Opnieuw relevant, want

Zaterdag 12 december is spionagegrootmeester John le Carré overleden. In 2016 schreef Frits van Exter dit profiel voor de Detective en Thrillergids over de succesvolle thrillerauteur.

Na 672 pagina’s, waarvan 21 pagina’s index, 4 pagina’s bibliografie, 27 pagina’s noten en dankbetuigingen aan meer mensen dan ik wilde tellen, kon ik opgelucht vaststellen dat de biografie van de schrijver John le Carré geen afbreuk doet aan wat hem zo onweerstaanbaar maakt: zijn schemeren tussen werkelijkheid en verbeelding. Zijn succes berust zozeer op de aantrekkingskracht van het heimelijke, dat je er eigenlijk niet aan moet denken dat de schrijver zelf een open boek is.

Het heeft niet zozeer aan de onvermoeibare Adam Sisman gelegen, alswel aan zijn subject. Le Carré heeft hem gezegd ‘een geboren en getogen leugenaar’ te zijn. In een ongelukkige jeugd zocht hij zijn toevlucht tot fantasie. Als spion behoorden leugen en bedrog tot zijn belangrijkste gereedschap. En als schrijver vond hij een bestaan in fictie, die de lezer altijd laat raden naar het waarheidsgehalte. ‘Hij heeft zich de kunst eigen gemaakt schuil te gaan in het volle licht.’

En John le Carré bestaat natuurlijk niet eens; de Britse schrijver heet David Cornwell. Hij weet zelf niet meer waar het pseudoniem op slaat. Er zijn veel – laten we ze geen leugens noemen – ongerijmdheden in het inmiddels bijna 85-jarige levensverhaal. ‘Zoals iedereen redigeert Cornwell zijn verleden bij het herleven daarvan.’ Hij doet het misschien wat meer omdat het zijn tweede natuur is. We hoeven ons daarom ook niet veel zorgen te maken over zijn memoires die dit najaar verschijnen. Cornwell zal vast niet alle rookgordijnen die hij in zijn leven heeft opgeworpen, wegblazen.

Dat is ook helemaal niet erg, blijkt bij het herlezen van de beste van de 23 romans die hij heeft geschreven, van zijn eerste grote succes (Spion aan de muur, 1963) tot zijn laatste roman (Een broze waarheid, VN-Thriller van het jaar 2013), waarbij we onderweg enkele zwakkere titels overslaan. Wie wil de hele waarheid lezen, als de halve zoveel spannender is?

Meer dan een spionageverhaal

Wie hem nog niet kent en zich zelf tekort wil doen met één boek, leze Een perfecte spion (A perfect spy, 1986, in Nederlandse vertaling alleen tweedehands verkrijgbaar). Het is zijn meest autobiografische roman. Maar lees het allereerst om je te laten verrassen door de taal, de dialogen, de karakters, de humor, de nauwelijks ingehouden woede en de kracht van suggestie – Le Carré laat de lezers zelf denken.

Het is zoveel meer dan een spionageverhaal. De geschiedenis van de Koude Oorlog, de teloorgang van het Empire, het bederf van de klassenmaatschappij, de incompetentie van bureaucraten, het heersende cynisme verpakt in gekmakende ironie en gedrenkt in whisky, het schrijnende onvermogen van ouders hun kinderen warmte en veiligheid te bieden, wankelmoedige liefde, dunne vriendschap en verder natuurlijk alle leugens en ontrouw van de wereld – waar gaat het niet over?

Zoals altijd bij hem gaat het om de tweestrijd: wie of wat blijf ik trouw en tegen welke prijs?

Zoekend naar een scène waarin zo niet alle, dan toch veel kwaliteiten van Le Carré tot hun recht komen, trof ik in Een perfecte spion het verhoor van Mary Pym, echtgenoot van Magnus Pym, een spion die, vermomd als Brits diplomaat op de ambassade in Wenen, verantwoordelijk is voor de netwerken in Tsjecho-Slowakije. Hij is afgereisd naar Engeland om zijn vader te begraven, maar na vijf dagen keert alleen zijn koffer terug. Reden voor alarm in Londen. Is hij ontvoerd? Overgelopen? In het eerste scenario zal het langer duren, maar vroeg of laat zullen alle geheimen van Magnus Pym in Moskou ter tafel komen. Een nachtmerrie. En wat Londen daarbij vooral bezig houdt: wat zullen de cousins denken? Het is slechts dankzij de gunst van de ‘neven’ van de Amerikaanse inlichtingendiensten dat de Britse collega’s nog enige status genieten.

