Zoals eerder in zijn boeken ‘Een sluimerend systeem’ en ‘Dicht bij huis’ moet de lezer van Matsiers nieuwe boek ‘Compositieportret’ de schrijver zelf samenstellen aan de hand van zijn essays.

Nicolaas Matsier is als schrijver en essayist systematisch onsystematisch. Het is goed dat onderwerpen soms echt onderwerpen zijn, anders zou hij louter zwervend en flanerend door zijn ongewisse schrijversleven gaan. Zijn vertaling van Alice in Wonderland was zo’n onderwerp, daar viel niet bij te flaneren. De Bijbel, waar hij als afvallige twee boeken met commentaren over schreef, lag als onderwerp aangenaam vast. Ook Lof der stenen gaat min of meer over één onderwerp: bouwwerken van allerlei aard. Wat een geluk voor hem dat de werkelijkheid zelf enige systematiek heeft. Zo werd zijn schrijverschap gered toen hij zich na jaren stilzwijgen wist vast te leggen op het schrijven over het afscheid nemen en ontruimen van zijn ouderlijk huis, uitlopend op het veel bekroonde Gesloten huis.

Gegeven het ontbreken van innerlijke systematiek is de toon waarop Matsier schrijft juist opvallend gedecideerd, alsof hij daarmee het ontbreken van systematiek wil verhullen. De titel van zijn nieuwe boek met essays, Compositieportret, is helemaal toegesneden op zijn manier van schrijven: uit de onsystematische onderdelen moet een portret worden samengesteld. Dat onsystematische is daarom ook programmatisch geworden: de onwil om een keurig portret volgens de regels af te leveren is groot. Bij Matsier is het fragment (dat in vele opzichten karakteristiek is voor het moderne leven) de geëigende essayistische vorm, zoals dat ook het geval was bij Walter Benjamin toen hij Kinderjaren in Berlijn en Eenrichtingstraat schreef. Het is aan de lezer om het sluimerende systeem in Matsier op te sporen.

Na het gouden tijdperk volgt het eindeloze bronzen tijdperk waarin nog maar zelden een boek gelezen wordt waar men van ondersteboven is

Een goed voorbeeld van de opzettelijk onsystematische manier waarop Matsier te werk gaat is wat hij schrijft over de ziekte van zijn vrouw. Dat doet hij in ver uit elkaar liggende fragmenten. Zij krijgt leukemie en ondergaat talloze onderzoeken. Hun beider leven staat in het teken van onrust, angst, ziekenhuisbezoek, dokters, lichamelijk ongemak. Matsier schrijft er van tijd tot tijd over, komt er weer op terug, maar maakt er geen samenhangend geheel van. Het dringt ook maar geleidelijk tot je door dat de ziekte uiteindelijk onder controle is gekregen. De omweg is de beste weg voor de literatuur.

Zo gaat het ook met wat hij schrijft over de tijd dat hij op het gymnasium zat, de jaren tussen zijn elfde en zestiende, wat hij zijn ‘gouden tijdperk’ noemt. Dat waren de jaren waarin je niet las, maar dat je wás wat je las. Over die manier van lezen schreef hij eerder in het essay ‘Het lichaam van de lezer’ in Dicht bij huis. Het waren de jaren dat hij nog geen smaak had, alles door elkaar gelezen werd, van André Gide tot Eric de Noorman, van de Odyssee tot de Rode Pimpernel. Het waren de jaren van ‘welbehagen zonder reflectie’, gevolgd door het zilveren tijdperk waarin al een zekere ironische distantie tot het gelezene ontstond, ‘camp’ noemt Matsier het. Waarna het eindeloze bronzen tijdperk volgt waarin nog maar zelden een boek gelezen wordt waar men van ondersteboven is.

