Non-fictie in de koffer

Ineke Sluiter

Hoogleraar Griekse taal- en letterkunde aan de Universiteit Leiden en winnaar van de Spinozapremie 2010

Kiest:

Richard Wrangham, Koken. Over de oorsprong van de mens, Nieuw Amsterdam, 272 p., € 19,95

‘Panda’s zijn schattig maar triest. Bijna de helft van elk etmaal brengen ze kauwend door, in een wanhopige poging om voldoende energie te halen uit zo’n tien kilo beroerd verteerbare en niet al te voedzame bamboe. Geen wonder dat ze amper de energie kunnen opbrengen om eens per jaar te paren. Ook andere dieren, zelfs primaten, hebben een dagtaak aan kauwen en bijkomen van het kauwen. Hoe zijn wij mensen aan die nachtmerrie ontsnapt? Richard Wrangham denkt dat dat komt doordat onze verre voorvaderen erachter zijn gekomen dat je eten ook kunt koken. Die uitvinding heeft alles mogelijk gemaakt wat ons tot mensen maakt. Doordat ons eten beter verteerbaar werd, konden we ons kleinere ingewanden permitteren. De energie die niet naar onze darmen hoefde, werd besteed aan veel grotere hersenen. Minder uren kauwen per dag betekent dat je langer en intensiever kunt jagen. Een keerzijde is er ook: de taakverdeling tussen mannen en vrouwen liet de mannen jagen en de vrouwen groenvoer en bessen verzamelen… en koken!

Wranghams boek is een intrigerende en vaak geestige verkenning van de rol van koken in de evolutie. Onderweg komen we raw food-liefhebbers tegen, die zich dit culinaire modeverschijnsel alleen kunnen permitteren omdat een beetje afvallen tegenwoordig vaak niet erg is en de hoge kwaliteit van de moderne voedingsstoffen maakt dat ze niet fataal ondervoed raken. Het boek belandde op mijn bureau nadat ik een indringend gesprek had gevoerd met een collega die gewapend met slechts een zakje noten de dag probeerde door te komen. Zij volgde het Holenmens-dieet. Ik informeerde of ze bekend was met de gemiddelde levensverwachting van de holenmens. Dat was ze niet.

Het is ook een boek dat aan het denken zet: de vorig jaar overleden antropoloog Claude Lévi-Strauss werd beroemd met de gedachte dat het onderscheid tussen rauw en gekookt voedsel vooral culturele betekenis heeft. De mens leeft in een wereld vol symboliek en creëert betekenis door een web van tegenstellingen: man-vrouw, rechts-links, cultuur-natuur, gekookt en rauw. In plaats van zulke symbolische verkenningen biedt Wrangham het kader van de evolutieleer; de rol van koken is een prachtig voorbeeld van de co-evolutie van culturele en natuurlijke verschijnselen. De cruciale ontdekking van hoe je vuur beheersbaar kunt houden, was één ding. Maar degene die de eerste mastodont-kebab boven dat vuur hield: die voorloper van Gordon Ramsay heeft ons de tijdwinst opgeleverd waardoor we met een boek op het strand kunnen gaan liggen.’ (PB)

Claes de Vreese

Hoogleraar politieke communicatie aan de Universiteit van Amsterdam

Kiest:

David Plouffe, The Audacity to Win. The Inside Story and Lessons of Barack Obama’s Historic Victory, Penguin, 400 p., € 23,40

‘De campagne van Barack Obama is na zijn verkiezing nooit opgehouden; dit boek is daar een bewijs van. De schrijver, David Plouffe, campagneleider van Obama, heeft vrij gekregen om dit boek te schrijven. Het imago van Obama wordt zo continu onderhouden, zelfs tijdens zijn presidentschap. Plouffe slaat met dit boek zo veel vliegen in een klap. Niet een journalist, maar hijzelf reconstrueert de campagne. En met dit boek vestigt hij weer de aandacht op die bijzondere campagne. Dat is slim. Daarnaast is het boek heerlijk geschreven. Je wordt weer meegevoerd naar het allereerste begin, toen Obama zich kandideerde voor het presidentschap, en Plouffe leidt je via de primaries, de strijd tegen Hillary Clinton, naar de uiteindelijke overwinning.