Pyms baas, Jack Brotherhood, vliegt uit Londen over met een team om de schade vast te stellen en zo mogelijk te beperken. Magnus was zijn favoriet, Mary zijn minnares. Hij stormt de woning van de Pyms in Wenen binnen ‘als een haveloze havik’. Terwijl zijn ondergeschikten de kamers overhoop halen, vuurt hij vragen op Mary af. Hij wil elk detail weten, terwijl zij zich radeloos afvraagt wat haar man allemaal verborgen heeft gehouden en waarom zij zich nog steeds aangetrokken voelt tot een bruut als Brotherhood. Uiteindelijk spreken zij over de avond dat Pym te horen kreeg dat zijn vader is overleden. ‘Ze vertelde het hem, precies zoals ze het had gerepeteerd.’ We vallen er halverwege in. Mary zegt dat Magnus die avond naar buiten ging voor een wandeling in de vrieskou:

‘Ik zei tegen hem: “Ga niet. Niet vannacht. Bedrink je. Laten we ons samen bedrinken.” Maar hij ging. Hij had die blik in zijn ogen.’ Ze wou dat ze dat niet gezegd had, maar even was ze net zo boos op Magnus als op Brotherhood.
‘Wat voor een blik is dat, Mary? Hij had die blik in zijn ogen. Ik denk niet dat ik je helemaal begrijp.’
‘Leeg. Als een toneelspeler zonder rol.’
‘Een rol? Zijn vader legt het bijltje erbij neer en sterft en Magnus heeft geen rol meer? Waar heb je het in godsnaam over?’
Hij drijft me in een hoek, dacht ze, vastbesloten geen antwoord te geven. Zo meteen zal hij me met vaste hand betasten en zal ik achterover gaan liggen en het toelaten, omdat ik geen uitvluchten meer weet te bedenken.

Maar John le Carré laat Brotherhood doorvragen. Waren er telefoontjes geweest die avond? Nee. Nam hij nog iets mee, een aktentas bijvoorbeeld?
‘Een krant.’

De lezer voelt meteen dat dit het is. En Havik Brotherhood duikt op zijn prooi. Welke krant? Die Presse, een lokale Oostenrijkse krant, antwoordt Mary. Magnus pakte een exemplaar van de stapel – hij wilde graag dat zij alle nummers van een week bewaarde. Keek hij ernaar op dat moment? Hij keek alleen naar de datum.

‘Hoe dan ook, hij was zo van streek dat hij de krant van de verkeerde dag meenam,’ zei ze vrolijk, daarmee de doorslag gevend.
‘Heb je dat dan gecontroleerd, schat?’
‘Pas toen ik de boel aan het opruimen was.’
‘En wanneer was dat?’
‘Gisteren.’
‘Welke krant had hij meegenomen?’
‘Die van maandag. Die was al drie dagen oud. Dus was hij kennelijk behoorlijk overstuur.’
‘Kennelijk.’
‘Goed dan, zijn vader was niet bepaald de liefde van zijn leven. Maar hij was niettemin dood. Niemand denkt helder na als hem zoiets overkomt. Zelfs Magnus niet.’
‘En wat deed hij vervolgens? Nadat hij naar de datum gekeken had en de krant van de verkeerde dag had gepakt?’
‘Toen liep hij de deur uit. Zoals ik je al verteld heb. Om een wandeling te maken. Je luistert niet. Je hebt nooit geluisterd.’
‘Vouwde hij hem op?’
‘Allemachtig, Jack! Wat doet het ertoe hoe iemand een krant vasthoudt?’
‘Bedwing je ego nog even en geef antwoord. Wat deed hij ermee?’
‘Hij rolde hem op.’
‘En toen?’
‘Niks. Hij hield hem vast. In zijn hand.’
‘Had hij hem ook bij zich toen hij terugkwam?’
‘Hier thuis? Nee.’
‘Hoe weet je dat hij hem niet bij zich had?.’
‘Ik stond hem in de gang op te wachten.’
‘En het viel jou op. Hij heeft geen krant bij zich. Geen opgerolde krant, zei je bij jezelf.’
‘Puur toevallig, ja.’
‘Niks toevallig, Mary. Je had je voorgenomen er op te letten. Je wist dat hij ermee vertrokken was en je zag onmiddellijk dat hij zonder krant terugkwam. Dat is geen toeval. Je bespioneerde hem.’
‘Zoals je wilt.’

