Overheden hebben zich de afgelopen jaren steeds meer teruggetrokken uit de voedselvoorziening. Zo stapte de EU in 1992 af van de kostendekkende prijzen aan akkerbouwers en melkveehouders die vanaf de jaren vijftig hadden gegolden. Ook mochten landen hun voedselvoorziening niet meer met importheffingen beschermen tegen de lage wereldmarktprijs.

Dit leidde toentertijd tot protesten van Sicco Mansholt en Cees Veerman, respectievelijk oud- en toekomstig minister van Landbouw. ‘Liberalisering doet boer en milieu de das om,’ schreven ze in 1992 in NRC. ‘Markten van belangrijke landbouwproducten kunnen niet zonder een zekere regulering. Die is onmisbaar om de omschakeling van de landbouw op milieuvriendelijke productiemethoden, die kostenverhogend zullen werken, en het leefbaar houden van het platteland, mogelijk te maken.’

Lees ookJa, het helpt als je jouw tuin vergroent! Hoe we de biodiversiteit kunnen herstellen18 juli 2019

Maar de liberaliseringstrein denderde voort. En Mansholt en Veerman kregen gelijk: biodiversiteit en boerenstand hollen inmiddels achteruit. Want landbouwmarkten kúnnen inderdaad niet zonder afstemming van het aanbod op de vraag.

landbouwhervormingen
Een groentemarkt in Harare, Zimbabwe.
Overproductie

De problemen rond de mondiale wereldvoedselvoorziening zijn groot. Om er een paar te noemen:

  • Landbouw, veehouderij en bosbouw dragen tot voor wel een kwart bij aan de mondiale uitstoot van broeikasgassen. Daar komt nog 5 tot 10 procent bij door transport en verwerking.
  • Vooral de voedselvoorziening ondervindt de negatieve gevolgen van klimaatverandering door toenemende droogte, weggesmolten gletsjers waardoor irrigatielandbouw onmogelijk wordt, overstromingen en heftige stormen, verzilting door een stijgende zeespiegel en dalende landbouwopbrengsten door te hoge temperaturen.
  • De landbouw gebruikt 70 procent van het mondiale zoetwater, en dat percentage zal alleen maar toenemen.
  • Rundveeteelt in de Amazone en de teelt van exportgewassen als soja, palmolie en suikerriet in wat de Wereldbank the Global South noemt, leiden tot vernietiging van natuurgebieden met bijbehorende uitstoot van broeikasgassen. Kleine boeren, herders en inheemse volkeren worden – vaak met geweld – van hun land gedreven en kunnen dan niet meer in hun eigen voedselvoorziening voorzien.
  • Door klimaatverandering, vervuiling met pesticiden, overbemesting en habitatverlies voor planten en dieren door landbouw daalt de biodiversiteit dramatisch.
  • Boeren hebben wereldwijd te maken met onstabiele en te lage prijzen. In de Global South (Azië, Afrika, Latijns-Amerika en de Cariben) trekken ze vervolgens massaal naar de sloppenwijken. Ook in de Global North stoppen veel boeren ermee. Dit gaat ten koste van de leefbaarheid en werkgelegenheid op het platteland en leidt tot toenemende schaalvergroting en industrialisering.
Noodzakelijke aanscherping

Om dumping van overschotten op de wereldmarkt zoveel mogelijk te voorkomen en boeren tegemoet te komen met een stabiele, kostendekkende prijs, werden er voor melk en suiker eerder Europese productiequota ingesteld op basis van de vraag. Als boeren meer produceerden, kregen zij een heffing.

landbouw
Een groentewinkel nabij Covent Garden, Londen

Onder druk van multinationals en boerenorganisatie LTO Nederland, die grote exportmogelijkheden zagen, werden de melkquota in 2015 afgeschaft. Daardoor breidde een groot deel van de melkveehouders hun veestapel uit. De melkprijs stortte vervolgens in toen er toch onvoldoende vraag bleek te zijn.

Vrijhandelsverdragen hebben nog meer nadelen. Zo blijken milieu-, dierenwelzijns- en arbeidsstandaarden niet te kunnen worden afgesproken binnen dergelijke verdragen. Er kunnen alleen – beperkte – eisen worden gesteld aan de voedselveiligheid, maar niet aan de wijze van productie.

Zo komen er legbatterij-eieren uit de Oekraïne Europa binnen, terwijl legbatterijen in de EU verboden zijn. Uit de VS, Canada en Brazilië wordt veel rundvlees geïmporteerd, terwijl dierenwelzijnseisen daar niet bestaan, of een stuk lager liggen. Ook worden er in deze landen pesticiden gebruikt die in de EU al lang verboden zijn.