Er wordt wel gezegd dat Barack Obama dankzij internet en social media de verkiezingen heeft gewonnen. Plouffe – en hij kan het weten – ontkracht deze mythe. Hij legt uit hoe deze media niet in de breedte werden gebruikt, maar alleen bij sommige groepen. Hij maakt duidelijk dat het campagneteam vooral heel veel kennis over de verschillende kiezersgroepen had verzameld. En dat zij hun boodschap aanpasten op veel twijfelende stemmers. De vraag wat de boodschap moest zijn voor de verschillende kiezersgroepen, stond telkens centraal. Om die reden hadden de campagneteams van de Nederlandse politieke partijen dit boek ook goed moeten lezen. Dan hadden ze geleerd dat één landelijke boodschap niet genoeg is. Verschillende doelgroepen vragen om op maat gesneden boodschappen, ook in Nederland. Het boek geeft een prachtig beeld van de hedendaagse politiek. Een inspirerende must read voor iedereen die enigszins geïnteresseerd is in campagnes en verkiezingen. En lees je dit boek, dan herbeleef je de boodschap van hoop die de lange campagne van Obama uitdroeg. Alleen dat al is een goede reden dit boek te lezen.’ (MM)

Appy Sluijs

Universitair docent biomariene wetenschappen en paleoklimatologie aan de Universiteit Utrecht

Kiest:

Israel Finkelstein en Neil Asher Silberman, De Bijbel als mythe. Het andere verhaal van de archeologie, Synthese, 416 p., € 24,90

‘Bij mijn promotie in 2006 kreeg ik tot mijn verrassing dit boek cadeau van een van de commissieleden, een organisch geochemicus. Hij is echt wetenschapper pur sang met een grote hekel aan aannames die niet gebaseerd zijn op feitelijk onderzoek, terwijl hij wel geïnteresseerd is in geschiedenis. Een boek waarin het vermeende waarheidsgehalte van het Oude Testament wetenschappelijk wordt getoetst, past dus wel bij hem. Hoewel religie me eigenlijk niet interesseert, houd ik erg van het wetenschappelijk benaderen van verhalen: in de wetenschap worden op deze manier soms ook aannames ontkracht die in het verleden voor waar werden aangenomen en het is belangrijk dan open te staan voor argumenten, dus ik heb De Bijbel als mythe met veel plezier gelezen. Finkelstein en Silberman ontdekten dat voor veel verhalen uit het Oude Testament geen enkel archeologisch bewijs is. Zo staat in de Bijbel dat koning Salomon in de tiende eeuw voor Christus veel gebouwd zou hebben. Maar de gebouwen die daarvoor in Israël worden aangewezen, blijken veel jonger te zijn. Ook zijn er geen aanwijzingen dat de aartsvaders ooit hebben bestaan of dat de exodus heeft plaatsgevonden. Het boek biedt een mooi overzicht van wat archeologische vondsten ons kunnen vertellen. Voorheen is vaak met de Bijbel in de hand gekeken naar archeologische vondsten om ze te interpreteren, maar de auteurs van dit boek pakken het precies andersom aan.

De Bijbel als mythe is een populair-wetenschappelijk boek, geen wetenschappelijke verhandeling, ik heb het dan ook niet met een professioneel oog gelezen. Wel vond ik de passages over de datering van de archeologische vondsten razend interessant, omdat dat raakvlakken heeft met mijn eigen vakgebied. Ik onderzoek de chemische samenstelling van fossielen die in het geologische verleden op de zeebodem zijn afgezet. Dit leert ons iets over natuurlijke klimaatvariaties uit het verleden, waardoor we op den duur huidige en toekomstige klimaatveranderingen beter kunnen begrijpen en voorspellen. Ik weet dat bij archeologie de datering van vondsten superingewikkeld is. Net als archeologen gebruiken wij de koolstof-14-methode om de aardlagen en de fossielen te dateren. Voor mij waren die passages heel herkenbaar, want of je nu naar fossielen boort of vaasresten uithakt, de romantiek van dat graven in de grond is hetzelfde.’ (PB)

Patricia Pisters

Hoogleraar filmwetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam

Kiest:

Genevieve Lloyd, Providence Lost, Harvard University Press, 369 p., € 32,-

‘Het noodlot, voorbestemming en de onvermijdelijkheid zijn noties die haaks staan op waar wij in onze hedendaagse cultuur in geloven: vrije wil, controle en maakbaarheid. Je kunt het leven naar je hand zetten, succes is af te dwingen en de mens is autonoom. In Providence Lost laat filosofe Genevieve Lloyd zien dat het te danken is aan de erfenis van Descartes dat wij het lot en alles wat met voorbestemming te maken heeft, niet meer accepteren. Zijn scheiding tussen lichaam en geest, tussen geloof en vrije wil, deed ons het lot zien als iets wat je moet overwinnen door er rationeel boven te staan. Maar, zegt Lloyd, we kunnen het lot ook heel anders opvatten, en ze gaat terug naar de oude Grieken en naar Spinoza om opnieuw te kunnen nadenken over het lot.