Gevaarlijk dubbelspel

De verleiding is groot om door te gaan, om ten volle te laten zien hoe Brotherhood een half-tegenstribbelende Mary murw maakt. Ja, zijn favoriete spion, en haar bedrogen echtgenoot, gaat regelmatig ’s avonds met een oude opgerolde krant op stap, toevallig op de dagen die in de agenda gemarkeerd staan met een ‘P’.

John le Carré neemt 28 pagina’s voor deze ene scène, bouwt het stap voor stap op en elke zin doet je verder naar het puntje van de stoel schuiven. Je denkt inmiddels zo’n gisse lezer te zijn dat je weet dat die oude opgerolde krant het codeschrift van de dubbelspion moet zijn. En zij? Wíl zij haar man wel beschermen?

John le Carré poseert met zijn vrouw bij hun thuis. Foto: Ralph Crane/Time Life/Getty Images

Een perfecte spion is het levensverhaal van Magnus Pym en in veel opzichten van David Cornwell. Zoals altijd bij hem gaat het om de tweestrijd: wie of wat blijf ik trouw en tegen welke prijs? Het lot van Pym wordt bepaald door zijn verraad van de Tsjechische vriend uit zijn studententijd.

In Spion aan de muur denkt de agent dat hij een hoofdrol speelt in een gevaarlijk dubbelspel, maar blijkt hij een pion in het twee- of driedubbelspel van zijn meesters.
In Een broze waarheid schrikt een gepensioneerde diplomaat op uit zijn Engelse plattelandsleventje wanneer hij ontdekt dat hij door de politie is misbruikt als dekmantel voor een illegale operatie waarbij een moeder en kind worden gedood.

En natuurlijk is er ook nog de favoriete anti-held George Smiley, die in drie voortreffelijke romans niet alleen zijn tegenspeler in Moskou, maar ook zijn verraderlijke collega’s in Londen en zijn overspelige echtgenote het hoofd moet bieden.

Verraad is David Cornwells levensgezel en muze. Zijn moeder verraadde hem als kind. Zijn vader deed dat zijn hele leven. De geheime dienst leerde hem op zijn beurt anderen te verraden, net als Magnus Pym. En hij bleek zelf als vriend, minnaar en echtgenoot ook een verrader.

Zestien knuffelloze jaren

Ronnie Cornwell was een oplichter van uitzonderlijke klasse (het mooie van de biografie over de zoon is dat je er een over de vader bij cadeau krijgt). Hij wilde groots leven, maar kon zich dat slechts veroorloven door anderen met de rekening achter te laten. De charmeur praatte het geld uit je zakken, bouwde de fraaiste luchtkastelen met gegarandeerde winsten. Daarbij maakte hij geen onderscheid: bejaarden met een klein pensioen, goede vrienden, trouwe buren en zelfs zijn kinderen werden slachtoffer.

Le Carré schreef Een perfecte spion na de dood van zijn vader. In het boek heet hij Rick Pym. ‘Elk geldbedrag dat door de handen van Rick ging, was onderhevig aan een herdefiniëring van het eigendomsrecht.’ En wanneer schuldeisers daar anders over dachten en hij het ene gat niet meer met het andere kon dichten, vluchtte hij weg, een spoor van ongedekte cheques en faillissementen achter zich latend.

Davids moeder, Olive, kon niet tegen de spanning. Nadat zij haar laatste spaargeld aan hem had afgestaan, liep zij weg met een bewonderaar. David was nog maar vijf, zijn enige broer twee jaar ouder. Hij heeft haar pas ‘na zestien knuffelloze jaren’ weergezien en het is nooit meer echt goed gekomen tussen die twee.

Op kostschool werd het jonge kind vanzelfsprekend de buitenstaander die zich terugtrok in een eigen wereld. Hij deed alsof hij zich aanpaste, maar dat was niet meer dan een vermomming. Zijn vader bezocht hem onregelmatig, bij voorkeur in een Rolls Royce met zijn laatste verovering aan zijn arm en met de nodige smoezen voor het schoolhoofd, die hem op de openstaande rekeningen attendeerde.

We denken dat hij ons inwijdt in een geheime wereld, maar het gaat natuurlijk gewoon over onszelf.

