deel van dat geld is bestemd voor bejaarden, waarvan er steeds meer komen. Nu al eisen de 65-plussers (16,5 procent van de bevolking) meer dan de helft van het zorgbudget op. Dat zal alleen maar toenemen. Het gaf SCP-directeur Paul Schnabel aanleiding tot de oneliner: ‘Gezondheidszorg is ouderenzorg.’ Marcel Levi, de nieuwe voorzitter van de Raad van Bestuur van het AMC in Amsterdam, zei in Vrij Nederland (16 april) dat de medische wereld het slachtoffer is geworden van zijn eigen succes. Door betere behandelmethoden kunnen mensen langer in leven blijven, zelfs als ze vijf ernstige kwalen tegelijk hebben. Maar hun laatste levensperiode brengen ze dan wel vaak door als een wrak. Artsen moesten oudere patiënten volgens Levi eerlijker durven vragen: moeten we doorgaan met de behandeling, wilt u dit wel?

U bent ouderenarts van beroep. Herkent u dat?

‘Jazeker.’

Wat herkent u?

‘Veel ziekenhuisspecialisten zijn gewend om alles wat ze in huis hebben aan te bieden aan een patiënt. De cardioloog doet dat, de internist, de uroloog, meestal ook nog langs elkaar heen. Sommige patiënten krijgen zoveel medicijnen voorgeschreven dat het te zwaar wordt voor hun lichaam, vooral voor hun nieren. Die medisch specialisten bedoelen het goed, ze hebben die ene kwaal waar zij veel van weten, verholpen. Maar op termijn helpt het niet. We worden ouder doordat we schoon water hebben, doordat we infectieziekten kunnen bestrijden en veel vormen van kanker kunnen dempen tot een chronische ziekte. Maar dat neemt niet weg dat de binnenkant van je lijf elke dag ouder wordt, de tandradjes van je chromosomen slijten elke dag een beetje af en vanaf je vijfenzeventigste gaat dat sneller.’

Zijn we gaan denken dat het leven maakbaar is, dat doodgaan eeuwig kan worden uitgesteld?

‘Veel mensen zijn gaan denken dat dokters alles kunnen, dat het lijf steeds opnieuw kan worden gerepareerd. Maar dat klopt niet. Met name je nieren en je lever krijgen elke keer een optater en op een bepaald moment ben je op. Het kan voorkomen dat de behandeling zo zwaar wordt – bijvoorbeeld als een oudere patiënt met veel complicaties ook nog nierdialyse nodig heeft – dat je als arts beter kunt vragen of de patiënt dat nog wil. Dan leeft zo iemand een paar maanden korter maar wel een stuk aangenamer. Mijn ervaring is trouwens dat daar met ouderen heel goed over te praten valt. Het is vaak de arts die het er moeilijk mee heeft.’

Wat kun je daaraan doen?

‘Marcel Levi heeft bij jullie de knuppel in het hoenderhok gegooid. De Groningse hoogleraar geriatrie Joris Slaets heeft laatst een soortgelijke opmerking gemaakt. Ik zeg het al zolang ik arts ben.’

Is minder lang doorbehandelen ook een manier om de kosten van de gezondheidszorg minder snel te laten stijgen?

‘Zo mag ik vanuit mijn huidige positie niet redeneren. Wel of niet doorgaan met een behandeling moet de beslissing blijven van de patiënt. Alleen is het nu soms de omgekeerde wereld: patiënten voelen zich tekortschieten als ze een behandeling weigeren, ze willen het medisch team niet teleurstellen. Ik zeg er nu wat over maar ik kan niet de aanjager van het debat zijn. Dan zou ik onmiddellijk de verdenking op me laden dat ik het uit financiële overwegingen doe, daarom kan ik er beter een paar jaar mijn mond over houden. Maar ik hoop dat de KNMG en de patiëntenorganisaties het verder oppakken. Het zou mooi zijn als duidelijk wordt dat je geen lafaard bent als je met de behandeling wilt ophouden.’