Spinoza was ook een rationalist, maar hij erkende de rol van emoties die ten grondslag liggen aan ons denken en handelen. En zo wordt het mogelijk om binnen wat het lot ons brengt, vrijheid te voelen om een emotionele houding aan te nemen. Het boek zette mij aan het denken over ons euthanasiedebat. Is de dood niet de grootste lotsbestemming die wij mensen delen? Wat als je weet dat de dood onvermijdelijk nabij is, kun je dan die noodzakelijkheid erkennen, en tegelijk daarbinnen toch vrijheid voelen? Twee mooie Nederlandse voorbeelden zijn het boek Komt een vrouw bij de dokter van Kluun en de film Simon van Eddy Terstall. In beide werken zit dezelfde wending van een wilde platheid van erop los leven, naar een verrassend einde waarin een ethische keuze over de dood moet worden gemaakt. De waarheid van het naderende einde wordt geaccepteerd, en de noodzakelijkheid van de dood wordt omarmd door er zelf voor te kiezen.

In de rest van de wereld is heel weinig begrip voor het Nederlandse euthanasiedebat, daar zien ze het vooral als een beslissing van God waar de mens op immorele wijze tegenin wil gaan. Maar de keuze voor euthanasie is nooit een lichte keuze, er gaat een ingrijpend proces aan vooraf. In Nederland hebben wij er redelijke consensus over, maar eigenlijk is dat heel bijzonder. Misschien is dat wel de erfenis van Spinoza.’ (PB)

Asghar Seyed-Gohrab

Universitair hoofddocent Perzische taal en cultuur aan de Universiteit Leiden

Kiest:

Hamid Dabashi, Iran. A People Interrupted, The New Press, 336 p., € 10,80

‘Als je dit boek uit hebt, weet je meer over Iran dan het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, het Pentagon, en niet te vergeten het ministerie van Cultuur in de Islamitische Republiek Iran. Dat belooft Hamid Dabashi de lezer aan het begin van zijn boek Iran. A People Interrupted, en hij maakt die belofte nog waar ook. Het boek gaat over de moderne cultuurgeschiedenis van Iran en geeft een goed beeld van de turbulente Iraanse geschiedenis, juist in relatie tot “het Westen”. Dabashi bekritiseert de westerse dominantie en de manier waarop westerse geleerden de wereld hebben gedefinieerd. Iran is een oud en trots land, maar in de laatste twee eeuwen ook erg zoekend naar een nieuwe identiteit, niet alleen in de eigen regio, maar ook in de globaliserende wereld met de nieuwe machtsverhoudingen.

Het boek is polemisch en in een agressieve stijl geschreven. Dabashi problematiseert de staatkundige entiteit die Iran heet. Net zoals veel andere landen in het Midden-Oosten en Centraal-Azië heeft Iran nieuwe grenzen toebedeeld gekregen in de negentiende eeuw en het idee van Iran is, zoals Dabashi terecht analyseert, “a state of mind, systematically set to contradict itself”.

Mijn eigen onderzoek gaat over de moderne cultuurgeschiedenis van Iran en hoe de middeleeuwse cultuur en religie worden geïmplementeerd in de nieuwe politiek. Ik vind Dabashi’s betoog intrigerend in die zin dat ik het helemaal niet eens ben met bepaalde opvattingen en de geëmotioneerde toon, maar hij zet me toch aan het denken. Waarom is hij zo boos?