Volgens zijn biograaf vond Cornwell een uitlaatklep in het schrijven van gedichten en tragikomische verhalen. Hij voelde zich aangetrokken tot de Duitse taal en cultuur, misschien juist omdat dat zo kort na de oorlog taboe was. In de zomer van 1948 nam hij, zestien jaar oud, een besluit: hij zou zijn school niet afmaken, maar gaan studeren in Zwitserland (Duitsland zelf was toen echt een brug te ver). Zijn vader hield hem niet tegen. In Bern stortte hij zich in de wereld van Goethe, Hesse en zoveel andere Duitse klassiekers. Het versterkte bij de jonge Werther, koortsachtig op zoek naar de liefde, een hang naar depressie. Het hielp niet wanneer zijn vader weer eens niet over de brug was gekomen en hij zich met slechte baantjes moest zien te redden.

Geen plaats voor moraliteit

In Bern begon ook zijn loopbaan als spion. Een diplomaat lijfde hem vlotjes in tijdens de thee of iets sterkers na de wekelijkse dienst in de Engelse kerk. David wilde zich graag bewijzen als patriot, al was het maar bij wijze van genoegdoening voor zijn vader die de militaire dienst had ontlopen en op de zwarte markt had geprofiteerd. Bovendien was er een nieuwe vijand: het communisme. Cornwell deed kleine, onbetaalde klusjes voor de goede zaak: vergaderingen van studenten bijwonen om te boekstaven wie er al te linkse sympathieën op na leken te houden. Het was slechts bedoeld om hem uit te proberen.

Eerst ging hij in dienst. In 1951 werd hij door de militaire inlichtingendienst gestationeerd in Oostenrijk, dicht bij het IJzeren Gordijn. Daar moest hij vluchtelingen ondervragen om na te gaan of zij een bedreiging dan wel een aanwinst voor de geheime dienst vormden. Hij leerde er mensen ‘te lezen’, karakters te onderscheiden.

Daarop volgde de universiteit van Oxford, net als Cambridge niet alleen een kweekvijver voor spionnen, maar ook voor dubbelspionnen voor Moskou. Eind jaren vijftig bleek dat de Britse geheime diensten tot op hoog niveau geïnfiltreerd waren door ‘mollen’ (een term van Le Carré): vaak kleurrijke en briljante types als Kim Philby.

Hun verraad heeft diepe wonden geslagen in MI5 (contraspionage) en MI6 (spionage in het buitenland). Niemand was meer te vertrouwen. De nieuwe bazen verordonneerden dat alles links van het midden verdacht was. En dus sloot student David Cornwall zich aan bij politieke studentenverenigingen en rapporteerde hij getrouw over degenen die daar de toon zetten. Zo verraadde hij vrienden.

Lange tijd heeft Cornwell er helemaal niet over willen praten. Hij achtte zich gebonden aan de geheimhoudingsplicht, maar misschien was het hem ook te pijnlijk. Hij is ver na de val van de Muur iets openhartiger geworden. Hoewel zijn boeken vanaf de vroege jaren zestig een andere taal spraken over de moraliteit van verraad, heeft hij zijn eigen bijdrage verdedigd. Het was afschuwelijk om het vertrouwen dat mensen in je stelden te beschamen, zei hij bijna een halve eeuw later, ‘maar iemand moet het riool schoonspoelen en ik vond en vind nog steeds dat ik dingen deed die moreel gezien in zekere zin weerzinwekkend, maar wel noodzakelijk waren’. Het was tenslotte de Koude Oorlog en de vrije samenleving stond op het spel.

Hoeveel hij misschien ook gaf om de verdediging van de vrije samenleving, hij wilde vooral ontsnappen aan een saai bestaan als leraar en een troosteloos huwelijk in het benauwde Engeland. Hij wilde leven met minder god en gebod. En het aantrekkelijke van spionage was, in zijn woorden, dat er juist geen plaats was voor moraliteit.

Indiaantje spelen

Cornwells loopbaan als spion was betrekkelijk kort. Hij werkte eerst in Londen voor MI5 en werd in 1961 geplaatst op de ambassade in Bonn. Hij heeft pas in de jaren tachtig toegegeven wat iedereen al wist, maar bleef vaag over zijn spionagewerk; het stelde allemaal weinig voor. Alleen toen een baas van de dienst, geïrriteerd door Cornwells meedogenloze schetsen van het vermolmde inlichtingenapparaat, die onbeduidendheid met enige minachting publiekelijk beaamde, kwam Cornwell in het geweer: hij had wel degelijk een belangrijke rol gespeeld in het aansturen van Joe’s (agenten in het veld).