Vrijhandelsverdragen leiden dus tot oneerlijke concurrentie voor de Europese boeren, die (terecht) aan hogere eisen moeten voldoen. Bovendien maken deze deals de noodzakelijke aanscherping van het Europese milieu- en dierenwelzijnsbeleid vrijwel onmogelijk. Boeren zullen zich verzetten tegen de kosten ervan, terwijl hun inkomsten laag en onstabiel zijn. Ook worden er producten geïmporteerd waarin de EU al meer dan zelfvoorzienend is. Dat leidt tot onnodig mondiaal transport.

Helemaal schrijnend zijn de effecten van het in juli afgesloten vrijhandelsverdrag tussen de EU met de Mercosur-landen (Brazilië, Argentinië, Uruguay, Paraguay en Venezuela). Deze deal zal leiden tot nog meer import van rundvlees en biobrandstoffen. Zo vergroot Europa haar medeplichtigheid aan de boskap en mensenrechtenschendingen die gepaard gaan met de exportproductie.

Europese overschotten, mede mogelijk gemaakt door Europese landbouwsubsidies, worden vervolgens weer gedumpt in de Global South. Dat pakt nogal negatief uit voor de lokale boeren. En de negatieve effecten voor de werkgelegenheid laten zich wel raden.

Zo veroorzaakt het westerse vrijhandelsbeleid de migratie naar het Noorden. Die migratie wordt nog vergroot door de klimaatcrisis en de landroof. Maar in plaats van het beleid dat daarvoor verantwoordelijk is drastisch te hervormen, wordt Fort Europa gebouwd.

In Amerika is iets soortgelijks aan de hand. Zo stopten door een vrijhandelsverdrag met de VS en Canada miljoenen Mexicaanse maïsboeren met hun bedrijf nadat gesubsidieerde Amerikaanse maïs hun lokale markten overstroomde. Daarbij wordt het vruchtbaarste land in landen als Guatemala ingenomen door grootgrondbezitters met plantages waarop bananen, suikerriet en palmolie worden verbouwd voor de export. De kleine maïsboeren op de minder vruchtbare heuvels hebben ondertussen te maken met de ernstigste droogte in decennia. De relatie met de huidige migratie spreekt voor zich.

landbouw
Arbeiders verkopen groente op een 300 meter lange glazen brug, vlakbij Shiniuzhai National Geological Park, China
Wat zou er moeten gebeuren?

De komende hervormingen van het Europese landbouwbeleid bieden een uitgelezen kans om terug te keren van de neoliberale dwaling van de afgelopen 25 jaar.

Wat zou er moeten gebeuren?

  • Het aanbod van de boeren moet worden afgestemd op de vraag van consumenten. Dat kan door het instellen van jaarlijkse quota, zoals voorheen ook gebeurde met melk en suiker. Zo krijgen Europese boeren weer stabiele kostendekkende prijzen en wordt dumping in ontwikkelingslanden voorkomen.
  • Om de Europese zelfvoorziening van voedsel en veevoer zo groot mogelijk te maken, moeten er importheffingen komen op producten waarvoor in Europa alternatieven kunnen worden geproduceerd. Pas dan kan er werkelijk sprake zijn van kringlooplandbouw. Deze marktbescherming voorkomt ook dat er producten worden geïmporteerd die niet aan de eisen voldoen die wel gelden voor Europese boeren, en dus leiden tot oneerlijke concurrentie.
  • Doordat oneerlijke concurrentie wordt uitgeschakeld, kunnen de Europese milieu- en dierenwelzijnseisen worden verhoogd en kunnen er vergaande Europese ecotaksen worden ingevoerd op fossiele brandstoffen, kunstmest en bestrijdingsmiddelen.
  • De Wereldhandelsorganisatie moet drastisch worden hervormd tot een VN-organisatie voor eerlijke handel. Voor landbouwproducten moet voedselsoevereiniteit maatgevend worden, waarbij elk land voedsel mag laten produceren door de eigen boeren voor de eigen bevolking op een zo duurzaam mogelijke manier. Dat betekent dat importheffingen en productiebeheersing weer worden toegestaan.
  • De oneerlijke marktmacht van (detail)handel en verwerkende industrie ten opzichte van de boer wordt aangepakt. Hierdoor wordt het verschil tussen de consumentenprijs en de prijs die de boeren krijgen, zo klein mogelijk.
  • De productie en consumptie van dierlijke eiwitten moeten worden beperkt. Het instellen van een nationale vleestaks kan hierbij helpen. De dierenwelzijnseisen moeten fors omhoog, maar dat kan alleen als de oneerlijke concurrentie door importproducten stopt.

Het doorberekenen van alle milieu- en dierenwelzijnskosten in de consumentenprijs kan gecombineerd worden met kostendekkende prijzen aan boeren. Al het voedsel in de winkel zal dan een stuk socialer en milieu- en diervriendelijker worden geproduceerd.