Met studenten spreek ik veel over het concept “grens” in de context van het Perzische cultuurgebied. Wat betekent “Iran”? Iraniërs in het algemeen willen heel graag anders zijn dan de Turken en Arabieren op wie ze fysiek het meest lijken. Waarom? Lijkt dit op de emoties die Nederlanders voelen als ze voor Duitser worden aangezien? Iraniërs voelen zich vaak veel meer verbonden met Europa dan met omliggende landen. En zo menen ze ook recht te hebben op een democratisch politiek systeem en niet op een monarchie of het theocratische totalitarisme van nu. Ik heb geen duidelijk antwoord waarom Iran, ondanks diverse revoluties en hervormingenbewegingen, nu een Ahmadinejad als president heeft, maar het is wel belangrijk om hierover met studenten en collega’s te spreken. Dabashi zegt dat Iran buiten de geschiedenis is gezet, een land dat door anderen werd gedefinieerd. Dit probeert hij te corrigeren.’ (PB)

Marijn Franx

Hoogleraar astronomie aan de Universiteit Leiden en winnaar van de Spinozapremie 2010

Kiest:

Ap Dijksterhuis, Het slimme onbewuste. Denken met gevoel, Bert Bakker, 240 p., € 18,95

‘De beste ideeën komen onder de douche. Deze populaire wijsheid is maar al te waar, zoals mijn collega’s zonder uitzondering zullen bevestigen – hoewel we er nooit sluitend bewijs voor hebben kunnen vinden. Maar feit is dat als ik in mijn werk – ik probeer de geschiedenis van het heelal te begrijpen – op een probleem stuit, ik dat het beste even kan laten liggen. Geheid komt de oplossing een paar dagen later op een onverwacht moment vanzelf boven borrelen.

Een mooie verklaring voor dit proces geeft Ap Dijksterhuis in Het slimme onbewuste. Denken met gevoel. Hij argumenteert dat beslissingen niet bewust worden genomen, maar dat dat proces zich vaak in het onbewuste afspeelt. Het heeft te maken met hoe creativiteit werkt, en intuïtie.

Natuurlijk is er ook een rationele kant, maar creativiteit is cruciaal in het wetenschappelijk denken; denk maar aan het cliché van vijf procent inspiratie en vijfennegentig procent transpiratie. De transpiratie, het bewuste deel, bestaat uit het uitwerken van de denkarbeid, het binnenhalen van gegevens en het uitwerken van formules, maar zonder het onbewuste deel, die vijf procent inspiratie, ben je nergens.

Dat brengt me op een ander boek dat ik laatst bij toeval ontdekte toen ik een boekenkast bij iemand moest leegruimen: The Agony and the Ecstacy van Irving Stone, over het leven van Michelangelo. Het dateert al van 1960, maar is op geen enkele manier achterhaald, het leest als een moderne, spannende roman en is geweldig goed geschreven.

Naast hilarische beschrijvingen van hoe Michelangelo steeds weer in conflict kwam met de opeenvolgende pausen, laat Irving mooi zien hoe het creatieve proces bij hem werkte. Michelangelo moest een stuk marmer eerst aanvoelen, dagen liep hij eromheen, voor hij begon te hakken: hij moest kijken en voelen hoe het marmer in elkaar zat, voor hij er een beeld uit tevoorschijn kon halen. Precies wat Dijksterhuis zegt: er is een cerebraal en een intuïtief deel, en samen zorgen die voor de totstandkoming van iets geniaals.

Ik denk dat het onlosmakelijk met elkaar verbonden is, de intuïtie en de ratio, zowel in de kunst als in het wetenschappelijk denken.’ (PB)

Peter-Paul Verbeek

Hoogleraar filosofie van mens en techniek aan de Universiteit Twente en de Technische Universiteit Delft

Kiest:

Ann Meskens, Tati. De passie van Ann Meskens, Lemniscaat, 120 p., € 16,50

‘Er zijn maar weinig mensen die vanuit de filosofie kijken naar de dingen. De Belgische filosofe Ann Meskens beschouw ik dan ook als een mede-‘apparatoloog’, omdat zij de rol die techniek in het leven van mensen speelt, koppelt aan alledaagse dingen. In haar boek over de Franse filmmaker Jacques Tati gaat ze heel mooi in tegen het cultuurpessimisme dat lang gezegevierd heeft. De techniek zou de mens vervreemden van zichzelf en van de werkelijkheid: wij zouden massamensen worden en de natuur een voorraad grondstoffen.