Vreemdelingen

Door al het gedoe rond het pgb zou je bijna vergeten dat Veldhuijzen van Zanten ook geld mag uitgeven: driekwart miljard euro voor de verpleegtehuizen, en ‘al dat geld moet naar de cliënten en de medewerkers.’ Het was een van de belangrijkste eisen die de PVV verbond aan de gedoogsteun voor het kabinet. De staatssecretaris is zeer te spreken over de inzet van Fleur Agema, woordvoerder ouderenzorg van de partij van Geert Wilders: ‘Het is een vrouw met een geweldige commitment. Ze is als een terriër als ze iets wil bereiken. Ik heb enorm respect voor Fleur.’Toch was de PVV de partij die bij haar aantreden moeilijk deed over het feit dat Veldhuijzen van Zanten behalve een Nederlands ook een Zweeds paspoort heeft. ‘Toen werd ik met hun argwaan tegenover vreemdelingen geconfronteerd. Dat ligt ver van mijn bed, daar heb ik helemaal niets mee. Mijn man en ik zijn gewend met mensen van overal en nergens om te gaan. We komen veel op de Antillen, we hebben kennissen in Suriname. Ik heb familie in de hele wereld.’

Waren er mensen in uw vriendenkring die zeiden: Marlies, wat moet jij in een kabinet met gedoogsteun van Wilders?

‘Jazeker, en die zijn er nog steeds. Ik heb uitgelegd waarom ik vind dat het CDA met de PVV moet samenwerken, waarom we niet met de rug naar elkaar toe moeten gaan staan. Maar er bestaan grote reserves over die samenwerking. Ook in mijn eigen omgeving.’

Argwaan tegenover vreemdelingen lijkt ons nogal essentieel voor de PVV.

‘Voor zover het om mijn eigen portefeuille gaat, heb ik daar nog weinig van gemerkt. Tijdens een Kamerdebat hebben ze één keer een opmerking over vreemdelingen gemaakt. Dat ging over de ABWZ-zorg in het buitenland. En er was die deining over mijn dubbele nationaliteit.’

Heeft u overwogen uw Zweedse paspoort in te leveren?

‘Nee. Ik geloof dat ik daarover heel duidelijk ben geweest. Ik heb ook niemand om advies gevraagd. Ik heb er alleen met Nebahat Albayrak over gesproken. Ik wilde van haar weten of ze vond dat ik het moest inleveren. Het leek me naar als er een verkeerde tegenstelling zou ontstaan. Zo van: een Turks paspoort mag niet en een Zweeds paspoort mag wel.’

Hoe reageerde Albayrak?

‘Ze zei: ‘Je moet je Zweedse paspoort houden.”‘

Wilt u na deze periode nog een keer in het kabinet?

‘In het begin dacht ik: in wat voor wereldje ;ben ik terechtgekomen? Waarom maken de Kamerleden steeds ruzie met elkaar? Zouden ze er niet beter aan doen met elkaar samen te werken? Maar ik geloof dat ik de mechanismen nu in de smiezen heb, anders was het me ook niet gelukt het hoofd boven water te houden. Ik zie mezelf nog steeds als een vakspecialist maar ik begin deze baan wel steeds leuker te vinden.’

Behalve twee Zweedse stillevens hangt aan de muur van haar kamer bij VWS een foto van Friesland, aandenken aan een werkbezoek dat ze aan de provincie bracht: ‘Bij die gelegenheid heb ik ook een Fries paspoort gekregen. Inmiddels heb ik ook een diplomatieke pas. Ik heb nu niet twee maar vier paspoorten.’

Marlies Veldhuijzen van Zanten-Hyllner

Geboren op 29 september 1953 in Göteborg.

Studeerde geneeskunde aan de Universiteit van Amsterdam en specialiseerde zich tot verpleeghuisarts.

1984-1989 voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Verpleeghuisartsen NVVA

1993-2005 docent verpleeghuisgeneeskunde aan de Vrije Universiteit

2005-2010 specialist ouderengeneeskunde bij thuiszorgorganisatie Amstelring in Noord-Holland

Sinds 2010 staatssecretaris van VWS.

Ze is getrouwd met Brinio Veldhuijzen van Zanten en heeft twee kinderen.