De deuren van de Amsterdamse Bunker gingen gisteren dicht voor publiek en pers. Op verzoek van verdachte Jordi de J. ‘vanwege de staatsveiligheid’. Doorgaans wijst dat op AIVD-bemoeienis. Welke rol speelt de geheime dienst in het grote jihadproces?

De moeder van Jordi de J. schrok toen Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) haar begin 2013 belde. Of ze wel wist waar haar zoon mee bezig was, vroeg de AIVD-medewerker. Ze legde uit dat haar zoon plannen had om te studeren in Saoedi-Arabië. ‘De AIVD vertelde mij dat het iets anders zat,’ zou mevrouw De J. later bij de politie verklaren. ‘Ze zeiden dat Jordi naar Syrië wilde gaan en dat daar oorlog was.’

De geheime dienst had gelijk. Gisteren stond Jordi voor de rechter op verdenking van deelname aan de strijd in Syrië en lidmaatschap van een terroristische organisatie. Maar het proces werd in de middag op verzoek van de verdediging voortgezet achter gesloten deuren. Volgens de rechtbank in verband met de ‘staatsveiligheid’. Dat is een breed begrip – een nadere toelichting werd niet gegeven – maar in de praktijk houdt dat doorgaans verband met het werk van de AIVD of de MIVD. Diensten die in het diepste geheim waken over die staatsveiligheid.

Het roept de vraag op wat, in de nevelige coulissen, de rol is van de AIVD bij dit proces. Deels is dat gissen, maar het vertrouwelijke strafdossier geeft wel een beeld. In haar verhoor vertelt de moeder van Jordi dat ze na het telefoontje meteen naar hem toe is gereden. ‘Ik vertelde hem dat ik bezoek had gekregen van de AIVD. Hij zei toen: jij ook al?’ Ook Jordi zelf had geheimagenten aan de deur gehad. Het maakte hem zenuwachtig en bespoedigde zijn vertrek.

Jordi was niet de enige op de radar van de AIVD. De dienst hield de extremistische moslims in ‘jihadistische brandhaarden’ als Delft, Zoetermeer en Den Haag zo nauwlettend mogelijk in de gaten. Zoveel is wel duidelijk. Dat ging vermoedelijk met behulp van traditionele methoden als observeren, taps op telefoon en internet, en wellicht infiltraties.

Abu Moussa zegt gezien te hebben hoe een printer van de Marokkaanse geheime dienst papieren uitspuugde met het logo van de AIVD er op.

Mogelijk maakte de dienst ook gebruik van ogen en oren van collega-diensten in het buitenland. In het dossier zit een epistel van hoofdverdachte Azzedine C., alias Abu Moussa, waarin hij beweert dat hij sinds 2009 stelselmatig door de AIVD is gevolgd. Elke zomer ging hij in die jaren met familie of vrienden op vakantie naar Marokko. En telkens belandde hij dan in de verhoorkamers van de Marokkaanse geheime dienst. Die ondervroeg hem over demonstraties die hij in Den Haag organiseerde en over zijn jihad-reislustige Nederlandse vrienden. Abu Moussa zegt met eigen ogen te hebben gezien hoe een printer van de Marokkaanse geheime dienst in 2012 papieren uitspuugde met het logo van de AIVD er op. Het maakte het netwerk rond Abu Moussa ook zeer bewust van het feit dat al hun gangen werden nagegaan.

In die periode bracht de AIVD het openbaar ministerie op de hoogte van reizen van vrienden van Abu Moussa naar Somalië en Afghanistan, zo blijkt uit ambtsberichten van de dienst in het strafdossier. Dat zijn de officiële brieven waarmee de geheime dienst volgens een vaste procedure een speciale officier van justitie inlicht over zaken op basis waarvan justitie zou kunnen ingrijpen. Zo meldt de AIVD op 3 juni 2012 zeer gedetailleerd dat twee jongens, onder wie medeverdachte Soufiane Z., ‘vandaag’ op Schiphol zullen arriveren ‘met vlucht PK737 vanuit Islamabad (Pakistan)’, waar ze dan een jaar vast hebben gezeten. In Nederland loopt de vervolging van al die vermeende jihadreizigers echter op niets uit, omdat justitie te weinig bewijs in handen heeft.

Als ze de politie tippen, gooien ze hun eigen glazen in, want dan komt de ‘informatiepositie’ in gevaar.

Mogelijk heeft dat gebrek aan succes de AIVD ertoe gebracht minder scheutig te worden met het verstrekken van informatie over jihadisten aan justitie. De dienst staat zoals gebruikelijk telkens voor het dilemma: als we de politie tippen, gooien we onze eigen glazen in, want dan komt onze ‘informatiepositie’ in gevaar. AIVD-informanten zullen immers kopschuw worden als op basis van hun informatie ineens allerlei mensen worden gearresteerd. Het is opvallend dat er in het strafdossier geen AIVD-ambtsberichten zitten in de periode dat de meeste jongens naar Syrië vertrekken – tussen eind 2012 en begin 2013. Justitie wordt dus niet gewaarschuwd om een reis te voorkomen. Ook het vertrek van Abu Moussa en Soufiane Z. naar Griekenland – waarna ze bij de grens met Turkije worden aangehouden – wordt misschien wel opgemerkt door de AIVD, maar niet doorgegeven aan de politie.

De Haagse politie begint haar grootscheepse onderzoek naar de jongens in de Schilderswijk niet na een tip van de AIVD – zoals meestal in terrorismeonderzoeken – maar pas na aangiftes van familieleden van naar Syrië verdwenen jongeren. Die wijzen onder meer Abu Moussa aan als ‘ronselaar’. Eenmaal begonnen met het onderzoek onder de naam ‘Context’, vraagt justitie aan de AIVD wat de dienst allemaal kan zeggen over het netwerk. En pas dan komt de geheime dienst met tal van details zoals telefoonnummers, onderlinge contacten en plekken waar Haagse strijders in Syrië actief zouden zijn. Die berichten bevestigen dat de dienst nogal wat van de jongens weet, maar het niet eerder nodig vond dat te delen. Ook in het rapport ‘Transformatie van het jihadisme in Nederland’ staan diverse details over de groep, die zich uitte via websites als De Ware Religie en als BehindBars protesten organiseren voor het lot van moslimgevangenen. Dat doorwrochte rapport verschijnt eind juni 2014, zes dagen na de eerste aanhouding door justitie.

Hoe de AIVD al die informatie heeft verzameld, dat is het geheim van de smid. Misschien dat Jordi gisteren iets over dat geheim heeft verteld. Maar dan wel met de deur dicht, want het is een staatsgeheim.