Met Tati’s film Mon Oncle laat Meskens zien dat dit beeld niet voldoet. Meesterlijk in die film is een scène in een fonkelnieuwe hightech keuken – althans, hightech naar jaren-vijftig-standaarden. De keuken blijkt voor een argeloze leek niet te bedienen, doet van alles uit zichzelf, en doet vooral van alles niet. Techniek is hier geen monster dat de maatschappij kapot maakt; pas als mensen ermee omgaan, doet techniek iets, en dan meestal ook nog iets totaal onverwachts.

Net als de techniek van nu, zou je kunnen zeggen. De telefoon zou leiden tot het einde van de brief; de computer tot het einde van het boek. Maar in werkelijkheid blijken al deze technologieën op onverwachte manieren te worden opgenomen in ons dagelijks leven en dingen te doen die niet voorzien waren. Brieven schrijven we nog steeds, en boeken lezen we nog steeds, maar de telefoon heeft sociale relaties enorm veranderd, en de computer bleek vooral ook een communicatiemedium.

Vanuit Tati laat Meskens zien dat je techniek alleen kunt begrijpen door te kijken naar de kleine details, de onverwachte dingen die erdoor mogelijk kunnen worden, de grilligheid van de mensen die ermee omgaan. Lees maar, er staat niet wat er staat, zei Nijhoff – bij Tati is het: kijk maar, het is niet wat het is. En dat is een bron van geëngageerde filosofie.

Tati is een tastend boek, je zíét de auteur haast denken. Meskens heeft een fragmentarische schrijfstijl, terwijl het wel een coherent geheel is. Echt een ideaal strandboek, je kunt het elk moment even wegleggen.’ (PB)

Voor kinderen: non-fictie-luisterboeken

Pas op met luisterboeken in de auto! Misschien hadden de ANWB of het ministerie van Verkeer en Waterstaat allang een waarschuwing moeten afgeven: luisterboeken sukkelen ook de wakkerste rijders in slaap. Zelfs de meest boeiende romans veranderen in snelwerkende tranquillizers.

Maar tegelijk zijn ze voor achterbankkinderen een geweldige zoethouder.

Niet getreurd, er is een oplossing, en dat is: kinder-non-fictie. Dempt de achterbank en kan ook voor volwassenen heel aardig wezen.

Neem de luisterversies van Kinderen van Amsterdam en Kinderen van Nederland. Beide mooi geschreven geschiedenisboeken van Jan Paul Schutten zijn ook als luisterboek verschenen (Uitgeverij Rubinstein): leuk en leerzaam voor kind én volwassene.

Spannender voorgelezen zijn twee cd’s van Home Academy: De Opstand, over de Tachtigjarige Oorlog en De V.O.C., over ‘de beroemdste handelsmaatschappij ter wereld’. Een genot voor kind en volwassene.

Dan zijn er nog de cd’s met ongegeneerd gestelde kindervragen. Op Hoe plast een astronaut? en Kunnen vogels op de kop vliegen? (LuisterWijs) gaat natuurwetenschapper Theo Jurriens consequent serieus in op door kinderen gestelde vragen, zoals de vraag naar seks in de ruimte? (kan wel, maar is moeilijk al zwevend) en naar waarom een drol bruin is (oud bloed!) En op Waarom (LuisterWijs) behandelt Bas Haring vragen als ‘Móét je naar school?’ (ja, maar het is een ander soort moeten dan bijvoorbeeld poepen).

Op het college voor kinderen Het recht van de sterkste… of niet? (LuisterWijs) vertelt hoogleraar gedragswetenschap van dieren Jan van Hooff weliswaar erg met de intonatie van een gezellige opa over dieren en Darwin, maar wat hij vertelt, is toch een serieuze en spannende inwijding in een deel van de evolutietheorie.

Maar de verzamelbox De Junior Bèta Canon (LuisterWijs) steekt alles naar de kroon: een feestnummer voor ieder leergierig kind en, jawel, de ouder die het ook allemaal niet zo precies weet. Robbert Dijkgraaf, Louise Fresco en Bas Haring leggen er in klare taal uit wat bijvoorbeeld elektriciteit of het periodiek systeem eigenlijk zijn. Nooit neerbuigend naar de kleine mensen met minder ervaring, maar serieus en enthousiast. De kwinkslag komt van Frank Groothof die als razende reporter elk lemma introduceert met een kort, grappig hoorspel.

Al deze cd’s zijn geschikt voor wijsneusjes vanaf zeven jaar, en vooral voor hun iets oudere broertjes en zusjes. En dus voor papa en mama, opa en oma. (SP)