Deze week werd pijnlijk zichtbaar tot welke barbarij we kunnen vervallen als we toestaan dat onverdraagzaamheid het wint van rechtsstatelijkheid.
Als een stel zeventiende-eeuwse zeerovers enterde de Israëlische marine bij Cyprus een vloot met hulpgoederen voor hongerende Palestijnen. De 422 opvarenden werden gevangengenomen en samengedreven in vier kleine containers, waarin ze staand moesten slapen. Ze werden geschopt, geslagen en bewerkt met tasers. Vier vrouwen claimen door Israëlische militairen te zijn verkracht.
De wrede behandeling van deze vreedzame activisten is geen incident. De extreemrechtse Israëlische veiligheidsminister Itamar Ben-Gvir publiceerde op zijn socials een video waarin hij met een Israëlische vlag paradeert tussen op hun knieën gedwongen activisten. Premier Netanyahu sputterde voor de vorm nog iets over fatsoen, maar ontsloeg Ben-Gvir niet. Bovendien beweert hij ten onrechte dat Israël het recht heeft om activisten op internationale wateren te ontvoeren.
Israël heeft zich deze eeuw ontwikkeld tot een afschrikwekkend voorbeeld van ons voorland, als we ons niet teweer stellen tegen politiek extremisme. In Nederland hebben we tenslotte onze eigen Ben-Gvirs. Kamerleden als Geert Wilders, Mona Keijzer en Gidi Markuszower laten geen kans onbenut om de xenofobe veenbrand die in onze samenleving woedt van extra zuurstof te voorzien.
Deze week sliepen de eerste asielzoekers in Ter Apel weer op het gras omdat extreemrechtse knokploegen de opening van verschillende noodopvanglocaties frustreerden. Met organisatorisch vermogen heeft dat niks te maken. Gemeenteambtenaren zijn prima in staat om opvang te organiseren. Onze burgemeesters zijn bovendien flink genoeg om de openbare orde te handhaven. Zoveel hebben ze wel bewezen bij de indamming van straatgeweld afkomstig van voetbalhooligans of het uitgaanspubliek.
Maar dit is niet hetzelfde.
Burgemeesters zijn hooligans de baas omdat geen minister, Kamerlid of journalist ooit begrip uitspreekt voor hooliganisme. Heel Nederland behandelt voetbalhooligans als paria’s. We hebben zo een maatschappelijke context gecreëerd die burgemeesters in staat stelt om de openbare orde te handhaven.
Voor extreemrechts politiek geweld ligt dat anders.
We zien nu al jaren hoe bewindspersonen wegkijken van aanvallen op de democratische orde, zoals minister Van Weel in juni 2025 al deed toen een extreemrechtse knokploeg een illegale grenscontrole uitvoerde. Ondertussen wordt vreemdelingenhaat aangemoedigd vanuit de Tweede Kamer, in enkele kranten en door verschillende televisieprogramma’s.
Xenofobie, racisme en haat krijgen in Nederland zo de kans om zich te verspreiden als een kwaadaardig virus dat onze rechtsorde ondermijnt.
Het kabinet kan dit niet bestrijden met een paar plichtmatige tweets of de oprichting van ‘vliegend teams’. Zoals premier Rutte het volle gewicht van zijn ambt in de strijd wierp om de verspreiding van het coronavirus te bestrijden, is het nu aan premier Jetten om de extreemrechtse geest weer in de fles te duwen. Met een toespraak vanuit het Torentje of, desnoods, met wekelijkse persconferenties over de aanval op de democratie.
Alleen door pontificaal voor burgemeesters te gaan staan als de vlam weer in de pan slaat, kan het kabinet een context creëren waarbinnen we extreemrechts daar kunnen houden waar het thuishoort: in de marge.















