Vrij Nederland-redacteuren Jaco Alberts en Harry Lensink bloggen over het geruchtmakende jihadproces. Vandaag: is Jordi de J. zo onnozel als hij zegt te zijn?

‘Waarom zoeken jullie mij,’ vraagt hij aan de agenten. Het is 9 mei 2013 als Jordi de J. zichzelf meldt bij het politiebureau in Rotterdam. Hij is dan net terug uit Syrië waar hij twee maanden is geweest. Urenlang zit hij tegenover de politiemensen en vertelt hij over zijn leven. Over Delft waar hij naartoe verhuisde toen het thuis in Schipluiden niet langer ging. Over zijn bekering als 17-jarige tot de islam. Over Mourad Massali die hij ontmoette tijdens het op straat verkopen van simkaarten voor telefoonmaatschappij Lebara. Hoe die hem in contact bracht met een groep ultraorthodoxe moslims in Delft die samen naar radicale moskeeën ging, maar ook graag voetbalden en barbecueden met geestverwanten in Zoetermeer en Den Haag.

Zijn nieuwe Delftse vrienden verdwenen eind 2012 plotseling een voor een naar Syrië. Om te vechten tegen de troepen van president Assad. Zonder Jordi vooraf iets te zeggen, zegt hijzelf. Begin 2013 besloot hij ook te gaan. Een vertrek – zo bleek uit andere verhoren – dat werd bespoedigd toen de AIVD plotseling bij hem op de stoep stond: waar denk jij mee bezig te zijn, vroegen de geheimagenten. Hals-over-kop pakte de zenuwachtige Jordi zijn koffers. Een contactpersoon haalde hem op bij de Turks-Syrische grens en hij belandde in ‘een huis’ met meer buitenlanders, zegt hij tegen de politie.

‘Dan krijg je zeg maar het moment van dat je kan gaan kiezen: wil je de fysieke strijd gaan doen of wil je in de hulpverlening gaan?’ Jordi kiest naar eigen zeggen voor de hulpverlening en rijdt medicijnen naar ziekenhuizen en dergelijke. ‘Ik ben totaal geen vechterstype.’ Al snel komt Jordi erachter dat de burgeroorlog niets voor hem is. De spaarzame keren dat zijn moeder contact krijgt, zit Jordi huilend met haar aan de telefoon: hij wil weer terug naar Nederland. Dat lukt. In Istanbul haalt zijn moeder hem op.

Zijn omgeving beschrijft Jordi als gevoelig, beïnvloedbaar, niet al te slim. Voor het openbaar ministerie leek hij een geschenk uit de hemel. Een jongen die als getuige uitgebreid kon vertellen over de ‘jihadistische brandhaarden’ in Den Haag, Zoetermeer en Delft waarvandaan strijders naar Syrië vertrokken. Maar als het ging om namen van mensen die dergelijke uitreizen organiseerden – daar was de politie uitdrukkelijk naar op zoek – kwam men met Jordi niet veel verder. Bovendien begon men te twijfelen aan zijn verklaring. Volgens de politie loog hij over de persoon met wie hij vertrok en getuige Ahmed S. verklaarde dat Jordi hem had verteld dat hij in een trainingskamp schietoefeningen deed. Vervolgens kreeg de teruggekeerde Belgische jihadist Jejoen Bontinck een foto van Jordi onder ogen en zei hij dat hij hem ook in een trainingskamp had gezien. Daar werden strijders voor de terreurbrigade Jabhat al-Nusra opgeleid.

En zo verhuisde Jordi eind vorig jaar van de getuigen- naar de verdachtenbank. Tijdens het onderzoek bleek ook nog dat dat Jordi tijdens zijn verblijf in het kamp foto’s zou hebben gemaakt van de begrafenis van zijn Delftse vriend Mourad Massali, die als ‘martelaar’ in de strijd was gestorven. Tegen Jordi sprak in de ogen van de opsporingsinstanties verder dat hij na terugkeer weer contact opnam met de Haagse jihadisten rond hoofdverdachte Azzedine C. alias Abu Moussa en meedeed met hun bekeringsactiviteiten op straat. Maar hoe spraakzaam Jordi aanvankelijk was, zo zwijgzaam was hij later tegenover de politie. In de verhoren als verdachte beriep hij zich stelselmatig op zijn zwijgrecht.

Vandaag zal de rechtbank vooral willen onderzoeken met welk doel Jordi naar Syrië vertrok en wat hij daar precies deed. In de eerste week van het proces bereidden de rechters zich al duidelijk op die kwestie voor. ‘Heeft u ooit gemerkt dat er Syriëgangers gingen louter voor humanitaire hulp,’ vroegen ze aan getuige-deskundige Martijn de Koning. ‘Nee,’ luidde diens antwoord.