Het heeft in elk geval niet lang geduurd. Na het wereldsucces van Spion aan de muur werd Le Carré in 1963 snel ontmaskerd door ijverige journalisten en werd hij als spion onbruikbaar. Bovendien was zijn werk geen reclame voor de dienst. Zo vraagt de hoofdpersoon in Spion aan de muur zijn vriendin: ‘Wat dacht je dat spionnen waren: priesters, heiligen en martelaren? Ze vormen een zielige processie van ijdele dwazen, verraders ook, ja: verwijfden, sadisten, dronkaards, mensen die indiaantje spelen om hun beroerde levens nog wat op te vrolijken. Dacht je dat ze in Londen als monniken zitten af te wegen wat goed is en wat kwaad?’

Cornwell kon het zich inmiddels ook veroorloven om ontslag te nemen.
Hoe bescheiden zijn bijdrage aan de verdediging van het vrije Westen ook was, Cornwell heeft in korte tijd genoeg geleerd om er als schrijver goed gebruik van te maken: het schaduwen van mensen, geheime signalen, het runnen van agenten, coderen en decoderen, explosieven, vuurwapens, messen en de blote vuist, verhoortechnieken en hoe daartegen weerstand te bieden (althans enige tijd), het vervalsen van documenten, het openmaken van sloten en dan ook nog het bijbehorend vakjargon.

Foto: Ralph Crane/Time Lie/Getty Images

En anders dan collega’s als Ian Fleming, de schepper van James Bond, gebruikt Le Carré die ervaring niet om zijn helden te laten schitteren, maar vooral omwille van de authenticiteit van zijn menselijke verhalen, waarin het meer gaat over het onvermogen van zijn karakters dan over hun onoverwinnelijkheid. En daarin verschillen zijn spionnen weinig van gewone mensen. We denken dat hij ons inwijdt in een geheime wereld, maar het gaat natuurlijk gewoon over onszelf.

De woede van de ouderdom

Hoezeer zijn boeken ook om de literaire kwaliteiten zijn geprezen, Le Carré heeft zich niet kunnen ontdoen van het etiket ‘schrijver van spionageromans’. En het leek er ook op dat hij daarin even houdbaar was als de Koude Oorlog. Hij zag dat zelf anders. Hij was na de val van de Muur niet zozeer zijn motief kwijt, de westerse wereld had zijn kans verspeeld om moreel leiderschap te tonen in een nieuwe missie: bestrijding van alle ‘uitwassen van het kapitalisme’. David Cornwell radicaliseerde. Hij noemde het zelf Alterzorn, de woede van de ouderdom. Hij richtte zich fel tegen ‘de met leugens gerechtvaardigde’ oorlog in Irak. Cornwell schreef ingezonden brieven en nam deel aan demonstraties waar hij met zijn lange lijf en witte borstelwenkbrauwen een bekende verschijning was.

Die woede leverde wat mindere boeken op, zoals De toegewijde tuinman (2001) en Absolute vrienden (2004). ‘Waar eens een subtiel mes was, is nu slechts een botte bijl,’ oordeelde The Guardian. Het grijs van de Koude Oorlog, waar de lijnen tussen goed en kwaad moeilijk te onderscheiden waren, heeft plaatsgemaakt voor een zwart-witte wereld, waarin de VS, op de voet gevolgd door het onderhorige Groot-Brittannië, moreel failliet worden verklaard.

Cornwell was gevoelig voor de kritiek. Hij wilde bij de tijd zijn, woede tonen, maar ook geen lezers verliezen met schamele verhalen bevolkt door eendimensionale figuren. Het is knap hoe hij er op hoge leeftijd in is geslaagd zich te revancheren. Een broze waarheid was, vijftig jaar na zijn doorbraak in 1963, een groot succes. Hij had weer het goede midden gevonden tussen woede, ironie en mededogen – hij liet de lezer weer raden. De succesvolle verfilmingen geven zijn oudere boeken een tweede leven. Hij heeft het werk aan een nieuwe roman terzijde gelegd om zijn memoires te kunnen schrijven. Hij wordt in de herfst 85 jaar. Voorlopig houdt hij zijn ritme (’s ochtends schrijven, dan stevig wandelen langs de kust nabij zijn huis in Cornwall, wat drinken en op tijd naar bed) nog vol. Over de verraderlijke ziel van de mens raakt hij immers niet snel uitgeschreven.

Adam Sisman: ‘John le Carré, the biography’, Bloomsbury Publishing (2015).
De boeken van John le Carré worden uitgegeven door Luitingh-Sijthoff en vertaald door Rob van Moppes.