Matsier doet alsof hij het gedecideerd wetenschappelijk en systematisch aanpakt, maar wil daar beslist niet te ver in gaan

Compositieportret bestaat niet alleen uit korte en langere essays die rechtstreeks aan een autobiografisch portret bijdragen. Het gaat ook over onderwerpen die indirecter karakteristiek zijn voor Matsier, zoals zijn fascinatie voor begraafplaatsen, voor bomen, de literatuur van de klassieke oudheid of duinen. Daar zijn bevliegingen bij (zoals voor bomen), maar ook duurzame fascinaties die iets met zijn sluimerend systeem te maken moeten hebben, zoals de dood en de begraafplaatsen (‘Ik durf wel te zeggen dat ik me er thuis voel, ze vertrouwen mij wel, de begraafplaatsen en de kerkhoven aller Welt’). Bij Matsier zorgen ‘necropolen’ juist voor een enorme werklust, hij krijgt er zin van om dingen uit te zoeken, te verzamelen, te vergelijken en te overpeinzen. Hij vraagt zich daarbij af of zijn favoriete stemming de ‘vanitas’ is, het besef van de ijdelheid van alles, het eeuwige voorbijgaan. Maar dat is niet zo, de vanitas is allerminst zijn enige stemming. Vanitas staat bij Matsier tegenover een periodiek en fel geluksgevoel. Hij schrijft bijvoorbeeld over het aanbrengen van een klamboe tegen de muggen: ‘Ik vind het ongehoord gerieflijk en gezellig in het waas van ons hemelbed’. De manier waarop Matsier over de spaarpot uit zijn kinderjaren schrijft, kan alleen maar ontstaan uit een gevoel van welbehagen. Denk ik aan Matsier, dan zie ik iemand met intens genoegen in zijn handen wrijven, bezig iets met twee handen aan de pakken. Dat is niet een voorstelling die bij een somberaar hoort. Maar toch, dan staat daar toch ineens een fragment dat ‘Moedeloosheid’ heet waarin hij in één pagina al zijn mislukkingen opsomt: ‘Als je jezelf kunt verraden, nou en of, dan heb ik dat gedaan.’ Het regent slagen die hij zichzelf toedient. Maar dat hij het zelf doet is wel zijn trots, ‘niemand anders’. Om te eindigen met: ‘Zo dat was het dan weer.’

Matsier behandelt zijn onderwerpen op een speels-analytische manier. Hij doet alsof hij het gedecideerd wetenschappelijk en systematisch aanpakt, maar wil daar beslist niet te ver in gaan. Het moet toch iets flaneur-achtigs houden. Op deze manier heeft hij het over zijn succesvolle methode om van het roken af te komen. Daar hoort een heuse theorie bij, te weten ‘de theorie van de dubbele deprivatie’. Die houdt in dat men het lijden van het niet mogen roken niet lichter moet maken, maar juist nog erger, bijvoorbeeld, door meteen ook een tijdje niet meer te eten: totale Verelendung, voor enige tijd.

Door alle fragmenten heen heeft Matsier het over zelfkennis en de manier waarop die tot stand komt. Dat gaat volgens hem vooral via anderen. Zoals, in zijn geval, via twee tantes die een held in hem zien als ze vanuit hun huis gadeslaan hoe hij een stel jongens die het niet goed met hem voor hebben weerstaat: ‘Het zijn de anderen die je beginnen te verlossen van je onvastheid, door jou kenmerken toe te dichten, en karaktereigenschappen, en kwaliteiten waarvan je niet wist dat je ze had.’ Een andere leermeester in zelfkennis was zijn leraar Grieks, Lambert Elferink, die ons ‘met de groots mogelijke onnadrukkelijkheid behandelde als volwassenen.’ Die bracht hem ook ‘een geweldige zin voor het concrete’ bij. Dat is Matsier van pas gekomen, gezien alles wat hij vanaf Gesloten huis (1994) heeft geschreven en de specifieke aandacht die hij in Compositieportret, en eerder in Een sluimerend systeem, Dicht bij huis en Lof der stenen heeft voor dagelijkse voorwerpen en de concrete kanten van het leven. Daardoor is hij een schrijver die tot De school der dingen behoort, waarvan zeker ook H.J.A. Hofland en Maarten Asscher deel uit maken.

 

Compositieportret is uitgegeven door De Bezige Bij.